Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 2 juli 2015 (België)

Publicatie datum :
02-07-2015
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
10 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20150702-2
Rolnummer :
100/2015

Samenvatting

Het Hof verwerpt de beroepen.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, F. Daoût en T. Giet, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging

a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 3 juli 2014 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 7 juli 2014, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 1 van het decreet van het Waalse Gewest van 20 februari 2014 houdende wijziging van het decreet van 12 februari 2004 tot organisatie van de Waalse provincies (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 maart 2014) door de provincie Waals-Brabant, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Bourtembourg, advocaat bij de balie te Brussel.

b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 11 september 2014 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 12 september 2014, is beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde decreetsbepaling door de provincie Namen, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Bourtembourg, advocaat bij de balie te Brussel.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5954 en 6032 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

II. In rechte

(...)

B.1.1. Artikel 1 van het decreet van het Waalse Gewest van 20 februari 2014 « houdende wijziging van het decreet van 12 februari 2004 tot organisatie van de Waalse provincies » bepaalt :

« In Titel XIII van het decreet van 12 februari 2004 tot organisatie van de Waalse provincies, wordt een artikel 128/1 ingevoegd, luidend als volgt :

' Art. 128/1. Onverminderd de wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen waarbij bevoegdheden uitdrukkelijk aan de provincies worden overgedragen, mogen de provincieraden en -colleges, krachtens het provinciaal belang, niet beraadslagen en besluiten over de aangelegenheden bedoeld in artikel 6, § 1, IV, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

In afwijking van het eerste lid kunnen de provincies bevoegdheden uitoefenen in de aangelegenheden bedoeld bij artikel 6, § 1, IV, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, voor zover het enkel gaat om de [herneming] van maatregelen of de voortzetting van de toepassing van vroeger genomen maatregelen met betrekking tot deze aangelegenheden. Dit lid houdt op gevolg te hebben op 1 januari 2015.

Elke beslissing genomen in uitvoering van een beraadslaging van het provinciecollege of van de provincieraad en waarbij een financiële tegemoetkoming vóór 1 januari 2015 wordt verleend aan een natuurlijke of een rechtspersoon die over meerdere jaren wordt verspreid, blijft uitwerking hebben na 1 januari 2015 volgens de regels van kracht op het ogenblik van de beslissing tot toekenning. ' ».

B.1.2. Die bepaling werd op algemene wijze verantwoord als volgt :

« Sedert 2001 is de wetgeving die de provinciale instelling regelt, in essentie geregionaliseerd. Het Waalse Gewest regelt sindsdien de organisatie, het bestuur en de financiën van de Provincie. Die wetgeving werd vastgelegd in het decreet van 31 januari 2004 [lees : 12 februari 2004] tot organisatie van de Waalse provincies, waarvan nagenoeg alle bepalingen sindsdien werden gecodificeerd en thans in Boek II van het tweede deel van het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie worden teruggevonden. In het kader van zijn bevoegdheden beschikt het Waalse Gewest dus over tal van hefbomen die het mogelijk maken dat bevoegdheidsniveau te ondersteunen.

In de Regionale Beleidsverklaring wordt op de pagina's 255 en 256 ervan een hervorming van de provinciale instelling uitgestippeld. Een niet-verwaarloosbaar deel van die hervorming bestaat uit een ' herschikking van de provinciale bevoegdheden die wordt geleid door de beginselen van samenhang, van subsidiariteit en van doeltreffendheid ', waarbij de Regering het idee steunt dat ' de Provincies hun optreden moeten richten op de domeinen waar een optreden op bovengemeentelijke schaal een meerwaarde biedt '. Dat beginsel heeft tot gevolg dat ' de provinciale bevoegdheden waarbij de Gemeenschappen, het Gewest of de gemeenten doeltreffender kunnen optreden, door de provincies worden opgegeven en aan die Gemeenschappen, dat Gewest of die gemeenten worden toevertrouwd '. In de Verklaring worden huisvesting en energie als twee van die op te geven bevoegdheden geïdentificeerd.

