Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 24 april 2014 (België)

Publicatie datum :
24-04-2014
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
4 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20140424-6
Rolnummer :
70/2014

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : Artikel 625 van het Wetboek van strafvordering schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, en de rechters L. Lavrysen, E. Derycke, P. Nihoul, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij arrest van 28 mei 2013 in zake K.K., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 6 juni 2013, heeft de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Gent de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« 1. Schendt artikel 625 van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het de proeftijd in geval van een voorwaardelijke invrijheidsstelling doet lopen vanaf de dag van de voorwaardelijke invrijheidsstelling, terwijl in geval van een voorlopige invrijheidsstelling, nochtans een vergelijkbaar stelsel van vervroegde invrijheidsstelling, de proeftijd slechts een aanvang neemt vanaf de dag dat het restant van de straf is verjaard en dus niet vanaf de dag van de voorlopige invrijheidsstelling ?

2. Schendt artikel 625 van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het de proeftijd in geval van een invrijheidsstelling onder toezicht van de strafuitvoeringsrechtbank doet lopen vanaf de dag van de invrijheidsstelling onder toezicht, terwijl in geval van een voorlopige invrijheidsstelling, de proeftijd slechts een aanvang neemt vanaf de dag dat het restant van de straf is verjaard en dus niet vanaf de dag van de voorlopige invrijheidsstelling ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De prejudiciële vragen betreffen artikel 625 van het Wetboek van strafvordering, dat bepaalt :

« De proeftijd, die voortduurt tot de dag waarop het arrest van eerherstel wordt gewezen, loopt :

1° Van de dag van de voorwaardelijke veroordeling;

2° Van de dagtekening van het koninklijk genadebesluit waarbij de straf voorwaardelijk wordt gemaakt;

3° Van de dag van de voorwaardelijke invrijheidstelling, mits de definitieve invrijheidstelling verkregen is ten tijde van het indienen van de aanvraag;

3°bis Van de dag van de invrijheidsstelling onder toezicht, mits de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank een einde heeft genomen ten tijde van het indienen van de aanvraag;

4° In de overige gevallen bedoeld bij artikel 622, van de dag van het verval van de straffen of van de dag waarop zij verjaren, voor zover de niet-uitvoering niet te wijten is aan de verzoeker ».

B.2.1. De in het geding zijnde bepaling maakt deel uit van de regeling van het herstel in eer en rechten, waarbij, mits de wettelijk bepaalde voorwaarden zijn vervuld, door een rechterlijke beslissing ten voordele van een bepaald persoon voor de toekomst een einde wordt gemaakt aan de strafrechtelijke gevolgen van een veroordeling tot een criminele, een correctionele of een politiestraf (artikel 634 van het Wetboek van strafvordering).

Met het herstel in eer en rechten streeft de wetgever voornamelijk de maatschappelijke reclassering na. Reeds bij de wet van 25 april 1896 werd de figuur van het eerherstel gezien als een moreel herstel dat door de openbare macht wordt toegekend aan een veroordeelde wiens gedrag onberispelijk is geweest (Pasin., 1896, p. 111). Ook bij de wet van 7 april 1964 werd gesteld dat « de nieuwe wetgeving [tegemoet] komt aan het verlangen van vergeving voor de veroordeelde » en « dit is trouwens in het belang van de maatschappelijke rust » (Parl. St., Senaat, 1962-1963, nr. 186, p. 2). Herstel in eer en rechten bestaat bijgevolg zowel in het belang van de veroordeelde als in het belang van de maatschappij.

B.2.2. Eenieder die is veroordeeld tot een straf komt in aanmerking voor herstel in eer en rechten, ongeacht of het gaat om een criminele, een correctionele of een politiestraf, met uitzondering van die straffen die vatbaar zijn voor uitwissing overeenkomstig de artikelen 619 en 620 van het Wetboek van strafvordering (artikel 621).

De veroordeelde moet in beginsel de vrijheidsstraffen hebben ondergaan en de geldstraffen volledig hebben gekweten (artikel 622). Tevens moet hij alle in het vonnis vastgestelde verplichtingen inzake teruggave, schadevergoeding en betaling van kosten hebben voldaan (artikel 623).

Bovendien moet de betrokkene een proeftijd ondergaan, gedurende welke hij een vaste verblijfplaats in België of in het buitenland moet hebben gehad, blijk moet hebben gegeven van verbetering en van goed gedrag moet zijn geweest. In beginsel bedraagt die proeftijd drie jaar of vijf jaar, als er een straf van méér dan vijf jaar is, en vangt hij aan op het ogenblik dat de straf is vervallen, hetzij omdat ze werd uitgevoerd hetzij omdat ze is verjaard, waarbij de niet-uitvoering niet te wijten mag zijn aan de verzoeker (artikel 625, 4°). In bepaalde gevallen voorziet de wet evenwel in een bijzonder aanvangspunt. Aldus begint de proeftijd in het geval van voorwaardelijke invrijheidstelling te lopen op de dag van de voorwaardelijke invrijheidstelling, op voorwaarde dat de definitieve invrijheidstelling verkregen is ten tijde van het indienen van de aanvraag (artikel 625, 3°). In geval van invrijheidstelling onder toezicht neemt de proeftijd een aanvang de dag van die invrijheidstelling mits de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank een einde heeft genomen ten tijde van het indienen van de aanvraag (artikel 625, 3°bis). Overeenkomstig artikel 628, laatste lid, van het Wetboek van strafvordering kan de aanvraag tot herstel in eer en rechten ten vroegste één jaar vóór het verstrijken van de proeftijd worden ingediend.

