Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 22 january 2015 (België)

Publicatie datum :
22-01-2015
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
6 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20150122-6
Rolnummer :
6/2015

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : - In de in B.3 vermelde interpretatie schendt artikel 41 van de Algemene Kinderbijslagwet van 19 december 1939 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - In de in B.13 vermelde interpretatie schendt dezelfde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 30 januari 2014 in zake de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers tegen Philippe Fraselle, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 5 februari 2014, heeft het Arbeidshof te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 41 van de op 19 december 1939 samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, in de interpretatie volgens welke het de toekenning van de bijslagen voor eenoudergezinnen aan een bijslagtrekkende die gehuwd is maar feitelijk gescheiden is van zijn echtgenoot wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil, om reden dat hij nooit met zijn echtgenoot heeft samengewoond, zou uitsluiten, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het,

- enerzijds, het kind dat recht heeft op verhoogde kinderbijslag voor eenoudergezinnen doordat zijn bijslagtrekkende ouder geen feitelijk gezin heeft noch gehuwd is of gehuwd maar feitelijk gescheiden is, en,

- anderzijds, het kind dat alleen recht heeft op kinderbijslag tegen het gewone tarief doordat zijn bijslagtrekkende ouder gehuwd is, ook al bevindt die laatste zich in de onmogelijkheid een gezin te vormen met zijn echtgenoot om redenen die onafhankelijk zijn van de wil van het paar (in casu het mislukken van de administratieve stappen om een visum te verkrijgen),

verschillend behandelt, terwijl in beide gevallen maar één persoon, de bijslagtrekkende, die over lagere inkomsten beschikt dan het bij artikel 41 vastgestelde maximumbedrag, zorgt voor de opvoeding van het kind zonder de verschillende lasten in verband met die opvoeding te kunnen delen met een persoon met wie hij samenwoont ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 41 van de Algemene Kinderbijslagwet van 19 december 1939. Die bepaling, zoals van toepassing op de feiten voor het verwijzende rechtscollege, luidt :

« Wanneer de rechthebbende een recht opent op de in artikel 40 bedoelde maandelijkse bijslag, wordt deze bijslag verhoogd met een bijslag van 34,83 euro voor het eerste kind, 21,59 euro voor het tweede kind en 17,41 euro voor het derde en de volgende kinderen, onder de volgende cumulatieve voorwaarden :

- de bijslagtrekkende vormt geen feitelijk gezin in de zin van artikel 56bis, § 2, en is niet gehuwd, behalve indien een feitelijke scheiding zich na het huwelijk heeft voorgedaan. De feitelijke scheiding moet blijken uit de afzonderlijke hoofdverblijfplaats van de personen in kwestie, in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van het Rijksregister van de natuurlijke personen, met uitzondering van gevallen waarbij uit andere daarvoor overgelegde officiële documenten blijkt dat de feitelijke scheiding effectief is, ook al stemt dit niet of niet meer overeen met de informatie verkregen bij het voormelde register;

- de bijslagtrekkende geniet geen beroeps- en/of vervangingsinkomsten waarvan het bedrag het maximaal dagbedrag van de invaliditeitsuitkering voor een werknemer met persoon ten laste, voortvloeiend uit de toepassing van de artikelen 212, zesde lid, en 213, eerste lid, eerste zin, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, vermenigvuldigd met 27, overschrijdt. De inkomsten waarmee rekening wordt gehouden zijn die welke door de Koning zijn bepaald voor de omschrijving van de hoedanigheid van rechthebbende met personen ten laste;

- de rechthebbende mag daarenboven geen recht op een bijslag bedoeld in artikel 42bis of 50ter openen ».

De prejudiciële vraag heeft betrekking op de voorwaarde die in het eerste streepje van die bepaling is gesteld.

B.2. Uit het arrest waarin aan het Hof een vraag wordt gesteld, blijkt dat het voor de verwijzende rechter hangende geschil betrekking heeft op een bijslagtrekkende die alleenstaande was en wiens kinderen bijgevolg de in de in het geding zijnde bepaling bedoelde verhoogde kinderbijslag genoten, en die vervolgens opnieuw is gehuwd in het buitenland met een persoon van vreemde nationaliteit die niet de vereiste machtigingen heeft verkregen om het grondgebied te betreden en die om die reden geen deel heeft kunnen uitmaken van het gezin van de bijslagtrekkende.

Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die situatie.

B.3. Het verwijzende rechtscollege stelt het Hof een vraag over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de interpretatie dat zij de toekenning van de verhoogde kinderbijslag voor eenoudergezinnen zou ontzeggen aan « een bijslagtrekkende die gehuwd is maar feitelijk gescheiden is van zijn echtgenoot wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil, om reden dat hij nooit met zijn echtgenoot heeft samengewoond ».

In die interpretatie brengt de in het geding zijnde bepaling een verschil in behandeling teweeg onder de kinderen die deel uitmaken van een gezin dat maar uit één volwassene bestaat die over lagere inkomsten beschikt dan die welke in het voormelde artikel 41, tweede streepje, worden vermeld, naargelang die volwassene is gehuwd maar wordt verhinderd een gezin met zijn echtgenoot te vormen omdat die echtgenoot niet de vereiste machtigingen heeft verkregen om het grondgebied te betreden, dan wel alleenstaande is of gehuwd maar feitelijk gescheiden. Enkel aan de eerste categorie van kinderen wordt het voordeel van de verhoogde kinderbijslag geweigerd waarin is voorzien voor de kinderen die deel uitmaken van een eenoudergezin.

B.4. Het staat niet aan het Hof na te gaan of een stelsel van sociale zekerheid al dan niet billijk is. Het staat aan het Hof te beoordelen of de wetgever categorieën van personen die voldoende vergelijkbaar zijn, al dan niet op een discriminerende manier heeft behandeld, zoals de in B.3 vermelde kinderen die deel uitmaken van een gezin dat maar uit één volwassene bestaat.

B.5.1. Het in het geding zijnde artikel 41 is bij artikel 13 van de programmawet van 27 april 2007 in de Algemene Kinderbijslagwet van 19 december 1939 ingevoerd.

In de parlementaire voorbereiding van die bepaling wordt vermeld :

« Deze bepaling voert in de kinderbijslagregeling voor werknemers een toeslag in, die specifiek verschuldigd is voor eenoudergezinnen wier inkomen lager ligt dan het maximumbedrag dat als voorwaarde geldt voor de toekenning van de sociale toeslagen. De toekenning van deze toeslag aan eenoudergezinnen is redelijk te verantwoorden, aangezien slechts één persoon instaat voor de opvoeding van het kind zonder de verschillende lasten verbonden aan deze opvoeding te kunnen delen met een persoon waarmee hij of zij gehuwd is of een feitelijk gezin vormt.

Daarenboven is het, in het raam van de bestrijding van de armoede (cfr. de studies omtrent het armoederisico), noodzakelijk om vooral de meest behoeftige eenoudergezinnen te ondersteunen » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-3058/001, p. 7).

In de commissie van de Kamer heeft de minister eraan toegevoegd :

« Uit internationale en nationale studies blijkt dat kinderarmoede vooral voorkomt bij éénoudergezinnen. Daarom wordt de kinderbijslag voor deze specifieke groep gezinnen verhoogd » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-3058/017, p. 17).

B.5.2. Daarenboven werden de bedragen van de bij de in het geding zijnde bepaling toegekende verhoogde kinderbijslag verhoogd bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 september 2008 « tot wijziging van het bedrag van de bijslag bedoeld in artikel 41 van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders ». In de aanhef van dat koninklijk besluit wordt aangegeven dat de verhoging van de bedragen een maatregel is die ertoe is bestemd « de koopkracht van eenoudergezinnen in een onzekere situatie te ondersteunen », hetgeen een van de « aandachtspunten van het federaal plan ter bestrijding van de armoede » is (Belgisch Staatsblad, 1 oktober 2008, tweede editie, p. 52329).