Een grondig onderzoek van de initiatieven die in naam van het provinciaal belang, zoals gedefinieerd in de artikelen 41 en 162 van de Grondwet, door de Provincies zijn genomen, bevestigt de analyse van de partners van de Waalse politieke meerderheid. Het blijkt duidelijk dat, inzake huisvesting of energie, het grootste deel van het beleid dat door de Provincies ten uitvoer is gelegd, het door het Gewest voorgestelde beleid aanvult : zulks is het geval voor de maatregelen inzake huisvestings- en energiepremies, de ondersteuning van de agentschappen voor sociale huisvesting via subsidies en financiële steun met betrekking tot de oprichting of renovatie van sociale woningen. Die bevoegdheden hebben trouwens geen substantieel karakter voor de provincies. In die situatie worden de mogelijke begunstigden van die beleidslijnen geconfronteerd met veelvoudige gesprekspartners, hetgeen de toegang van eenieder tot de voordelen van het overheidsoptreden ter zake niet vergemakkelijkt. Bovendien geeft die verveelvoudiging aanleiding tot kosten.

De motivering voor de overdracht van de provinciale bevoegdheden in die sector naar het meest geschikte bevoegdheidsniveau of de meest geschikte bevoegdheidsniveaus bestaat erin dat zij het beleid dat er wordt gevoerd, meer samenhang zal kunnen geven. De premiemaatregelen, bijvoorbeeld, zullen daarbij beter leesbaar worden voor de burger.

Teneinde een betere uitoefening van de bevoegdheden inzake huisvesting en energie en de verwezenlijking van schaalvoordelen te waarborgen, bevat het onderhavige ontwerp van decreet de bepalingen die noodzakelijk zijn om het beleid dat in die aangelegenheden krachtens het provinciaal belang door de Provincies is gevoerd, te laten varen. Het wordt ingevoegd in titel XIII van het decreet van 12 februari 2004 tot organisatie van de Waalse provincies die aan bijzondere bepalingen is gewijd.

Het ontwerp van decreet strekt ertoe :

- vanaf de bekendmaking van het decreet, de provincies te verhinderen nieuwe initiatieven inzake huisvesting en energie op grond van het provinciaal belang te nemen door hun eveneens de mogelijkheid te bieden de vroeger genomen maatregelen te hernemen, en zulks tot 1 januari 2015;

- op 1 januari 2015 een einde te maken aan elk beleid dat op het provinciaal belang is gebaseerd en dat inzake huisvesting en energie is gevoerd.

Het differentiëren tussen de twee fases van inwerkingtreding vloeit voort uit de wil om aan de provincies een termijn te verlenen teneinde hun huidige huisvestings- en energiebeleid te beëindigen.

Dit ontwerp van decreet stelt evenwel niet de opdrachten ter discussie die uitdrukkelijk aan de provincies zijn toevertrouwd bij andere wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen, waaronder met name het Waalse Wetboek van de Huisvesting en het Duurzame Wonen, het decreet van 12 april 2001 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt en het decreet van 12 [lees : 19] december 2002 betreffende de organisatie van de gewestelijke gasmarkt. In het decreet wordt evenwel gepreciseerd dat die argumentatie geen betrekking heeft op het bezit, door de Provincies, van aandelen in de distributienetbeheerders en dat het dus van de overdracht wordt uitgesloten. Er dient daarenboven te worden gepreciseerd dat de autonome provinciebedrijven niet worden beoogd in de onderhavige hervorming, aangezien de autonome bedrijven in het Waalse Wetboek van de Huisvesting en het Duurzame Wonen als vastgoedbeheerders worden erkend (artikel 1, 23°) » (Parl. St., Waals Parlement, 2013-2014, nr. 944/1, p. 2).

