Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 16 juli 2015 (België)

Publicatie datum :
16-07-2015
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
10 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20150716-2
Rolnummer :
104/2015

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : De artikelen 28 en 29 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 12 december 2008 « houdende verscheidene maatregelen betreffende de radio-omroep, de oprichting van een begrotingsfonds voor de financiering van programma's voor het opsporen van kankers, de onderwijsinrichtingen, de internaten, de psycho-medisch-sociale centra en de schoolgebouwen » schenden niet de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet, in samenhang gelezen met de richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep, ten aanzien van de in B.4.2 beschreven situatie.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 14 mei 2014 in zake Anne-Françoise Vangansbergt tegen de Franse Gemeenschap, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 11 juni 2014, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Bergen, de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schenden de artikelen 28 en 29 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 12 december 2008, in zoverre zij de artikelen 16 en 17 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs wijzigen door te bepalen : ' In afwijking van de eerste paragraaf, worden toegelaten de effectieve diensten opgenomen in de eerste paragraaf, verricht voor de leeftijdsdrempel, gepresteerd door het personeelslid dat zijn ambt bekleedt na 31 augustus 2008 of dat, ook al hij reeds eerder zijn ambt bekleedde, niet de leeftijdsdrempel van zijn schaal op deze datum heeft bereikt ', de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet, de artikelen 12 en 16 van de richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep en/of artikel 12 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 december 2008 betreffende de bestrijding van sommige vormen van discriminatie, doordat zij een onverantwoord verschil in behandeling in het leven roepen tussen, enerzijds, de personeelsleden die vóór 31 augustus 2008 in dienst zijn getreden en die op de dag van hun indiensttreding in het onderwijs de leeftijdsdrempel niet hebben bereikt en, anderzijds, de personeelsleden die na 31 augustus 2008 in dienst zijn getreden zonder de leeftijdsdrempel te hebben bereikt of die voordien in dienst zijn getreden zonder op 31 augustus 2008 de leeftijdsdrempel te hebben bereikt, in zoverre de anciënniteit die door de eersten is verworven alvorens de leeftijdsdrempel te hebben bereikt, in hun geldelijke anciënniteit niet wordt gevaloriseerd in tegenstelling met die van de tweeden ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De prejudiciële vraag handelt over de artikelen 28 en 29 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 12 december 2008 « houdende verscheidene maatregelen betreffende de radio-omroep, de oprichting van een begrotingsfonds voor de financiering van programma's voor het opsporen van kankers, de onderwijsinrichtingen, de internaten, de psycho-medisch-sociale centra en de schoolgebouwen » (hierna : het programmadecreet van 12 december 2008).

Die artikelen, opgenomen in hoofdstuk XI van het programmadecreet van 12 december 2008, dat het opschrift « Afschaffing van de leeftijdsdrempels » draagt, wijzigen de artikelen 16 en 17 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 « houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs » (hierna : het koninklijk besluit van 15 april 1958). Zij bepalen :

« Art. 28. In artikel 16 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, wordt een § 1bis ingevoegd, luidend als volgt :

' § 1bis. In afwijking van de eerste paragraaf, worden toegelaten de effectieve diensten opgenomen in de eerste paragraaf, verricht voor de leeftijdsdrempel, gepresteerd door het personeelslid dat zijn ambt bekleedt na 31 augustus 2008 of dat, ook al hij reeds eerder zijn ambt bekleedde, niet de leeftijdsdrempel van zijn schaal op deze datum heeft bereikt. '.

Art. 29. Artikel 17 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, wordt aangevuld met de volgende bepaling :

' § 4. In afwijking van de eerste en tweede paragrafen, worden toegelaten de effectieve diensten opgenomen in de eerste en tweede paragrafen, gepresteerd voor de leeftijdsdrempel, gepresteerd door het personeelslid dat zijn ambt bekleedt na 31 augustus 2008 of dat, ook al hij reeds eerder zijn ambt bekleedde, niet de leeftijdsdrempel van zijn schaal op deze datum heeft bereikt.' ».

Krachtens artikel 40 van hetzelfde programmadecreet hebben die bepalingen uitwerking met ingang van 1 september 2008.

