Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 22 september 2016 (België)

Publicatie datum :
22-09-2016
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
3 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20160922-7
Rolnummer :
117/2016

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : Artikel 30bis, § 5, eerste en tweede lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij vonnis van 8 juni 2015 in zake de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid tegen de cv « Decavis », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 11 juni 2015, heeft de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vragen gesteld :

1. « Schendt artikel 30bis, § 5, eerste en tweede lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, ingevoegd bij artikel 61 van de wet van 4 augustus 1978 tot economische heroriëntering, in die zin geïnterpreteerd dat het geen inbreuk invoert in de zin van artikel 31 van die wet van 27 juni 1969, dat naar het Sociaal Strafwetboek verwijst, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het de persoon die door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid voor de arbeidsrechtbank wordt gedagvaard, wegens de afwezigheid van de bij artikel 30bis, § 4, eerste en tweede lid, van dezelfde wet vereiste storting, teneinde te worden veroordeeld tot de betaling, aan die instelling, van de in de in het geding zijnde bepaling bedoelde bijslag, niet toestaat aanspraak te maken op de toepassing van verzachtende omstandigheden teneinde een vermindering van die bijslag te verkrijgen, terwijl dezelfde persoon die wegens dezelfde feiten voor de correctionele rechtbank wordt vervolgd op grond van artikel 31 van de voormelde wet van 27 juni 1969, verzachtende omstandigheden kan aanvoeren teneinde op grond van artikel 110 van het Sociaal Strafwetboek een vermindering van de straf te verkrijgen ? »;

2. « Schendt het in de eerste prejudiciële vraag bedoelde artikel 30bis, [ § 5,] eerste en tweede lid, van de wet van 27 juni 1969 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het de persoon die door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid voor de arbeidsrechtbank wordt gedagvaard, wegens de afwezigheid van de bij artikel 30bis, § 4, eerste en tweede lid, van dezelfde wet vereiste storting, teneinde te worden veroordeeld tot de betaling, aan die instelling, van de in de in het geding zijnde bepaling bedoelde bijslag, niet toestaat de opschorting of het uitstel van de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot de betaling van die bijslag aan te vragen, terwijl dezelfde persoon die wegens dezelfde feiten voor de correctionele rechtbank wordt vervolgd op grond van artikel 31 van de wet van 27 juni 1969, aanspraak kan maken op de toepassing van artikel 8 van de wet van 29 juni 1969 [lees : 29 juni 1964] betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Vóór de wijziging ervan bij artikel 7 van de wet van 20 juli 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken, bepaalde artikel 30bis, § 5, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (hierna : de RSZ-wet) :

« Onverminderd de toepassing van de sancties voorzien in artikel 35, eerste lid, 3, is de opdrachtgever die de in § 4, eerste lid, bedoelde storting niet verricht heeft, benevens de betaling van het te storten bedrag, aan de voormelde Rijksdienst bovendien een bijslag verschuldigd gelijk aan het te betalen bedrag.

Onverminderd de toepassing van de sancties voorzien in artikel 35, eerste lid, 3, is de aannemer die de in § 4, tweede lid, bedoelde storting niet verricht heeft, benevens de betaling van het te storten bedrag, aan de voormelde Rijksdienst bovendien een bijslag verschuldigd gelijk aan het te betalen bedrag.

De Koning kan bepalen onder welke voorwaarden de bijslag kan worden verminderd ».

B.2. De eerste prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of dat artikel 30bis, § 5, eerste en tweede lid, in die zin geïnterpreteerd dat het geen inbreuk in de zin van artikel 31 van de RSZ-wet invoert, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de persoon die door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid voor de arbeidsrechtbank wordt gedagvaard, wegens de afwezigheid van de bij artikel 30bis, § 4, eerste en tweede lid, van dezelfde wet vereiste storting, teneinde te worden veroordeeld tot de betaling, aan die instelling, van de in de in het geding zijnde bepaling bedoelde bijslag, niet toestaat aanspraak te maken op de toepassing van verzachtende omstandigheden teneinde een vermindering van die bijslag te verkrijgen, terwijl dezelfde persoon die wegens dezelfde feiten voor de correctionele rechtbank wordt vervolgd op grond van artikel 31 van de RSZ-wet, verzachtende omstandigheden kan aanvoeren teneinde op grond van artikel 110 van het Sociaal Strafwetboek een vermindering van de straf te verkrijgen.

De tweede prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of datzelfde artikel 30bis, § 5, eerste en tweede lid, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de persoon die door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid voor de arbeidsrechtbank wordt gedagvaard, wegens de afwezigheid van de bij artikel 30bis, § 4, eerste en tweede lid, van dezelfde wet vereiste storting, teneinde te worden veroordeeld tot de betaling, aan die instelling, van de in de in het geding zijnde bepaling bedoelde bijslag, niet toestaat de opschorting of het uitstel van de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot de betaling van die bijslag aan te vragen, terwijl de persoon die wegens dezelfde feiten voor de correctionele rechtbank wordt vervolgd op grond van artikel 31 van de RSZ-wet, aanspraak kan maken op de toepassing van artikel 8 van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie.

B.3. In beide prejudiciële vragen wordt de situatie van de persoon die voor de arbeidsrechtbank wordt gedagvaard, vergeleken met die van de persoon die wegens dezelfde feiten, namelijk de afwezigheid van de bij artikel 30bis, § 4, eerste en tweede lid, van de RSZ-wet vereiste storting, voor de correctionele rechtbank wordt vervolgd.

Sedert de inwerkingtreding, op 1 juli 2011, van de wet van 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek is artikel 35 van de RSZ-wet evenwel opgeheven (artikel 109, 21°, b)).

Ingevolge die opheffing kunnen de in de prejudiciële vragen beoogde personen niet meer voor de correctionele rechtbank worden vervolgd wegens de afwezigheid van de bij artikel 30bis, § 4, eerste en tweede lid, van de RSZ-wet vereiste storting.

Het verschil in behandeling waarover het Hof wordt ondervraagd, bestaat derhalve niet meer.

B.4. De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 30bis, § 5, eerste en tweede lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 22 september 2016.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

J. Spreutels