Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 22 december 2010 (België)

Publicatie datum :
22-12-2010
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
3 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20101222-4
Rolnummer :
152/2010

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : Artikel 36, eerste lid, van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970, ingevoegd bij artikel 29 van de wet van 13 juli 2006, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter M. Melchior, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter M. Melchior,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 18 januari 2010 in zake het Fonds voor de Beroepsziekten tegen Albert Neyman, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 26 januari 2010, heeft het Arbeidshof te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 36, eerste lid, van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970, zoals gewijzigd bij artikel 29 van de wet van 13 juli 2006 houdende diverse bepalingen inzake beroepsziekten en arbeidsongevallen en inzake beroepsherinschakeling, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet,

in zoverre het bepaalt dat ' de Koning [...] evenwel [kan] bepalen dat het overlijden of de verergering van de schade ingevolge de ziekte die van de [...] lijst [van beroepsziekten] werd geschrapt of waarvan de omschrijving werd gewijzigd, geen aanleiding geeft tot betaling van de vergoedingen ingevolge overlijden of tot herziening van reeds toegekende vergoedingen ingevolge blijvende arbeidsongeschiktheid ',

terwijl, enerzijds, elke persoon van wie erkend wordt dat hij aan een beroepsziekte lijdt, recht heeft op de schadeloosstelling voor de verergering van zijn toestand, met als enige voorwaarde dat hij aantoont dat de blijvende arbeidsongeschiktheid die voortvloeit uit die ziekte verergerd is,

en terwijl, anderzijds, de rechthebbenden van het slachtoffer dat is overleden aan de gevolgen van de beroepsziekte waarvan erkend is dat het eraan leed, de rente genieten bedoeld in hoofdstuk II, afdeling 1, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, met als enige voorwaarde dat wordt aangetoond dat de ziekte de dood van het slachtoffer heeft teweeggebracht ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 36, eerste lid, van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970, ingevoegd bij artikel 29 van de wet van 13 juli 2006, bepaalt :

« Wanneer een ziekte van de in artikel 30 bedoelde lijst wordt geschrapt, of wanneer de omschrijving ervan wordt gewijzigd, behoudt de getroffene zijn rechten op schadeloosstelling, onverminderd alle andere bepalingen betreffende de vergoeding van de uit beroepsziekten voortvloeiende schade. De Koning kan evenwel bepalen dat het overlijden of de verergering van de schade ingevolge de ziekte die van de genoemde lijst werd geschrapt of waarvan de omschrijving werd gewijzigd, geen aanleiding geeft tot betaling van de vergoedingen ingevolge overlijden of tot herziening van reeds toegekende vergoedingen ingevolge blijvende arbeidsongeschiktheid ».

B.2. De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of die bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat zij de Koning machtigt te bepalen dat, wanneer een ziekte niet langer als een beroepsziekte wordt erkend, het overlijden of de verergering van de schade ingevolge die ziekte ook niet langer aanleiding kan geven tot betaling van de vergoedingen ingevolge overlijden of tot herziening van reeds toegekende vergoedingen ingevolge blijvende arbeidsongeschiktheid.

B.3. Krachtens artikel 30, eerste lid, van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970, maakt de Koning de lijst op van de beroepsziekten die tot schadeloosstelling aanleiding geven. Hij wordt daarin bijgestaan door een wetenschappelijke raad (artikel 16 van dezelfde gecoördineerde wetten).

Anders dan een arbeidsongeval, dat het gevolg is van een plotse en onvoorziene gebeurtenis, is een beroepsziekte het gevolg van een min of meer langdurige blootstelling aan schadelijke stoffen of omstandigheden.

Beroepsziekten vertonen een evolutief karakter. De lijst van beroepsziekten wordt herhaaldelijk bijgewerkt teneinde rekening te houden met het gebruik van nieuwe producten en het verschijnen van nieuwe risico's en nieuwe ziekten.

B.4. Het Hof dient te onderzoeken of de in het geding zijnde bepaling op onevenredige wijze afbreuk doet aan de rechtmatige verwachtingen van de getroffenen door een ziekte die vanaf een bepaald ogenblik niet langer als een beroepsziekte wordt erkend.

B.5. De inschrijving van een ziekte op de lijst van beroepsziekten die aanleiding geven tot de betaling van een vergoeding ingeval van blijvende ongeschiktheid, doet voor de personen die het slachtoffer ervan zijn, niet de rechtmatige verwachting ontstaan dat die lijst niet zal kunnen worden gewijzigd om reden met name van een evolutie van de wetenschap noch, bijgevolg, dat de reglementering die op hun van toepassing was, dat zal blijven zonder dat ze kan worden gewijzigd.

B.6. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 13 juli 2006 die artikel 36, eerste lid, van de voormelde gecoördineerde wetten van 3 juni 1970 heeft gewijzigd, blijkt dat de wetgever, in de regel, geen afbreuk wenste te doen aan de verworven rechten wegens een beroepsziekte die niet langer als dusdanig is erkend :

« Een bepaalde rubriek van de lijst kan een dermate belangrijke wijziging ondergaan, dat bepaalde aandoeningen die in het verleden werden erkend, in de toekomst van erkenning worden uitgesloten. De bedoeling bestaat erin dat de verworven rechten op basis van de vroegere aanvraag integraal behouden blijven, maar dat de Koning kan bepalen dat een eventuele verergering van deze toestand geen aanleiding geeft tot bijkomende schadeloosstelling (dit is vooral het geval wanneer blijkt dat we in het verleden, met de toenmalige kennis, weliswaar een juiste beslissing hebben getroffen, maar dat - ingevolge de evolutie van de medische wetenschap - eveneens blijkt dat we diezelfde aandoening hic et nunc niet meer als een beroepsziekte beschouwen) » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-1334/001, p. 19).

B.7. Door te bepalen dat de getroffene door een ziekte die niet langer als een beroepsziekte wordt erkend, zijn rechten op schadeloosstelling behoudt en aan de Koning, bij wege van uitzondering, machtiging te verlenen om te bepalen dat het overlijden of de verergering van de schade ingevolge die ziekte niet langer aanleiding kan geven tot betaling van de vergoedingen ingevolge overlijden of tot herziening van reeds toegekende vergoedingen ingevolge blijvende arbeidsongeschiktheid, heeft de wetgever een evenwicht tot stand gebracht tussen de rechtmatige verwachtingen van de getroffen personen en zijn legitieme bekommernis om de oorspronkelijke doelstelling van het stelsel der beroepsziekten, alsmede het financiële evenwicht ervan, te vrijwaren.

B.8. Het komt de verwijzende rechter toe, om rekening houdend met wat in B.6 is vermeld, na te gaan of de Koning te dezen, door gebruik te maken van de machtiging die de in het geding zijnde bepaling Hem verleent, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in acht heeft genomen.

B.9. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 36, eerste lid, van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970, ingevoegd bij artikel 29 van de wet van 13 juli 2006, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 22 december 2010.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Melchior.