B.2. De artikelen 16 en 17 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 bepalen de aanneembare diensten voor de berekening van de geldelijke anciënniteit van de leden van het onderwijzend, wetenschappelijk of daarmee gelijkgesteld personeel, vanaf de leeftijd van 20, 21, 22, 23 of 24 jaar, naar gelang van de klasse van hun schaal.

Krachtens artikel 14 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 wordt de wedde van elk personeelslid vastgesteld in de schaal van zijn graad, met inachtneming van het diploma of bekwaamheidsbewijs dat het bezit.

Elke schaal is ingedeeld hetzij in de klasse genaamd « 20 jaar », hetzij in de klasse genaamd « 21 jaar », hetzij in de klasse genaamd « 22 jaar », hetzij in de klasse genaamd « 23 jaar », hetzij in de klasse genaamd « 24 jaar » (artikel 9 van het koninklijk besluit van 15 april 1958).

De schaal van elke graad wordt aangeduid met een indicium, dat er de minimumwedde, de maximumwedde, de klasse, alsook het aantal en het bedrag van de periodieke verhogingen van aangeeft (artikel 10 van het koninklijk besluit van 15 april 1958).

De diensten verricht vóór de leeftijdsdrempel aangegeven in de klasse van de schaal van het personeelslid kunnen krachtens de artikelen 16 en 17 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 niet in aanmerking worden genomen bij de berekening van zijn geldelijke anciënniteit.

B.3. Door de artikelen 16 en 17 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 te wijzigen, schaffen de in het geding zijnde bepalingen de leeftijdsdrempels af ten aanzien van de leden van het onderwijzend, wetenschappelijk of daarmee gelijkgesteld personeel die na 31 augustus 2008 in dienst zijn getreden of die, ook al waren zij reeds eerder in dienst, op diezelfde datum de leeftijdsdrempel van hun schaal niet hebben bereikt.

Ten aanzien van de andere leden van het onderwijzend, wetenschappelijk of daarmee gelijkgesteld personeel worden de leeftijdsdrempels bijgevolg gehandhaafd.

B.4.1. In de prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen met de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 12 en 16 van de richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep en met artikel 12 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 december 2008 betreffende de bestrijding van sommige vormen van discriminatie.

Noch artikel 142 van de Grondwet, noch de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof verlenen het Hof de bevoegdheid om wettelijke bepalingen te toetsen aan andere wettelijke bepalingen die geen bevoegdheidverdelende regels zijn.

Het Hof is bijgevolg niet bevoegd om zich uit te spreken over een eventuele schending van het voormelde artikel 12 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 december 2008.

B.4.2. De in het geding zijnde bepalingen zouden een onverantwoord verschil in behandeling op grond van leeftijd in het leven roepen tussen, enerzijds, de personeelsleden die na 31 augustus 2008 in dienst zijn getreden of die reeds eerder in dienst zijn getreden maar op die datum de leeftijdsdrempel van hun schaal niet hebben bereikt en, anderzijds, de personeelsleden die vóór 1 september 2008 in dienst zijn getreden en op 31 augustus 2008 die leeftijdsdrempel wel hebben bereikt : terwijl de tweeden in hun geldelijke anciënniteit de diensten verricht alvorens de leeftijdsdrempel te hebben bereikt geenszins kunnen valoriseren, kunnen de eerstgenoemden diezelfde diensten in hun geldelijke anciënniteit valoriseren.

B.4.3. Uit het verwijzingsvonnis blijkt dat het voor de verwijzende rechter hangende geschil de situatie betreft van een lerares die in vast verband is benoemd in het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerd vrij lager secundair onderwijs en die in oktober 1982 haar loopbaan is begonnen op de leeftijd van 19 jaar; haar geldelijke anciënniteit wordt, overeenkomstig de artikelen 16 en 17 van het koninklijk besluit van 15 april 1958, berekend zonder rekening te houden met de prestaties verricht vóór haar tweeëntwintigste verjaardag.

Het Hof beperkt zijn onderzoek tot dat geval.

B.5.1. De in het geding zijnde bepalingen hebben tot gevolg dat leden van het onderwijzend personeel al dan niet aan een leeftijdsdrempel zijn onderworpen, naargelang hun indiensttreding vóór of vanaf 1 september 2008 heeft plaatsgehad of naargelang de leeftijdsdrempel van hun schaal vóór of na die datum is bereikt.