Tijdens de commissiebesprekingen werd door de bevoegde minister eveneens beklemtoond :

« De overdracht van de provinciale bevoegdheden in die sector naar het meest geschikte bevoegdheidsniveau zal meer samenhang kunnen geven aan het beleid dat er wordt gevoerd. De premiemaatregelen zullen daarbij transparanter worden voor de burger. Bovendien zou de overheid haar deelnemingen in huisvestingsmaatschappijen en/of haar respectieve bijdragen in de subsidiëring van de agentschappen voor sociale huisvesting kunnen rationaliseren. Die hulpmiddelen zullen een meer geïntegreerd, en dus doeltreffender beheer van die aspecten door de overheid mogelijk maken, hetgeen aldus past in het perspectief van een gerationaliseerd en rationeel beheer van het instrumentarium van het Waalse overheidsoptreden » (Parl. St., Waals Parlement, 2013-2014, nr. 944/2, p. 3).

B.2. De provincie Waals-Brabant betwist de ontvankelijkheid van de tussenkomst van het Waalse Gewest.

Aangezien de argumenten die door het Waalse Gewest ter ondersteuning van de verdediging van de bestreden norm zijn aangevoerd, identiek zijn aan die welke door de Waalse Regering zijn uiteengezet in haar proceduregeschriften, waarvan de ontvankelijkheid niet wordt betwist, is het niet noodzakelijk zich uit te spreken over de ontvankelijkheid van de tussenkomst van het Waalse Gewest.

B.3.1. De verzoekende partijen voeren een eerste middel aan dat is afgeleid uit de schending, door de bestreden bepaling, van de artikelen 41 en 162, tweede lid, 2°, van de Grondwet en van artikel 6, § 1, VIII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Zij verwijten de decreetgever dat hij de provinciale bevoegdheden op onevenredige wijze heeft beperkt.

B.3.2. Zoals zij van toepassing zijn sedert 31 januari 2014, datum van inwerkingtreding van de grondwetsherziening van 6 januari 2014, bepalen de artikelen 41 en 162 van de Grondwet :

« Art. 41. De uitsluitend gemeentelijke of provinciale belangen worden door de gemeenteraden of de provincieraden geregeld volgens de beginselen bij de Grondwet vastgesteld. Ter uitvoering van een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bedoelde meerderheid, kan de in artikel 134 bedoelde regel echter de provinciale instellingen afschaffen. In dit geval kan de in artikel 134 bedoelde regel ze vervangen door bovengemeentelijke besturen waarvan de raden de uitsluitend bovengemeentelijke belangen regelen volgens de beginselen bij de Grondwet vastgesteld. De in artikel 134 bedoelde regel moet worden aangenomen met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van het betrokken Parlement aanwezig is.

De in artikel 134 bedoelde regel stelt de bevoegdheden, de werkingsregels en de wijze van verkiezing vast van de binnengemeentelijke territoriale organen die aangelegenheden van gemeentelijk belang kunnen regelen.

Die binnengemeentelijke territoriale organen worden opgericht in gemeenten met meer dan 100 000 inwoners op initiatief van hun gemeenteraad. Hun leden worden rechtstreeks verkozen. Ter uitvoering van een wet, aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid, regelt het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel de overige voorwaarden waaronder en de wijze waarop dergelijke binnengemeentelijke territoriale organen kunnen worden opgericht.

Dat decreet en die in artikel 134 bedoelde regel moeten worden aangenomen met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van het betrokken Parlement aanwezig is.

Over de aangelegenheden van gemeentelijk, bovengemeentelijk of provinciaal belang kan in de betrokken gemeente, het betrokken bovengemeentelijk bestuur of de betrokken provincie een volksraadpleging worden gehouden. De in artikel 134 bedoelde regel regelt de nadere uitwerking en de organisatie van de volksraadpleging ».

« Art. 162. De provinciale en gemeentelijke instellingen worden bij de wet geregeld.

