Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 17 juli 2014 (België)

Publicatie datum :
17-07-2014
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
4 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20140717-13
Rolnummer :
118/2014

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : Artikel 25, § 1, van de wet van 1 juli 2006 tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de daarin vermelde vervaltermijn voor de persoon die de afstamming opeist, kan aanvangen vooraleer hij kennis heeft kunnen nemen van het feit dat de betwiste erkenning heeft plaatsgevonden.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 10 april 2014 in zake J.B. tegen J. V.D., D.O. en Mr. E. De Winter, in haar hoedanigheid van voogd ad hoc over T.O., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 22 april 2014, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 25 § 1 van de wet van 1 juli 2006 tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot de vaststelling van de afstamming en de gevolgen ervan (B.S. 29 december 2006) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat :

- het een ongelijkheid in het leven roept tussen de betwisting van de vaderlijke erkenning door de man die het vaderschap van het kind opeist en die onverwijld kennis heeft genomen van de erkenning van het kind door een andere man en de betwisting van de erkenning door de man die het vaderschap van het kind opeist en die pas later kennis heeft kunnen nemen van de erkenning van het kind door een andere man en zich op dat ogenblik in voorkomend geval reeds buiten de vervaltermijn van één jaar na de inwerkingtreding van de nieuwe wet bevond;

- het een ongelijkheid in het leven roept tussen de betwisting van de vaderlijke erkenning door de man die het vaderschap opeist van een kind geboren onder de oude afstammingswet en wiens vorderingsrecht beperkt is tot één jaar na de inwerkingtreding van die wet, ongeacht het tijdstip van de kennisname van de erkenning van het kind door een andere man, en de betwisting van de vaderlijke erkenning door de man die het vaderschap opeist van een kind geboren onder de nieuwe wet voor wie de termijn - gelet op het op dit punt ongrondwettelijk bevonden artikel 330 § 1 lid 4 B.W. - slechts kan aanvangen vanaf het tijdstip dat hij heeft kennis kunnen nemen van het feit dat de betwiste erkenning heeft plaatsgevonden ? ».

Op 8 mei 2014 hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Snappe, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging.

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 25, § 1, van de wet van 1 juli 2006 tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan bepaalt :

« In afwijking van artikel 330, § 1, vierde lid, zoals gewijzigd bij deze wet, en van artikel 318, § 1, tweede lid, zoals ingevoegd bij deze wet, kunnen de erkenning en het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot worden betwist door de persoon die het moederschap of vaderschap van het kind opeist gedurende een termijn van één jaar vanaf de inwerkingtreding van deze wet, zelfs indien er meer dan een jaar verstreken zou zijn sedert de geboorte of het ontdekken van de geboorte van het kind ».

B.2. De Ministerraad voert in essentie aan dat niet de voormelde overgangsbepaling van toepassing is op de feiten van het geding, maar wel artikel 330, § 1, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Het staat echter niet aan de Ministerraad noch, in de regel, aan het Hof te bepalen welke normen van toepassing zijn op het geschil voor de verwijzende rechter. Enkel bij een kennelijke vergissing dienaangaande kan het Hof beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft.

Rekening houdend met de bewoordingen van artikel 25, § 1, van de wet van 1 juli 2006, vermocht de verwijzende rechter redelijkerwijze te oordelen dat de daarin vervatte overgangsregeling op de feiten van het geding moet worden toegepast.

B.3. Het eerste onderdeel van de prejudiciële vraag heeft betrekking op het vertrekpunt van de vervaltermijn van één jaar voor de betwisting van een vaderlijke erkenning, in zoverre dat vertrekpunt een verschil in behandeling in het leven roept tussen, enerzijds, de man die het vaderschap van een kind opeist en die onverwijld kennis heeft genomen van de erkenning van het kind door een andere man en, anderzijds, de man die het vaderschap van een kind opeist en die pas later kennis heeft kunnen nemen van de erkenning van het kind door een andere man.

B.4. Bij zijn arrest nr. 165/2013 van 5 december 2013 heeft het Hof reeds geantwoord op een soortgelijke vraag over artikel 330, § 1, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt :

« De vordering van de vader, de moeder of de persoon die het kind erkend heeft, moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de persoon die het kind erkend heeft, niet de vader of de moeder is; die van de persoon die de afstamming opeist moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij of zij de vader of de moeder van het kind is; die van het kind moet op zijn vroegst worden ingesteld op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en moet uiterlijk worden ingesteld op de dag waarop het de leeftijd van tweeëntwintig jaar heeft bereikt of binnen een jaar na het ontdekken van het feit dat de persoon die het erkend heeft noch zijn vader, noch zijn moeder is ».