Dat verschil in behandeling heeft tot gevolg dat, naar gelang van de datum van de indiensttreding of van de datum waarop de leeftijdsdrempel wordt bereikt, sommige leden van het onderwijzend personeel hun volledige prestaties kunnen valoriseren zonder de invloed van een leeftijdsdrempel, terwijl anderen, zoals de eiseres voor de verwijzende rechter, dat niet kunnen.

B.5.2. Het vastleggen van een leeftijdsdrempel voor de berekening van de geldelijke anciënniteit stelt een verschil in behandeling op grond van leeftijd in doordat de leerkracht die vroeg in het ambt is getreden door zijn loopbaan vóór de leeftijdsdrempel aan te vatten, de diensten verricht vóór die minimumleeftijd niet kan valoriseren in de berekening van zijn geldelijke anciënniteit, terwijl het personeelslid dat zijn loopbaan na die leeftijdsdrempel is begonnen, zijn volledige prestaties kan valoriseren.

Dat verschil in behandeling raakt de leerkrachten die, per hypothese, op vroege leeftijd in het beroep zijn gestapt omdat zij hun studie op jonge leeftijd hebben beëindigd; die leeftijdsdrempel zou tot gevolg kunnen hebben dat leerkrachten dezelfde geldelijke anciënniteit hebben, terwijl de duur van hun prestaties verschillend zou zijn, of dat zij een verschillende geldelijke anciënniteit hebben, zelfs indien de duur van hun prestaties dezelfde zou zijn.

B.5.3. Door een leeftijdsdrempel te handhaven ten aanzien van de leden van het onderwijzend personeel die vóór 1 september 2008 in dienst zijn getreden en die vóór die datum de leeftijdsdrempel hebben bereikt, stellen de in het geding zijnde bepalingen een verschil in behandeling in ten aanzien van die personeelsleden door hen te onderwerpen aan een mogelijk verschil in behandeling op grond van leeftijd.

B.6. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.

Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

B.7.1. De richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 « tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep » strekt ertoe discriminatie op het terrein van arbeid, beroep en beroepsopleiding op te heffen.

Zij verbiedt onder meer directe of indirecte discriminaties op grond van leeftijd, die echter gerechtvaardigd kunnen zijn, met name door legitieme doelstellingen van het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt of de beroepsopleiding.

Met toepassing van artikel 18 van de richtlijn heeft België aan de Commissie laten weten dat het het voordeel van een extra termijn van drie jaar vanaf 2 december 2003 wenste te genieten om de richtlijn uit te voeren wat de discriminatie op grond van leeftijd betreft; België was bijgevolg ertoe gehouden de richtlijn tegen 2 december 2006 om te zetten.

B.7.2. Artikel 6 van de richtlijn 2000/78/EG bepaalt :

« Rechtvaardiging van verschillen in behandeling op grond van leeftijd

1. Niettegenstaande artikel 2, lid 2, kunnen de lidstaten bepalen dat verschillen in behandeling op grond van leeftijd geen discriminatie vormen indien zij in het kader van de nationale wetgeving objectief en redelijk worden gerechtvaardigd door een legitiem doel, met inbegrip van legitieme doelstellingen van het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt of de beroepsopleiding, en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.

Dergelijke verschillen in behandeling kunnen onder meer omvatten :

a) het creëren van bijzondere voorwaarden voor toegang tot arbeid en beroepsopleiding, van bijzondere arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden, met inbegrip van voorwaarden voor ontslag en beloning voor jongeren, oudere werknemers en werknemers met personen ten laste, teneinde hun opneming in het arbeidsproces te bevorderen, en hun bescherming te verzekeren;

b) de vaststelling van minimumvoorwaarden met betrekking tot leeftijd, beroepservaring of -anciënniteit in een functie voor toegang tot de arbeid of bepaalde daaraan verbonden voordelen;

c) de vaststelling van een maximumleeftijd voor aanwerving, gebaseerd op de opleidingseisen voor de betrokken functie of op de noodzaak van een aan pensionering voorafgaand redelijk aantal arbeidsjaren.