De wet verzekert de toepassing van de volgende beginselen :

1° de rechtstreekse verkiezing van de leden van de provincieraden en de gemeenteraden;

2° de bevoegdheid van de provincieraden en van de gemeenteraden voor alles wat van provinciaal en van gemeentelijk belang is, behoudens goedkeuring van hun handelingen in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald;

3° de decentralisatie van bevoegdheden naar de provinciale en gemeentelijke instellingen;

4° de openbaarheid van de vergaderingen der provincieraden en gemeenteraden binnen de bij de wet gestelde grenzen;

5° de openbaarheid van de begrotingen en van de rekeningen;

6° het optreden van de toezichthoudende overheid of van de federale wetgevende macht om te beletten dat de wet wordt geschonden of het algemeen belang geschaad.

De bovengemeentelijke besturen worden geregeld bij de in artikel 134 bedoelde regel. Die regel verzekert de toepassing van de in het tweede lid bedoelde beginselen. De in artikel 134 bedoelde regel kan andere beginselen die hij essentieel acht vaststellen, al dan niet via een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van het betrokken Parlement aanwezig is. De artikelen 159 en 190 zijn van toepassing op besluiten en verordeningen van de bovengemeentelijke besturen.

Ter uitvoering van een wet, aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid, regelt het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel de voorwaarden waaronder en de wijze waarop verscheidene provincies, verscheidene bovengemeentelijke besturen of verscheidene gemeenten zich met elkaar kunnen verstaan of zich kunnen verenigen. Evenwel kan aan verscheidene provincieraden, aan verscheidene raden van bovengemeentelijke besturen of aan verscheidene gemeenteraden niet worden toegestaan samen te beraadslagen ».

B.3.3. Zoals het op het ogenblik van het aannemen van het bestreden decreet van toepassing was, bepaalde artikel 6, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen :

« De aangelegenheden bedoeld in artikel 107quater [thans artikel 39] van de Grondwet zijn :

[...]

VIII. Wat de ondergeschikte besturen betreft :

1° de samenstelling, organisatie, bevoegdheid en werking van de provinciale en gemeentelijke instellingen, met uitzondering van :

- de regelingen die krachtens de wet van 9 augustus 1988 tot wijziging van de gemeentewet, de nieuwe gemeentewet, de gemeentekieswet, de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de provinciewet, het Kieswetboek, de wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en de wet tot regeling van de gelijktijdige parlements- en provincieraadsverkiezingen, zoals gewijzigd door de bijzondere wet van 19 juli 2012 opgenomen zijn in de gemeentewet, de nieuwe gemeentewet, de gemeentekieswet, de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de provinciewet, het Kieswetboek, de wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en de wet tot regeling van de gelijktijdige parlements- en provincieraadsverkiezingen;

- de regelingen die opgenomen zijn in de artikelen 5, 5bis, 70, 3° en 8°, 126, tweede en derde lid, en titel XI van de provinciewet;

- de regelingen die opgenomen zijn in de artikelen 125, 126, 127 en 132 van de nieuwe gemeentewet, voor zover zij de registers van de burgerlijke stand betreffen;

- de organisatie van en het beleid inzake de politie, met inbegrip van artikel 135, § 2, van de nieuwe gemeentewet, en de brandweer;

- de pensioenstelsels van het personeel en de mandatarissen.

De gewesten oefenen deze bevoegdheid uit, onverminderd de artikelen 279 en 280 van de nieuwe gemeentewet.

De gemeenteraden of de provincieraden regelen alles wat van gemeentelijk of provinciaal belang is; zij beraadslagen en besluiten over elk onderwerp dat hen door de federale overheid of door de gemeenschappen is voorgelegd.

[...] ».

Het is pas krachtens artikel 20 van de bijzondere wet van 6 januari 2014 « met betrekking tot de Zesde Staatshervorming », die op 1 juli 2014 in werking is getreden, namelijk na de aanneming van het bestreden decreet, dat artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 voortaan de bepalingen bevat die luiden :

« De gemeenteraden en, in de mate dat deze bestaan, de provincieraden of de raden van bovengemeentelijke besturen, regelen respectievelijk alles wat van gemeentelijk, provinciaal of bovengemeentelijk belang is; zij beraadslagen en besluiten over elk onderwerp dat hen door de federale overheid of door de gemeenschappen is voorgelegd.

