Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 25 februari 2010 (België)

Publicatie datum :
25-02-2010
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
3 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20100225-3
Rolnummer :
19/2010

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : Artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en P. Martens, en de rechters M. Melchior, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij vonnissen van 28 april, 5 en 12 mei 2009 in zake respectievelijk Jeanine Hubrechtsen en Dany Fraeyman tegen de nv « Axa Belgium », Machteld Lowagie tegen de nv « Dexia Verzekeringen » en Luc Flipts en Mia Leenknegt tegen de nv « Fortis Insurance Belgium », waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 5, 11 en 18 mei 2009, heeft de Politierechtbank te Brugge de volgende prejudiciële vragen gesteld :

1. « Schendt art. 162bis Sv, zoals ingevoegd door de wet van 21 april 2007, het gelijkheidsbeginsel, zoals vastgelegd in art. 10 en 11 van de Grondwet, doordat het voorziet dat in een vonnis uitgesproken door een strafrechtbank enkel de beklaagde en de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn veroordeeld worden tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding en dus niét de vrijwillig of gedwongen tussenkomende partij (verzekeringsmaatschappij), terwijl deze laatste in een vonnis uitgesproken door een burgerlijke rechtbank wel moet (minstens kan) veroordeeld worden tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding zodra ze wordt aangemerkt als ' in het ongelijk gestelde partij ', en dit alles in de hypothese dat de strafrechtbank enkel de (vrijwillig of gedwongen tussengekomen) verzekeraar van de beklaagde heeft veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding ? »;

2. « Schendt art. 162bis Sv, zoals ingevoegd door de wet van 21 april 2007, samen gelezen met art. 89, § 5, van de wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomsten, het gelijkheidsbeginsel, zoals vastgelegd in art. 10 en 11 van de Grondwet, doordat zij samen gelezen, zoals gedaan door het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 23 april 2009, voorzien dat in een vonnis uitgesproken door een strafrechtbank de beklaagde en de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn in solidum met de vrijwillig of gedwongen tussenkomende partij (verzekeringsmaatschappij) veroordeeld worden tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding, terwijl de vrijwillig of gedwongen tussenkomende partij, mede in het licht van het arrest van het Hof van Cassatie d.d. 2 december 2008, daartoe niét kan veroordeeld worden in een vonnis uitgesproken door een strafrechtbank en enkel gericht tegen deze vrijwillig of gedwongen tussenkomende partij ? ».

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4695, 4701 en 4709 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat. Dat artikel 9 wijzigt, samen met de artikelen 8, 10, 11 en 12, verschillende bepalingen van het Wetboek van strafvordering, teneinde het beginsel van de verhaalbaarheid gedeeltelijk uit te breiden tot de door de strafgerechten berechte zaken.

B.1.2. Artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering bepaalt :

« Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, veroordeelt hen tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek.

De burgerlijke partij die rechtstreeks heeft gedagvaard en die in het ongelijk wordt gesteld, zal veroordeeld worden tot het aan de beklaagde betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De vergoeding wordt bepaald door het vonnis ».

B.2. Uit de vonnissen waarbij het Hof wordt ondervraagd, blijkt dat, in tegenstelling tot de vonnissen waarbij het Hof in het arrest nr. 70/2009 van 23 april 2009 werd ondervraagd, de verwijzende rechter niet de beklaagde en diens verzekeraar, vrijwillig tussenkomende partij, in solidum heeft veroordeeld tot het vergoeden van de burgerlijke partijen, maar dat bij de afhandeling van de burgerrechtelijke gevolgen van de strafrechtelijke veroordelingen enkel de verzekeraar betrokken was, en niet de veroordeelde.

B.3. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de hypothese waarin, nadat het strafgerecht de verzekerde strafrechtelijk heeft veroordeeld, deze niet verder bij de afhandeling van de burgerlijke belangen wordt betrokken, zodat enkel de verzekeraar wordt veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding. In die hypothese zou, volgens de verwijzende rechter, geen rechtsplegingsvergoeding kunnen worden toegekend lastens de verzekeraar.

B.4. Artikel 82, derde lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst bepaalt :

« De verzekeraar betaalt, zelfs boven de dekkingsgrenzen, de kosten betreffende burgerlijke rechtsvorderingen, alsook de honoraria en de kosten van de advocaten en de deskundigen, maar alleen in zover die kosten door hem of met zijn toestemming zijn gemaakt of, in geval van belangenconflict dat niet te wijten is aan de verzekerde, voor zover die kosten niet onredelijk zijn gemaakt ».

B.5. Artikel 89, § 5, van dezelfde wet bepaalt :

« Wanneer het geding tegen de verzekerde is ingesteld voor het strafgerecht, kan de verzekeraar door de benadeelde of door de verzekerde in de zaak worden betrokken en kan hij vrijwillig tussenkomen, onder dezelfde voorwaarden als zou de vordering voor het burgerlijk gerecht gebracht zijn, maar het strafgerecht kan geen uitspraak doen over de rechten die de verzekeraar kan doen gelden tegenover de verzekerde of de verzekeringnemer ».

B.6. Krachtens artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek neemt de politierechtbank kennis van alle vorderingen tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval.

B.7. Aangezien de Politierechtbank oordeelt dat zij, indien zij zitting zou houden in burgerlijke zaken, de verzekeraar zou kunnen veroordelen tot een schadevergoeding en tot de rechtsplegingsvergoeding van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, kan zij, wanneer zij uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvordering terwijl zij zitting houdt in strafzaken, dezelfde veroordelingen uitspreken met toepassing van artikel 89, § 5, van de wet van 25 juni 1992, ook al voorziet artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering niet expliciet in die hypothese (Cass., 4 maart 2009, P.08.1682.F).

B.8. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat het in de prejudiciële vragen vermelde verschil in behandeling niet bestaat.

B.9. De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 25 februari 2010.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.