B.3. De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of artikel 625 van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat het in geval van voorwaardelijke invrijheidstelling en in geval van invrijheidstelling onder toezicht van de strafuitvoeringsrechtbank de proeftijd laat aanvangen op de dag van de voorwaardelijke invrijheidstelling of de invrijheidstelling onder toezicht (artikel 625, 3° en 3°bis), terwijl in geval van voorlopige invrijheidstelling de proeftijd loopt vanaf de dag van de verjaring van de straf (artikel 625, 4°).

B.4.1. Uit de verschillen tussen de verschillende stelsels van invrijheidstelling volgt dat het pertinent is ten aanzien van het aanvangspunt van de proeftijd inzake eerherstel een onderscheid te maken tussen de categorieën van in vrijheid gestelden.

Voorwaardelijk in vrijheid gestelden en de onder toezicht in vrijheid gestelden dienen, om in aanmerking te komen voor de invrijheidstelling, aan diverse voorwaarden te beantwoorden waarin de mogelijkheid tot maatschappelijke reclassering centraal staat. Zij moeten een proeftijd ondergaan tijdens welke zij moeten voldoen aan bijzondere voorwaarden betreffende hun sociale integratie en de bescherming van de maatschappij. De voorlopige invrijheidstelling daarentegen kan plaatsvinden zonder dat bijzondere voorwaarden worden opgelegd en om redenen die extern zijn aan de persoon van de veroordeelde, zoals bijvoorbeeld om reden van overbevolking van de gevangenissen. Zij heeft bijgevolg niet steeds te maken met het goede gedrag van de betrokkene, noch beoogt zij in eerste instantie de maatschappelijke reclassering.

Rekening houdend hiermee en met de vaststelling dat de basisbeginselen inzake eerherstel, voorwaardelijke invrijheidstelling en invrijheidstelling onder toezicht in zekere mate gelijklopend zijn, daar zij alle de maatschappelijke reclassering van de betrokkene tot doel hebben, waarbij het « goede gedrag » van de veroordeelde centraal staat, is het niet onredelijk dat voor het bepalen van het aanvangspunt inzake de proeftijd inzake eerherstel rekening wordt gehouden met de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling of de invrijheidstelling onder toezicht en het « goede gedrag » van de betrokkene aldus wordt beloond.

B.4.2. Het gegeven dat bij de voorwaardelijk in vrijheid gestelden of de onder toezicht in vrijheid gestelden de proeftijd nodig voor eerherstel aldus samenvalt, minstens voor een gedeelte, met de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling of van de invrijheidstelling onder toezicht, zodat die proeftijd in de regel korter zal zijn dan in geval van toepassing van de algemene regel bedoeld in artikel 625, 4°, is evenmin onevenredig, vermits de definitieve invrijheidstelling moet zijn verkregen ten tijde van het indienen van de aanvraag tot herstel in eer en rechten. Aldus beschikt de kamer van inbeschuldigingstelling die het verzoek behandelt over de zekerheid dat de verzoeker zijn straf heeft ondergaan en dat hij aan de voorwaarden opgelegd door de commissie voor de voorwaardelijke invrijheidstelling of de strafuitvoeringsrechtbank betreffende zijn sociale integratie tijdens de proeftijd heeft voldaan.

Dit is niet het geval bij de voorlopige invrijheidstelling. Ook al wordt de voorlopige invrijheidstelling in de praktijk beperkt tot veroordeelden van wie het totaal van de hoofdgevangenisstraffen ten hoogste drie jaar bedraagt, toch is zij geen modaliteit van de strafuitvoering maar slechts een onderbreking ervan en is zij niet noodzakelijk aan voorwaarden noch aan enige proeftijd gebonden, aan de hand waarvan de maatschappelijke re-integratie van de betrokkene kan worden nagegaan. Bovendien bestaat de mogelijkheid dat bij bepaalde categorieën van voorlopige invrijheidstelling, de veroordeelde zijn straf opnieuw moet ondergaan zodra de toestand die tot de voorlopige invrijheidstelling aanleiding gaf, ophoudt te bestaan. Rekening houdend met het feit dat de verjaring van de straf loopt tijdens de voorlopige invrijheidstelling, is het niet zonder redelijke verantwoording dat in geval van voorlopige invrijheidstelling de proeftijd voor eerherstel pas aanvangt nadat de straf is verjaard.

B.4.3. De evoluties in de penitentiaire praktijk en in het wetgevend kader sinds het voormelde arrest, die door de verzoekende partij voor de verwijzende rechter worden belicht, zijn niet van dien aard dat zij die conclusie kunnen wijzigen.

B.5. De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 625 van het Wetboek van strafvordering schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 24 april 2014.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

A. Alen