[...]

Wanneer de provinciale instellingen worden afgeschaft, gebeurt dit zonder afbreuk te doen aan de functie van de provinciegouverneurs. Als een gewest de provinciale instellingen afschaft, heeft de gouverneur, binnen zijn ambtsgebied, de hoedanigheid van commissaris van de regering van de Staat, de gemeenschap of het gewest ».

B.3.4. De aan de decreetgever verleende machtiging om de provincies af te schaffen, die volgt uit de gecombineerde lezing van artikel 41 van de Grondwet en artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, was bijgevolg op het ogenblik waarop het bestreden decreet is aangenomen nog niet in werking getreden. Bovendien vereist de afschaffing van het provinciale niveau dat een versterkte meerderheid wordt verkregen.

In elk geval, zolang de decreetgever die mogelijkheid niet uitoefent, met inachtneming van de voorwaarden die hem door de Grondwet zijn opgelegd, blijft hij verplicht ten voordele van de provinciale overheden het beginsel van de lokale autonomie, zoals vastgelegd in de artikelen 41 en 162, tweede lid, 2°, van de Grondwet en in artikel 6, § 1, VIII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, in acht te nemen.

B.4. Het beginsel van de lokale autonomie veronderstelt dat de lokale overheden zich elke aangelegenheid kunnen toe-eigenen waarvan zij menen dat het tot hun belang behoort en ze kunnen regelen zoals zij dat opportuun achten. Dat beginsel doet echter geen afbreuk aan de verplichting van de provincies om, wanneer zij optreden op grond van het provinciaal belang, de hiërarchie der normen in acht te nemen. Daaruit vloeit voort dat wanneer de federale Staat, een gemeenschap of een gewest een aangelegenheid regelen die onder hun bevoegdheid valt, de provincies aan die reglementering zijn onderworpen bij de uitoefening van hun bevoegdheid in diezelfde aangelegenheid. Wanneer het Waalse Gewest te dezen optreedt in de aangelegenheid van de huisvesting, beperkt het daardoor de autonomie van de provincies, die zich enkel op dat domein bevoegd kunnen verklaren met inachtneming en ter aanvulling van de gewestelijke wetgeving.

Het beginsel van de lokale autonomie doet evenmin afbreuk aan de bevoegdheid van de federale Staat, de gemeenschappen of de gewesten om te oordelen welk het meest geschikte niveau is om een aangelegenheid te regelen die hun toekomt. Aldus kunnen die overheden aan de lokale besturen de reglementering toevertrouwen van een aangelegenheid die beter op dat niveau kan worden geregeld. Zij kunnen tevens oordelen dat een aangelegenheid, daarentegen, beter zal worden geregeld op een meer algemeen bestuursniveau, met name op een eenvormige manier voor het gehele grondgebied waarvoor zij bevoegd zijn, en bijgevolg de lokale overheden verbieden zich die aangelegenheid toe te eigenen. Dat is wat de decreetgever te dezen doet, die a contrario een definitie geeft van het provinciaal belang door in beginsel van de inhoud daarvan de in artikel 6, § 1, IV, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bedoelde aangelegenheden uit te sluiten. De inbreuk op de bevoegdheid van de provincies en bijgevolg op het beginsel van de lokale autonomie die elk optreden, hetzij positief, hetzij negatief, van de federale Staat, de gemeenschappen of de gewesten inhoudt in een aangelegenheid die tot hun bevoegdheid behoort, zou enkel strijdig zijn met de in het middel vermelde bepalingen waarbij de bevoegdheid van de provincies wordt gewaarborgd voor alles wat van provinciaal belang is, wanneer ze kennelijk onevenredig is. Zulks zou bijvoorbeeld het geval zijn indien ze ertoe zou leiden dat aan de provincies het geheel of de essentie van hun bevoegdheden wordt ontzegd, of indien de beperking van de bevoegdheid niet zou kunnen worden verantwoord door het feit dat die beter zou worden uitgeoefend op een ander bevoegdheidsniveau.