B.6.1. Het algemene stelsel van de kinderbijslag is een verzekeringsstelsel, wat inhoudt dat de bestaansmiddelen van de begunstigden ervan niet in aanmerking worden genomen om te bepalen of het recht om die bijslag te genieten, bestaat. Aldus had de Raad van State, in zijn advies over de programmawet van 27 april 2007, doen opmerken dat « de gezinsbijslag traditioneel wordt beschouwd als een recht van het kind en de bijslagen in dat verband in beginsel niet rechtstreeks afhankelijk zijn van het inkomen van de bijslagtrekkende » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-3058/001, pp. 141-142).

Dat algemene stelsel wordt echter gecorrigeerd ten voordele van bepaalde categorieën van begunstigden die een bijzondere aandacht vereisen.

B.6.2. In de in B.5.1 aangehaalde parlementaire voorbereiding en in de in B.5.2 vermelde aanhef van het koninklijk besluit van 28 september 2008 wordt aangegeven dat de wetgever, door een verhoogde kinderbijslag in te voeren ten gunste van de kinderen die deel uitmaken van een eenoudergezin, een maatregel wou nemen die bijdraagt tot het doel van armoedebestrijding. Hij heeft de toekenning van die bijslag dan ook afhankelijk gesteld van de vereiste dat de inkomsten van de bijslagtrekkende een bepaald bedrag niet mogen overschrijden, teneinde enkel de kwetsbare eenoudergezinnen te beogen. De in het geding zijnde verhoogde bijslag strekt dus ertoe de ongunstige economische situatie te compenseren van de kinderen die in een eenoudergezin met geringe inkomsten wonen, aangezien een verband bestaat tussen het feit dat één volwassene de last van de kinderen draagt en het verhoogde risico van armoede met betrekking tot dat soort van gezin.

B.7.1. Het feit dat de toekenning van de in het geding zijnde verhoogde bijslag afhankelijk is van de inkomsten van de bijslagtrekkende, onderscheidt ze fundamenteel van de verhoogde bijslag die krachtens artikel 56bis van de Algemene Kinderbijslagwet van 19 december 1939 aan weeskinderen wordt toegekend aangezien die laatste wordt toegekend ongeacht de economische situatie waarin het overlijden de wees plaatst. Beide bepalingen beantwoorden dan ook aan verschillende bekommernissen van de wetgever.

B.7.2. Dat fundamentele verschil tussen beide bepalingen biedt het Hof niet de mogelijkheid om de voorliggende prejudiciële vraag op dezelfde wijze te beantwoorden als de vraag over het voormelde artikel 56bis, die aanleiding heeft gegeven tot het arrest nr. 55/2004 van 24 maart 2004. Bij dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat die laatste bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 191 ervan, niet schendt.

In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, volstaat de omstandigheid dat de gezinssituatie waarin de eiser en zijn kinderen zich in die zaak bevonden, dezelfde is als die waarin de geïntimeerde en zijn kinderen zich in de onderhavige zaak bevinden, gezien het verschillende doel dat met die twee bepalingen wordt nagestreefd, niet om te besluiten dat noodzakelijkerwijs zou moeten worden geoordeeld dat artikel 41 van de Algemene Kinderbijslagwet van 19 december 1939, in de in B.3 vermelde interpretatie, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het is immers ten aanzien van het met de in het geding zijnde bepaling nagestreefde doel dat de relevantie en de evenredigheid ervan moeten worden beoordeeld.

B.8. Het in het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op het criterium van de huwelijkssituatie van de volwassene in het eenoudergezin, alsook, wanneer de echtgenoten gescheiden zijn, op het criterium van het al dan niet samenwonen van de bijslagtrekkende met zijn echtgenoot vóór de feitelijke scheiding. Die criteria zijn objectief. Het Hof dient te onderzoeken of zij relevant zijn ten opzichte van het doel van de in het geding zijnde bepaling.

B.9. Ten aanzien van het door de wetgever nagestreefde doel dat erin bestaat kinderarmoede te bestrijden, bevinden de kinderen die deel uitmaken van een gezin met slechts één volwassene die over inkomsten beschikt die de in het tweede streepje van de in het geding zijnde bepaling vastgestelde grens niet overschrijden, zich in een identieke situatie, ongeacht overigens de burgerlijke stand van die volwassene en het feit of hij al dan niet heeft samengewoond met de echtgenoot van wie hij is gescheiden.