2. Niettegenstaande artikel 2, lid 2, kunnen de lidstaten bepalen dat de vaststelling, in ondernemings- en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid, van een toetredingsleeftijd of van een leeftijd voor het verkrijgen van het recht op pensioen- of invaliditeitsuitkeringen, inclusief de vaststelling van verschillende leeftijden voor werknemers of voor groepen of categorieën werknemers, in de ondernemings- en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid, en het gebruik, in het kader van die regelingen, van leeftijdscriteria in de actuariële berekeningen, geen discriminatie op grond van leeftijd vormt, mits dat niet leidt tot discriminatie op grond van geslacht ».

In overweging 25 van de richtlijn wordt uiteengezet :

« Het verbod op discriminatie op grond van leeftijd vormt een fundamenteel element om de in de werkgelegenheidsrichtsnoeren gestelde doelen te bereiken en de diversiteit bij de arbeid te bevorderen; niettemin kunnen verschillen in behandeling op grond van leeftijd in bepaalde omstandigheden gerechtvaardigd zijn en derhalve specifieke bepalingen nodig maken die naargelang de situatie in de lidstaten kunnen verschillen; het is derhalve van essentieel belang onderscheid te maken tussen verschillen in behandeling die gerechtvaardigd zijn, met name door legitieme doelstellingen van het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt en de beroepsopleiding, en discriminatie die verboden moet worden ».

B.7.3. Het in de prejudiciële vraag aangevoerde artikel 12 van de richtlijn bepaalt :

« Verspreiding van informatie

De lidstaten dragen er zorg voor dat binnen hun grondgebied alle betrokkenen via alle passende middelen adequate informatie krijgen over de uit hoofde van deze richtlijn vastgestelde bepalingen tezamen met de reeds van kracht zijnde relevante bepalingen, bijvoorbeeld op de arbeidsplaatsen ».

De verwijzingsbeslissing vermeldt niet in welk opzicht die bepaling door de in het geding zijnde bepalingen zou kunnen worden geschonden, in samenhang gelezen met de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet.

De prejudiciële vraag is bijgevolg niet ontvankelijk in zoverre een schending van artikel 12 van de richtlijn 2000/78/EG erin wordt aangevoerd.

B.7.4. Artikel 16 van dezelfde richtlijn bepaalt :

« Naleving van de richtlijn

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om er zorg voor te dragen dat

a) alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die met het beginsel van gelijke behandeling in strijd zijn, worden afgeschaft;

b) alle met het beginsel van gelijke behandeling in strijd zijnde bepalingen in individuele of collectieve contracten of overeenkomsten, interne reglementen van ondernemingen en in regels waaraan de vrije beroepen en werkgevers- en werknemersorganisaties onderworpen zijn, nietig worden of kunnen worden verklaard of worden gewijzigd ».

B.8. Uit die bepalingen, in samenhang gelezen met de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet, volgt dat een verschil in behandeling op grond van leeftijd, zoals dat welk het gevolg is van de vaststelling van minimumvoorwaarden met betrekking tot leeftijd voor de toegang tot bepaalde voordelen verbonden aan arbeid, niet discriminerend is indien het op een objectief criterium berust, en indien het redelijk kan worden gerechtvaardigd door een legitiem doel dat met name verband houdt met het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt of een ander vergelijkbaar legitiem doel, en indien er tussen de aangewende middelen en het beoogde doel een redelijk verband van evenredigheid bestaat.

B.9.1. Daarenboven dient in herinnering te worden gebracht dat de wetgever in sociaal-economische aangelegenheden, met name op het terrein van de werkgelegenheid en de arbeidsmarkt, over een ruime beoordelingsmarge beschikt. In die context kan hij ervoor kiezen om stapsgewijs maatregelen aan te nemen die ertoe strekken een ongelijkheid die is opgedoken door de evolutie van het recht of van de maatschappij geleidelijk te doen vervagen.

