Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 22 april 2010 (België)

Publicatie datum :
22-04-2010
Taal :
Duits Frans Nederlands
Grootte :
7 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20100422-8
Rolnummer :
40/2010

Samenvatting

Het Hof verwerpt de vordering tot schorsing.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter P. Martens, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 28 januari 2010 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 29 januari 2010, is een vordering tot schorsing ingesteld van de wet van 22 december 2009 betreffende een algemene regeling voor rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming van werknemers tegen tabaksrook (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 december 2009) door de bvba « ADS », met maatschappelijke zetel te 2820 Bonheiden, Korte Veldstraat 19A, de bvba « Interfoods », met maatschappelijke zetel te 8940 Wervik, Kruisekestraat 52, en de bvba « Dany Croc Club Sandwich », met maatschappelijke zetel te 4000 Luik, rue Léon Troclet 8.

Bij hetzelfde verzoekschrift vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van dezelfde wet.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden bepalingen

B.1.1. De verzoekende partijen vorderen de schorsing van de wet van 22 december 2009 betreffende een algemene regeling voor rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming van werknemers tegen tabaksrook, zoals gewijzigd bij de wet van 22 december 2009 « tot wijziging van de wet van 22 december 2009 betreffende een algemene regeling van rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming voor werknemers tegen tabaksrook ».

B.1.2. Artikel 2 van de bestreden wet bepaalt :

« Voor de toepassing van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan wordt verstaan onder :

[...]

2° gesloten plaats : plaats door wanden afgesloten van de omgeving en voorzien van een plafond of zoldering;

3° plaats toegankelijk voor het publiek :

a) plaats waarvan de toegang niet beperkt is tot de gezinssfeer;

b) onder meer inrichtingen of gebouwen van volgende aard :

[...]

v. plaatsen waar al dan niet tegen betaling aan het publiek diensten worden verstrekt, met inbegrip van plaatsen waar voedingsmiddelen en/of dranken ter consumptie worden aangeboden;

[...]

5° werkruimte :

a) elke arbeidsplaats, ongeacht of deze zich binnen of buiten een onderneming of inrichting bevindt en ongeacht of deze zich in een gesloten of een open ruimte bevindt, met uitzondering van de ruimte in open lucht;

b) elke open of gesloten ruimte binnenin de onderneming of de inrichting waar de werknemer toegang tot heeft;

6° sociale voorzieningen : de sanitaire voorzieningen, de refter en lokalen bestemd voor rust of eerste hulp;

7° rookkamer : ruimte afgesloten door wanden en een zoldering waar gerookt mag worden;

[...]

9° drankgelegenheid : een inrichting waar de belangrijkste en permanente activiteit er enkel uit bestaat dranken, waaronder dranken met ethylalcohol, aan te bieden voor consumptie ter plaatse en waar geen andere levensmiddelen worden aangeboden voor consumptie ter plaatse dan voorverpakte levensmiddelen die zonder enige bijkomende maatregel gedurende minstens drie maanden houdbaar blijven;

[...] ».

B.1.3. Artikel 3 van de bestreden wet bepaalt :

« § 1. Het is verboden te roken in gesloten plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn. Deze plaatsen dienen rookvrij te zijn.

Aan de ingang van en binnen elke plaats bedoeld in het eerste lid worden rookverbodstekens zoals bepaald bij artikel 2, 10°, zo aangebracht dat alle aanwezige personen er kennis van kunnen nemen. De Koning kan de bijkomende voorwaarden bepalen waaraan de signalisatie van het rookverbod dient te beantwoorden.

§ 2. Het verbod bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, geldt eveneens permanent in alle voertuigen die gebruikt worden voor het openbaar vervoer dus ook wanneer zij buiten dienst zijn.

§ 3. Elk element dat tot roken kan aanzetten of dat laat uitschijnen dat roken toegestaan is, is verboden in de plaatsen bedoeld in paragrafen 1 en 2 ».

Artikel 6 van de bestreden wet bepaalt :

« Onverminderd de bepalingen van artikel 3, kan de uitbater van een gesloten plaats, die toegankelijk is voor het publiek een rookkamer installeren.

Deze rookkamer is geen doorgangszone en is zodanig geconstrueerd en ingericht dat de ongemakken van de rook ten opzichte van de niet-rokers maximaal verminderd worden.

De rookkamer wordt duidelijk als lokaal voor rokers geïdentificeerd en wordt aangeduid door allerhande middelen die toelaten ze te situeren. In de rookkamer kunnen enkel dranken worden meegenomen.