Het feit dat de volwassene die instaat voor hun opvoeding en de lasten die eruit voortvloeien, gehuwd is, wanneer zijn echtgenoot door het niet-verkrijgen van de vereiste machtigingen wordt verhinderd zich op het Belgische grondgebied bij hem te voegen en, bijgevolg, in het gezin te worden opgenomen, verandert niets aan de situatie van de kinderen die zich nog steeds in een eenoudergezin met geringe inkomsten bevinden, wanneer die echtgenoot niet over eigen inkomsten beschikt waarmee deze, overeenkomstig artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek, naar zijn vermogen dient bij te dragen in de lasten van het huwelijk. Hun situatie zal, ten aanzien van het met de in het geding zijnde bepaling nagestreefde doel, pas veranderen wanneer de echtgenoot van hun ouder de mogelijkheid zal hebben deel uit te maken van hun gezin.

B.10. Daarenboven maakt de in het geding zijnde bepaling het mogelijk rekening te houden met een feitelijke scheiding die volgt op het huwelijk om de verhoogde kinderbijslag toe te kennen wanneer de bijslagtrekkende, hoewel gehuwd, niet langer met zijn echtgenoot samenwoont, ongeacht de reden die de echtgenoten ertoe heeft gebracht te scheiden. Het is dan ook niet redelijk verantwoord om geen rekening te houden met een feitelijke scheiding, onafhankelijk van de wil van de echtgenoten, tussen het huwelijk en de daadwerkelijke samenwoning omdat de ene echtgenoot bij gebrek aan de vereiste machtigingen wordt verhinderd zich op het Belgische grondgebied bij de andere echtgenoot te voegen, terwijl die scheiding, ten gevolge van door de Belgische overheid gestelde handelingen, verschillende maanden kan duren.

B.11. Ten slotte wordt in de in het geding zijnde bepaling gepreciseerd dat, in het geval waarin de bijslagtrekkende gehuwd en feitelijk gescheiden is, de verhoogde bijslag voor eenoudergezinnen met name wordt toegekend wanneer de feitelijke scheiding blijkt uit de afzonderlijke hoofdverblijfplaats van de personen in kwestie, in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen. In het geval waarin de gehuwde bijslagtrekkende nog niet met zijn echtgenoot samenwoont, zodat hij, wanneer die echtgenoot niet over eigen inkomsten beschikt, eveneens de last van een eenoudergezin draagt, blijkt die situatie eveneens uit de gegevens in het Rijksregister van de natuurlijke personen. Het in aanmerking nemen van die situatie voor de toekenning van de verhoogde bijslag veroorzaakt dus geen onoverkomelijke administratieve moeilijkheden.

B.12. In de in B.3 vermelde interpretatie is artikel 41 van de Algemene Kinderbijslagwet van 19 december 1939 niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.13. Het Hof merkt evenwel op dat de in het geding zijnde bepaling een andere interpretatie kan krijgen, volgens welke de verhoogde kinderbijslag voor eenoudergezinnen wordt toegekend aan de bijslagtrekkende die gehuwd is maar feitelijk gescheiden is van zijn echtgenoot omdat die echtgenoot bij gebrek aan de vereiste machtigingen wordt verhinderd zich op het Belgische grondgebied bij hem te voegen, zelfs indien het huwelijk niet is gevolgd door een samenwoning, wanneer de scheiding van de echtgenoten blijkt uit de raadpleging van het Rijksregister van de natuurlijke personen of uit andere officiële documenten die de feitelijke scheiding bewijzen en de in het buitenland verblijvende echtgenoot niet over eigen inkomsten beschikt waarmee deze, overeenkomstig artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek, naar zijn vermogen dient bij te dragen in de lasten van het huwelijk.

In die interpretatie is artikel 41 van de Algemene Kinderbijslagwet van 19 december 1939 bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- In de in B.3 vermelde interpretatie schendt artikel 41 van de Algemene Kinderbijslagwet van 19 december 1939 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

- In de in B.13 vermelde interpretatie schendt dezelfde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 22 januari 2015.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

J. Spreutels