Rekening houdend met de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de wetgever beschikt bij het bepalen van zijn beleid in sociaal-economische aangelegenheden, verzet het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie zich niet tegen een geleidelijke vermindering van de vastgestelde verschillen in behandeling. Wanneer een hervorming die beoogt de gelijkheid te herstellen verreikende en ernstige gevolgen heeft, kan de wetgever immers niet worden verweten dat hij die hervorming op doordachte wijze en in opeenvolgende stadia tot stand brengt (zie, mutatis mutandis, EHRM, grote kamer, 12 april 2006, Stec e.a. t. Verenigd Koninkrijk, § 65).

B.9.2. Overeenkomstig artikel 6 van de richtlijn 2000/78/EG kunnen de lidstaten maatregelen nemen die verschillen in behandeling op grond van leeftijd bevatten. In dat opzicht beschikken de lidstaten over een ruime beoordelingsmarge, niet alleen bij de beslissing welke van meerdere doelstellingen van sociaal beleid en werkgelegenheidsbeleid zij specifiek willen nastreven, maar ook bij het bepalen van de maatregelen waarmee die doelstelling kan worden verwezenlijkt (zie HvJ, 19 juni 2014, Specht e.a., C-501/12 tot C-506/12, C-540/12 en C-541/12, punt 46).

B.10. In de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepalingen wordt de volgende toelichting gegeven :

« Het gaat erom vanaf het begin van het nieuwe schooljaar 2008 de leeftijdsdrempels voor de personeelsleden af te schaffen voor elk nieuw personeelslid van het onderwijs, ongeacht het net of het niveau, alsook voor al diezelfde personeelsleden die de leeftijdsdrempel niet zullen hebben bereikt » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2008-2009, nr. 611/1, pp. 7-8).

Die bepalingen, die zijn aangenomen zonder andere commentaar, « voeren de maatregelen van het Protocolakkoord uit » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2008-2009, nr. 611/4, p. 4), te dezen het Sectoraal Protocolakkoord van 20 juni 2008 gesloten tussen de Franse Gemeenschapsregering en de representatieve vakorganisaties van de onderwijssector. Die bepalingen zijn derhalve genomen in overeenstemming met de sociale partners van de onderwijssector, en beantwoorden aan de eisen van de actoren van het onderwijs.

B.11.1. Ofschoon de bestreden bepalingen een voorheen bestaand verschil in behandeling verminderen, handhaven zij onder de leden van het onderwijzend personeel, wat de berekening van hun geldelijke anciënniteit betreft, een verschil in behandeling tussen diegenen die na 31 augustus 2008 in dienst zijn getreden of die, hoewel zij reeds eerder in dienst zijn getreden, op die datum de leeftijdsdrempel van hun schaal niet hebben bereikt, die niet aan een leeftijdsdrempel zijn onderworpen, en alle andere leden van het onderwijzend personeel, die aan een leeftijdsdrempel onderworpen blijven.

Dat verschil in behandeling is gegrond op een objectief en relevant criterium, dat verbonden is met de begindatum van een schooljaar. Het is het gevolg van het feit dat de wetgever aan de afschaffing van de leeftijdsgrens geen veralgemeende retroactieve werking heeft verleend, door het voordeel van de afschaffing van de leeftijdsdrempel te beperken tot de personeelsleden die in dienst zijn getreden op de eerste dag van het op het ogenblik dat hij de in het geding zijnde bepalingen heeft aangenomen, lopende schooljaar, of die, hoewel zij vóór die datum in dienst zijn getreden, op die datum de leeftijdsdrempel van hun schaal niet hebben bereikt. De kritiek van de eiseres voor de verwijzende rechter komt erop neer de in het geding zijnde bepalingen te verwijten niet in retroactiviteit te hebben voorzien.

B.11.2. Dat verschil in behandeling is het gevolg van het in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek in herinnering gebrachte principe volgens hetwelk « de wet [...] alleen voor het toekomende [beschikt] ». Zelfs indien de wetgever beslist een ongelijkheid te corrigeren, zou hij slechts met eerbiediging van verworven rechten en bescherming van het gewettigd vertrouwen van de betrokken personen kunnen beslissen die ongelijkheid met terugwerkende kracht op te heffen, zonder dat hem kan worden verweten op wettige wijze rekening te houden met budgettaire of administratieve implicaties die maatregelen met retroactieve draagwijdte zouden kunnen hebben.