De oppervlakte van de rookkamer mag niet meer bedragen dan een vierde van de totale oppervlakte van de gesloten plaats.

De rookkamer is voorzien van een rookafzuigsysteem of een verluchtingssysteem dat de rook afdoende verwijdert.

De Koning bepaalt de bijkomende voorwaarden waaraan de rookkamer dient te beantwoorden ».

B.1.4. Artikel 4 van de bestreden wet bepaalt :

« § 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 3, § 1, wordt een uitzondering gemaakt op het rookverbod voor afgesloten drankgelegenheden en die geen deel uitmaken van een sportruimte.

De uitbater van een drankgelegenheid bedoeld in het eerste lid, of het gaat om een fysiek persoon of een rechtspersoon, kan een zone die duidelijk afgebakend is, installeren, waar het toegestaan is te roken volgens vormen en voorwaarden voorzien in volgende paragrafen.

De uitzondering bedoeld in het eerste lid geldt tot 1 juli 2014. Niettemin kan de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na overleg met de sector een einde maken aan deze uitzondering vanaf 1 januari 2012.

§ 2. De zone gereserveerd voor rokers moet aangeduid worden door allerhande middelen die het mogelijk maken ze te situeren.

Ze moet zodanig ingericht zijn dat de ongemakken van de rook ten opzichte van niet-rokers maximaal verminderd worden.

De oppervlakte ervan moet minder dan de helft van de totale oppervlakte van de plaats waar dranken ter consumptie worden opgediend zijn, behalve indien deze totale oppervlakte minder dan 50 vierkante meter bedraagt.

§ 3. In de plaatsen gereserveerd voor niet-rokers dienen rookverbodstekens overeenkomstig punt 10° van artikel 2 zo te worden aangebracht dat alle aanwezige personen er kennis van kunnen nemen.

§ 4. Elk element dat tot roken kan aanzetten of dat laat geloven dat roken toegestaan is, is verboden in de zone gereserveerd voor niet-rokers.

§ 5. De Koning kan bijkomende voorwaarden vaststellen waaraan de drankgelegenheden moeten voldoen waar roken toegelaten is. Deze voorwaarden hebben betrekking op de installatie van een ventilatiesysteem dat een minimaal volume van luchtverversing verzekert ».

B.1.5. Artikel 12 van de bestreden wet bepaalt :

« Elke werknemer heeft het recht te beschikken over werkruimten en sociale voorzieningen, vrij van tabaksrook ».

Artikel 13 van de bestreden wet bepaalt :

« De werkgever verbiedt het roken in de werkruimten en de sociale voorzieningen, evenals in het vervoermiddel dat voor gemeenschappelijk vervoer van en naar het werk door hem ter beschikking wordt gesteld van het personeel.

De werkgever neemt de nodige maatregelen teneinde erover te waken dat derden die zich in de onderneming bevinden, geïnformeerd worden omtrent de maatregelen die hij toepast overeenkomstig deze wet.

Elk element dat tot roken kan aanzetten of dat laat geloven dat roken toegestaan is, is verboden in de lokalen als bedoeld in het eerste lid ».

Artikel 14 van de bestreden wet bepaalt :

« In afwijking van het verbod bedoeld in artikel 13, bestaat de mogelijkheid te voorzien in een rookkamer binnen de onderneming, na voorgaand advies van het Comité.

De rookkamer, die uitsluitend tot het roken bestemd is, wordt afdoende verlucht of wordt voorzien van een rookafzuigsysteem dat de rook afdoende verwijdert. De Koning bepaalt de bijkomende voorwaarden waaraan de rookkamer dient te beantwoorden.

De regeling van de toegang tot deze kamer tijdens de werkuren wordt vastgesteld, na voorafgaand advies van het Comité.

Deze regeling veroorzaakt geen ongelijke behandeling van de werknemers ».

B.1.6. Uit het verzoekschrift blijkt dat het beroep is gericht tegen de uitzondering bepaald in artikel 4 van de wet van 22 december 2009 en tegen de definitie van « drankgelegenheid » in artikel 2, 9°, van dezelfde wet. De verzoekende partijen bestrijden immers niet het rookverbod als zodanig, maar slechts de uitzondering die bestaat voor « drankgelegenheden ».

Het Hof beperkt dan ook zijn onderzoek tot die bepalingen.