B.5.1. Te dezen kan de aangelegenheid van de huisvesting niet worden geacht uitsluitend onder het provinciaal belang te vallen en heeft zij nooit de essentie gevormd van de bevoegdheden die op grond van de provinciale autonomie aan de provincies worden toebedeeld. Het vastleggen van een bepaalde aangelegenheid als een van de prioritaire krachtlijnen van het beleid dat door het geheel of een aantal van de huidige provinciale overheden is ontwikkeld, zoals dat het geval is voor het huisvestingsbeleid, volstaat op zich niet opdat de bevoegdheid in die aangelegenheid een essentieel element wordt van de bevoegdheden die krachtens de in het middel aangevoerde bepalingen aan de provincies zijn toegewezen.

B.5.2. Daarenboven vermocht de decreetgever redelijkerwijs te oordelen dat het huisvestingsbeleid beter zou worden geregeld op een meer algemeen bestuursniveau dan het provinciale niveau. Zoals in de in B.1.2 vermelde parlementaire voorbereiding is vermeld, is het op provinciaal niveau ter zake ontwikkelde beleid immers grotendeels een aanvulling op dat wat op gewestelijk niveau in werking is gesteld. De provincies treden inzake huisvesting voornamelijk op via, enerzijds, financiële stimulansen bestemd voor particulieren en, anderzijds, financiële steun aan instellingen wier opdracht erin bestaat de toegang tot de huisvesting van particulieren (via subsidies of deelnemingen in het kapitaal) te bevorderen. Die twee soorten van optreden maken eveneens deel uit van het huisvestingsbeleid van het Waalse Gewest.

De decreetgever heeft redelijkerwijs kunnen oordelen dat het intact houden van de principiële bevoegdheid van de provincies inzake huisvesting leidde tot een toename en tot een steeds ingewikkelder karakter van de te volgen stappen voor de particulier die overheidssteun bij huisvesting op het grondgebied van het Waalse Gewest wenst te genieten en dat de afschaffing ervan het mogelijk zou maken schaalvoordelen te boeken.

B.5.3. De afbreuk die bij de bestreden bepalingen aan het beginsel van de lokale autonomie wordt gedaan, kan bijgevolg niet als kennelijk onevenredig worden beschouwd. Zulks is des te minder het geval daar de provincies nog over bepaalde bevoegdheden inzake huisvesting beschikken, aangezien de bestreden bepaling met name hun mogelijkheid om ter zake op te treden handhaaft voor zover een wettelijke, decretale of reglementaire bepaling hun een dergelijke bevoegdheid « uitdrukkelijk » toekent. In het bijzonder wordt het bestaan van de autonome provinciebedrijven die actief zijn op het gebied van de huisvesting, niet op de helling gezet.

B.6. Het eerste middel is niet gegrond.

B.7.1. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10, 11, 41 en 162, tweede lid, 2°, van de Grondwet en van artikel 6, § 1, VIII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Zij verwijten de decreetgever dat hij aan alle Waalse provincies hun bevoegdheid inzake huisvesting ontzegt terwijl de provincies Waals-Brabant en Namen zich niet in een situatie zouden bevinden die vergelijkbaar is met die van de drie andere Waalse provincies.

De verzoekende partijen voeren bijgevolg aan dat de bij de bestreden bepaling ingevoerde gelijke behandeling tussen de provincies het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schendt. De artikelen 41 en 162, tweede lid, 2°, van de Grondwet zijn, net zoals artikel 6, § 1, VIII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, vreemd aan een dergelijk beginsel, zodat het middel, in zoverre die bepalingen erin worden beoogd, onontvankelijk is. Bij de beoordeling van de bekritiseerde gelijke behandeling houdt het Hof evenwel rekening met het beginsel van de lokale autonomie dat door de voormelde bepalingen wordt gewaarborgd.