B.12. Er dient nog te worden onderzocht of de ontstentenis van terugwerkende kracht van de in het geding zijnde bepalingen kan worden gerechtvaardigd door een legitiem doel, dat met name verbonden is met het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt of een ander vergelijkbaar legitiem doel in de zin van artikel 6 van de richtlijn 2000/78/EG.

B.13.1. Volgens de Franse Gemeenschapsregering wordt de vaststelling van een minimumleeftijd voor de berekening van de geldelijke anciënniteit, die van toepassing is in de verschillende statuten van het openbaar ambt, verantwoord door de dienstplicht en de wil om de vaderlandslievende Belgische jonge mannen niet te discrimineren ten opzichte van de vrouwen of hun vrijgestelde collega's.

B.13.2. De militaire dienst was in België verplicht tot de lichting 1993, en is vervolgens afgeschaft krachtens artikel 1bis van de dienstplichtwetten, gecoördineerd op 30 april 1962, zoals het is ingevoegd bij artikel 1 van de wet van 31 december 1992.

De militaire dienstplicht had tot gevolg de leeftijd uit te stellen waarop de aan die verplichting onderworpen burgers hun intrede op de arbeidsmarkt konden doen.

B.13.3. Het bestaan van de dienstplicht heeft redelijkerwijs kunnen verantwoorden dat een leeftijdsdrempel voor de berekening van de geldelijke anciënniteit werd ingesteld teneinde, wat de toegang tot arbeid betreft, een grotere gelijkheid te verzekeren tussen de personeelsleden die aan die verplichting waren onderworpen en diegenen die dat niet waren of ervan waren vrijgesteld. De zorg om, ten aanzien van de burgerplichten, de gelijkheid in de toegang tot de arbeidsmarkt te waarborgen, vermocht een wettig doel te vormen dat het mogelijk maakte de invoering van een leeftijdsdrempel te verantwoorden toen er enkel voor mannen een verplichte militaire dienst bestond.

Met die maatregel beoogde de wetgever immers een discriminatie te compenseren die indirect op het geslacht was gebaseerd, doordat de militaire dienstplicht niet de vrouwen betrof.

B.13.4. Die maatregel was daarenboven niet onevenredig, aangezien bij een leeftijdsdrempel die zoals te dezen op 22 jaar was vastgelegd, rekening werd gehouden met de normale duur van de studie die toegang geeft tot het betrokken ambt, waarbij een forfaitaire termijn van een jaar kwam, die overeenstemt met de militaire dienst.

De verschillende leeftijdsdrempels, respectievelijk vastgelegd vanaf de leeftijd van 20, 21, 22, 23 of 24 jaar, stelden aldus ten aanzien van alle leerkrachten een fictieve gelijkheid in leeftijd in voor de toegang tot arbeid en de berekening van de geldelijke anciënniteit, die bepaald is op basis van de leeftijd waarop het personeelslid kan worden geacht te beschikken over het voor zijn ambt vereiste diploma. Die leeftijdsdrempel, die gelijkelijk op alle personeelsleden van toepassing was, maakte het mogelijk de personen die hun militaire dienst hebben volbracht niet te discrimineren. Het zou bovendien in de praktijk moeilijk zijn het systeem te moduleren teneinde rekening te houden met de bijzondere situaties waarin het personeelslid op zeer jonge leeftijd zijn ambt bekleedt.

B.13.5. Wanneer de eiseres voor de verwijzende rechter haar loopbaan als lerares in 1982 is begonnen, bestond de verplichte militaire dienst nog steeds voor mannen, zodat die maatregel op dat ogenblik verantwoord was door de zorg om de gelijke toegang tot arbeid te verzekeren.

De handhaving van de gevolgen van de leeftijdsdrempel ten aanzien van de huidige berekening van de geldelijke anciënniteit van de eiseres voor de verwijzende rechter vormt derhalve het gevolg van een maatregel die, zoals hij op de eiseres voor de verwijzende rechter op het ogenblik van haar indiensttreding is toegepast, verantwoord was door de zorg om de gelijkheid in de toegang tot de arbeidsmarkt te verzekeren.