B.5. Hoewel de thans in het geding zijnde overgangsbepaling een afwijking invoert van artikel 330, § 1, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek, hebben beide bepalingen tot gevolg dat de daarin bepaalde vervaltermijn voor de persoon die de afstamming opeist, kan aanvangen vooraleer hij kennis heeft kunnen nemen van het feit dat de betwiste erkenning heeft plaatsgevonden.

B.6. Bij zijn arrest nr. 165/2013 heeft het Hof geoordeeld :

« B.15. Bij zijn arrest nr. 54/2011 van 6 april 2011 heeft het Hof reeds geoordeeld dat artikel 330, § 1, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, ' in zoverre de daarin bepaalde vervaltermijn voor de persoon die de afstamming opeist, kan aanvangen vooraleer de betwiste erkenning plaatsvindt '.

Volgens dat arrest ' mag, voor de persoon die de afstamming opeist, de termijn om een leugenachtige erkenning te betwisten pas ingaan wanneer hij heeft ontdekt dat hij de vader is van het kind en pas nadat die leugenachtige erkenning heeft plaatsgevonden '.

B.16.1. Indien de biologische vader pas meer dan een jaar na de erkenning door een derde kennis heeft kunnen nemen van die erkenning, beschikt hij over geen enkel rechtsmiddel om de erkenning te betwisten, ongeacht het bezit van staat te zijnen aanzien en ongeacht het belang van het kind.

B.16.2. Indien de termijn waarover de persoon die de afstamming opeist, beschikt om een erkenning te betwisten, zou aanvangen op het moment van de opmaak van de erkenningsakte, ongeacht het tijdstip waarop de persoon die de afstamming opeist, kennis heeft genomen van de erkenning, kan hij in voorkomend geval worden geconfronteerd met een termijn waaraan hij onmogelijk kan voldoen.

B.17. Het recht op toegang tot de rechter zou worden geschonden indien aan een procespartij een excessief formalisme wordt opgelegd in de vorm van een termijn waarvan de haalbaarheid afhankelijk is van omstandigheden buiten zijn wil (EHRM, 22 juli 2010, Melis t. Griekenland, § § 27 en 28). Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft overigens benadrukt dat het Verdrag tot doel heeft rechten te waarborgen die niet theoretisch of illusoir zijn, maar praktisch en effectief (EHRM, 9 oktober 1979, Airey t. Ierland, § 24; 6 juli 2010, Backlund t. Finland, § 55; 15 januari 2013, Laakso t. Finland, § 53; 29 januari 2013, Röman t. Finland, § 58).

B.18. Ook het belang van het kind kan niet verantwoorden dat in alle gevallen de erkenning door de biologische vader kan worden verhinderd door het verlopen van een vervaltermijn zonder dat de persoon die de afstamming opeist, kennis heeft kunnen nemen van het feit dat die termijn was ingegaan.

B.19. Omdat de in het geding zijnde bepaling toelaat dat de termijn opgelegd aan de persoon die de afstamming opeist, aanvangt vooraleer hij kennis heeft kunnen nemen van het feit dat een erkenning heeft plaatsgevonden, is zij niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ».

B.7. De thans in het geding zijnde bepaling is om dezelfde redenen niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de daarin bepaalde vervaltermijn voor de persoon die de afstamming opeist, kan aanvangen vooraleer hij kennis heeft kunnen nemen van het feit dat de betwiste erkenning heeft plaatsgevonden, zodat het eerste onderdeel van de prejudiciële vraag om die reden bevestigend moet worden beantwoord.

B.8. Rekening houdend met het bevestigende antwoord op het eerste onderdeel van de prejudiciële vraag, dient het tweede onderdeel van de prejudiciële vraag niet te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 25, § 1, van de wet van 1 juli 2006 tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de daarin vermelde vervaltermijn voor de persoon die de afstamming opeist, kan aanvangen vooraleer hij kennis heeft kunnen nemen van het feit dat de betwiste erkenning heeft plaatsgevonden.

Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 17 juli 2014.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

A. Alen