B.7.2. Het Hof kan een gelijke behandeling slechts afkeuren wanneer twee categorieën van personen die zich in situaties bevinden die, ten aanzien van de in het geding zijnde maatregel, wezenlijk verschillend zijn, op gelijke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat.

B.7.3. Zulks is te dezen niet het geval.

Het is immers niet onredelijk, na te hebben vastgesteld dat het grootste deel van het beleid dat op globale wijze op provinciaal niveau ten uitvoer is gelegd, een aanvulling vormde op het door het Waalse Gewest in werking gestelde beleid, de vijf provincies van het Waalse Gewest te verhinderen de bevoegdheid die voor hen uit het beginsel van de lokale autonomie inzake huisvesting voortvloeit, nog in alle volheid ervan te kunnen uitoefenen, teneinde schaalvoordelen te genieten en de transparantie van het huisvestingsbeleid te verhogen.

Het is juist, zoals de verzoekende partijen opmerken, dat het bestaan van territoriale verschillen de inwerkingstelling van een gedifferentieerd beleid kan vereisen. Nochtans heeft de bestreden bepaling alleen tot gevolg dat de bevoegdheid van de provincies, op grond van het provinciaal belang, inzake huisvesting, wordt opgeheven, waarbij die bevoegdheid voortaan op gewestelijk niveau zal worden uitgeoefend.

Bij de uitoefening van hun bevoegdheid inzake huisvesting dienen de gewestelijke overheden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in acht te nemen.

Daarenboven belet de bestreden bepaling de gewestelijke overheden geenszins om bepaalde bevoegdheden inzake huisvesting over te dragen aan de provincies opdat die, in voorkomend geval, het op gewestelijk niveau gevoerde beleid kunnen verfijnen, rekening houdend met hun lokale specificiteiten.

B.8. Het tweede middel is niet gegrond.

B.9. De verzoekende partijen leiden een derde middel af uit de schending van de artikelen 10, 11, 41 en 162, tweede lid, 2°, van de Grondwet, alsook van artikel 6, § 1, VIII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Zij verwijten de decreetgever dat hij de provincies verschillend heeft behandeld, wat betreft hun bevoegdheden inzake huisvesting, door de provinciale bevoegdheid ten aanzien van de provinciale vastgoedbedrijven te hebben behouden en daarbij tevens de provinciale deelnemingen in de « Société wallonne du logement » (Waalse Huisvestingsmaatschappij) of in de openbare huisvestingsmaatschappijen en de provinciale financiering van de agentschappen voor sociale huisvesting te hebben verboden.

De verzoekende partijen voeren dan ook aan dat het bij de bestreden bepaling ingevoerde verschil in behandeling het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schendt.

B.10.1. Artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereist onder meer dat het verzoekschrift met betrekking tot een beroep tot vernietiging voor elk middel uiteenzet in welk opzicht de regels waarvan de schending voor het Hof wordt aangevoerd, door de bestreden wetsbepaling zouden zijn geschonden.

Wanneer het middel is afgeleid uit de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie dat door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wordt gewaarborgd, dient het te preciseren van welke categorie van personen de situatie moet worden vergeleken met de situatie van de categorie van personen ten aanzien van wie een discriminatie wordt aangevoerd. Het middel moet eveneens preciseren in welk opzicht de bestreden bepaling leidt tot een verschil in behandeling dat discriminerend zou zijn.

B.10.2. Te dezen laten de verzoekende partijen evenwel na in hun beroep tot vernietiging te bepalen met welke andere categorie van personen zij de Waalse provincies vergelijken die alle op identieke wijze aan de bestreden regelgeving worden onderworpen.

B.10.3. Het derde middel is onontvankelijk.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt de beroepen.

Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 2 juli 2015.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

J. Spreutels