B.14. Onderzocht dient nog te worden of de ontstentenis van terugwerkende kracht van de in het geding zijnde bepalingen, met als gevolg de handhaving van die leeftijdsdrempel ten aanzien van de leerkrachten die vóór 1 september 2008 in dienst zijn getreden en die vóór die datum de drempel van hun schaal hebben bereikt, kan worden gerechtvaardigd door een legitiem doel in de zin van artikel 6 van de richtlijn 2000/78/EG.

B.15.1. Verschillende elementen, alleen of samen, kunnen een legitiem doel in de zin van artikel 6 van de richtlijn 2000/78/EG vormen.

B.15.2. Zoals in B.13 is vermeld, was de in het geding zijnde maatregel, toen de militaire dienstverplichtingen van kracht waren, verantwoord door de zorg om de gelijkheid in de toegang tot de arbeidsmarkt te verzekeren, door een potentiële discriminatie die indirect op geslacht is gebaseerd te compenseren; op dat ogenblik vermocht de toepassing van de in het geding zijnde maatregel bij de aan de militaire dienstplicht onderworpen personen op het ogenblik van de berekening van hun geldelijke anciënniteit de gewettigde verwachting te doen ontstaan dat zij, wegens het vervullen van hun burgerplichten, niet zouden worden gediscrimineerd ten opzichte van de andere personen die sneller hun intrede op de arbeidsmarkt hebben kunnen doen. Dergelijke verwachtingen lijken niet klaarblijkelijk ongewettigd.

De opheffing met terugwerkende kracht van de gevolgen van de leeftijdsdrempel zou, ten aanzien van de personen die hun militaire dienst hebben volbracht, erop neerkomen hen minder gunstig te behandelen dan alle andere personeelsleden.

B.15.3. Bovendien moet worden vastgesteld dat de opheffing met terugwerkende kracht van de gevolgen van de leeftijdsdrempel moeilijk meetbare administratieve moeilijkheden zou veroorzaken, aangezien de geldelijke anciënniteit van alle leerkrachten op wie de leeftijdsdrempel betrekking heeft, opnieuw zou moeten worden berekend, met eventuele retroactieve implicaties voor de rechten van die leerkrachten. De doelstelling van rechtszekerheid en handhaving van de verworven rechten kan eveneens een legitiem doel in de zin van artikel 6 van de richtlijn 2000/78/EG vormen.

B.15.4. De Franse Gemeenschapsregering brengt ook het bestaan naar voor van budgettaire overwegingen die beletten de leeftijdsdrempel met terugwerkende kracht te doen verdwijnen ten aanzien van alle leerkrachten die in dienst zijn.

Op basis van het aantal in dienst zijnde personeelsleden blijkt dat een afschaffing met terugwerkende kracht van de leeftijdsdrempels vanaf 2 december 2006 voor de begroting van de Franse Gemeenschap een kost van meer dan 151 miljoen euro zou veroorzaken. Die schatting van de budgettaire weerslag van een maatregel met beperkte terugwerkende kracht doet, indien de leeftijdsgrenzen met terugwerkende kracht zouden worden opgeheven vanaf de afschaffing van de verplichte militaire dienst, financiële moeilijkheden van een dergelijke omvang vermoeden dat zij niet alleen de hele onderwijssector, maar ook andere beleidsdomeinen die onder de bevoegdheden van de Franse Gemeenschap vallen, dreigen in het gedrang te brengen.

De zorg van de decreetgever om de begroting van het onderwijs, waarvan de financiering voor de samenleving van fundamenteel belang wordt geacht, niet in te krimpen, is een legitieme beleidskeuze.

B.15.5. Tot slot dient in herinnering te worden gebracht dat de maatregel in overeenstemming met de representatieve vakorganisaties van de onderwijssector is genomen.

B.16. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De artikelen 28 en 29 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 12 december 2008 « houdende verscheidene maatregelen betreffende de radio-omroep, de oprichting van een begrotingsfonds voor de financiering van programma's voor het opsporen van kankers, de onderwijsinrichtingen, de internaten, de psycho-medisch-sociale centra en de schoolgebouwen » schenden niet de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet, in samenhang gelezen met de richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep, ten aanzien van de in B.4.2 beschreven situatie.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 16 juli 2015.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

J. Spreutels