B.2. Blijkens de parlementaire voorbereiding streeft de bestreden wet, in navolging van een Europese trend, een tweevoudige doelstelling na : enerzijds, voert de wetgever vanuit het oogpunt van de volksgezondheid een algemeen rookverbod in publieke ruimten in; anderzijds, wil hij de uitzonderingen bepaald in het koninklijk besluit van 13 december 2005, die als discriminerend werden aangevoeld en die oneerlijke concurrentie veroorzaakten, wegwerken (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-1768/001, pp. 6-7). De wetgever wenst niet alleen het roken af te remmen, maar ook de rechten van de niet-rokers te behartigen (ibid., pp. 5 en 8), en dat door een « algemeen rookverbod op alle publieke plaatsen en op de werkvloer zonder verwarrende en onlogische uitzonderingen » (ibid., p. 7). Subsidiair was het de bedoeling te « voorzien in tegemoetkomende maatregelen voor verstokte rokers door het niet-discriminatoir toelaten van rookkamers, en op zo'n manier georganiseerd dat zij de hinder voor niet-rokers uitsluiten » (ibid., p. 7).

Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen

B.3. Aangezien de vordering tot schorsing ondergeschikt is aan het beroep tot vernietiging, moet de ontvankelijkheid van het beroep, en in het bijzonder het bestaan van het vereiste belang, worden behandeld bij het onderzoek van de vordering tot schorsing.

B.4. De verzoekende partijen zijn leveranciers van snacks aan zogenaamde eetcafés. Zij leveren voorverpakte producten die ter plaatse worden opgewarmd, meestal in een oven die door de leverancier aan het café in bruikleen of in huur wordt gegeven. Die producten zijn doorgaans geen drie maanden houdbaar, zodat de cafés die dergelijke etenswaren aanbieden, niet kunnen worden gekwalificeerd als « drankgelegenheden » in de zin van artikel 2, 9°, van de wet van 22 december 2009, en bijgevolg dient het roken er te worden verboden krachtens artikel 3 van dezelfde wet.

B.5.1. Ter staving van hun belang voeren de verzoekende partijen aan dat zij een belangrijke omzetdaling kennen doordat de cafés waaraan zij leveren, ingevolge de uitzondering op het algemene rookverbod bepaald in artikel 4, § 1, van de wet van 22 december 2009, voor de keuze worden geplaatst om ofwel het roken verder toe te staan en bijgevolg te stoppen met het aanbieden van dergelijke snacks, ofwel die snacks verder aan te bieden, maar rookvrij te zijn. Volgens de verzoekende partijen verliezen zij een substantieel gedeelte van hun klantenbestand doordat een meerderheid van de café-uitbaters ervoor zou kiezen het roken verder toe te staan.

B.5.2. De verzoekende partijen kunnen rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door de bestreden bepaling en doen bijgevolg blijken van het rechtens vereiste belang.

Ten aanzien van de voorwaarden van de schorsing

B.6. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten :

- de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn;

- de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen.

Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot de verwerping van de vordering tot schorsing.

Ten aanzien van het ernstig karakter van het middel

B.7. Het middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23, 2°, van de Grondwet, doordat artikel 4, § 1, van de wet van 22 december 2009 een verschil in behandeling in het leven roept tussen, enerzijds, de « drankgelegenheden » in de zin van artikel 2, 9°, van de bestreden wet en, anderzijds, andere horecazaken, door te bepalen dat in de « drankgelegenheden » het rookverbod pas van toepassing wordt op een door de Koning te bepalen datum tussen 1 januari 2012 en 1 juli 2014, terwijl de andere horecazaken worden geconfronteerd met de onmiddellijke inwerkingtreding van het rookverbod.

B.8.1. Het onderscheid steunt op het soort etenswaren dat in een horecazaak wordt aangeboden. Roken is, tot op de door de Koning bepaalde datum tussen 1 januari 2012 en 1 juli 2014, enkel toegestaan in horecazaken waar geen andere etenswaren worden aangeboden dan « voorverpakte levensmiddelen die zonder enige bijkomende maatregel gedurende minstens drie maanden houdbaar blijven ».

B.8.2. In het licht van de hoofddoelstelling van de bestreden wet, namelijk de bescherming van de niet-rokers en van de werknemers van de betrokken sector, lijkt het verschil in behandeling op grond van de aard van de etenswaren die in een horecazaak kunnen worden geconsumeerd, geen verband te houden met de verwezenlijking van die hoofddoelstelling.

B.9. De Ministerraad voert aan dat een plotse invoering van een algemeen rookverbod problematisch kan zijn voor de zogenaamde volkscafés, en dat het in die omstandigheden niet kennelijk onredelijk is dat de wetgever voorziet in een overgangsperiode die de uitbaters van dergelijke gelegenheden in staat stelt hun cliënteel voor te bereiden op een algemeen rookverbod, of hen in de gelegenheid stelt een rookkamer te installeren. Het door de wetgever aangewende criterium van onderscheid lijkt evenwel niet pertinent om de horecazaken die zonder grote problemen onmiddellijk kunnen voldoen aan de wettelijke vereisten te onderscheiden van diegene die om sociaaleconomische redenen een redelijke overgangstermijn moeten kunnen genieten om aan die vereisten te voldoen.

B.10. Het middel is ernstig.

Ten aanzien van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel

B.11. De schorsing van een wetsbepaling door het Hof moet het mogelijk maken te vermijden dat, voor de verzoekende partij, een ernstig nadeel voortvloeit uit de onmiddellijke toepassing van de bestreden normen, nadeel dat niet of moeilijk zou kunnen worden hersteld in geval van een eventuele vernietiging.

B.12. Het nadeel dat wordt aangevoerd door de verzoekende partijen - die besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid zijn - wordt gevormd door hun nakende faillissement dat het gevolg zou zijn van de omstandigheid dat een meerderheid van het klantenbestand ervoor kiest de overeenkomsten stop te zetten teneinde het roken verder te kunnen toestaan tot minstens 1 januari 2012 en ten laatste 1 juli 2014.

B.13. Uit artikel 22 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof blijkt dat, om te voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 20, 1°, van die wet, de persoon die een vordering tot schorsing instelt, in zijn verzoekschrift concrete en precieze feiten moet uiteenzetten waaruit voldoende blijkt dat de onmiddellijke toepassing van de bepalingen waarvan hij de vernietiging vordert, hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.

Die persoon moet met name het bestaan van het risico van een nadeel, de ernst ervan en het verband tussen dat risico en de toepassing van de bestreden bepalingen aantonen.

B.14.1. De verzoekende partijen stellen dat hun inkomsten sinds de inwerkingtreding van de bestreden wet onmiddellijk zijn gehalveerd, zodat zij niet volstaan om aan hun financiële verplichtingen te voldoen. Aangezien er, gelet op de recente inwerkingtreding van de bestreden wet, nog geen boekhoudkundige gegevens beschikbaar zijn, leggen zij ter staving van hun financiële nadeel drie soorten van documenten neer. Het gaat ten eerste om een vergelijking tussen de omzet van 2008 en die van 2009 van de vennootschap naar Luxemburgs recht « Foodline Management Services S.A. », die geen verzoekende partij is in de onderhavige procedure. Die vennootschap stelt een omzetdaling vast die voor sommige maanden tot 20 pct. bedraagt, en wijt die aan de financiële crisis. Zonder cijfers te geven die betrekking hebben op de periode vanaf 1 januari 2010, stelt de vennootschap dat ze ofwel zes tot zeven werknemers van haar Belgische vestiging moet ontslaan, ofwel het faillissement moet laten vaststellen.

Ten tweede legt de eerste verzoekende partij 48 geschreven opzeggingen van leveringsovereenkomsten neer volgens welke de betrokken horecazaken verklaren de lopende overeenkomst met de bvba « ADS » stop te zetten, omdat zij noodgedwongen ervoor kiezen het roken in hun café verder toe te staan.

Ten derde legt de eerste verzoekende partij de resultaten neer van een telefonische bevraging van haar klantenbestand. Honderdeenenveertig afnemers bevestigen dat zij de afname zouden stopzetten indien zij voor de keuze zouden worden geplaatst het roken te verbieden of geen snacks meer aan te bieden.

B.14.2. Welke ook de bewijskracht van die gegevens zou zijn, zij volstaan niet om de werkelijkheid aan te tonen van het moeilijk te herstellen nadeel dat de verzoekende partijen dreigen te ondergaan. De eerste categorie van documenten biedt immers geen inzicht in de omzet na de inwerkingtreding van de bestreden wet. De tweede en de derde categorie van documenten geven niet aan welk percentage van het klantenbestand de respondenten vertegenwoordigen.

B.15. Aangezien niet is voldaan aan een van de voorwaarden die zijn vereist bij artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, kan de vordering tot schorsing niet worden ingewilligd.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt de vordering tot schorsing.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 22 april 2010.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.