Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 25 februari 2010 (België)

Publicatie datum :
25-02-2010
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
8 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20100225-6
Rolnummer :
22/2010

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : Artikel 12 van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 24 maart 2003 houdende oprichting van de pedagogische inspectie-begeleiding voor het onderwijs in de Duitstalige Gemeenschap en tot vastlegging van de opdrachten ervan schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en P. Martens, en de rechters A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 25 juni 2009 in zake Jean-Pierre Sterck-Degueldre tegen de Duitstalige Gemeenschap, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 3 juli 2009, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Is er schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat artikel 12 van het decreet van 24 maart 2003 houdende oprichting van de pedagogische inspectiebegeleiding voor het onderwijs in de Duitstalige Gemeenschap en tot vastlegging van de opdrachten ervan de Regering de mogelijkheid biedt om ten hoogste vier personen die aan de in artikel 13 bepaalde voorwaarden voldoen een verlof voor een opdracht in het belang van het onderwijs te verlenen en hen helemaal van hun werkzaamheden vrij te stellen, waarbij zij de bijslag bedoeld in het tweede lid genieten, terwijl een leraar godsdienst die over een vergelijkbare kwalificatie beschikt en aan wie een halftijds verlof in het belang van het onderwijs wordt verleend om een gelijkwaardige opdracht te vervullen, niet onder de toepassingssfeer van artikel 12 valt en bijgevolg geen weddebijslag geniet ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling

B.1.1. Het decreet van 24 maart 2003 houdende oprichting van de pedagogische inspectie-begeleiding voor het onderwijs in de Duitstalige Gemeenschap en tot vastlegging van de opdrachten ervan (hierna : het decreet van 24 maart 2003) richt een pedagogische inspectie-begeleiding op voor het door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerde, gesubsidieerde en erkende basis-, secundair en hoger onderwijs alsmede voor de voortgezette schoolopleiding. De pedagogische inspectie-begeleiding vervult de in de artikelen 4 tot 6 van het voormelde decreet bepaalde controle- en begeleidingsopdrachten.

B.1.2. Luidens artikel 3 van het decreet is de pedagogische inspectie-begeleiding samengesteld uit vier tot zes pedagogisch inspecteurs-adviseurs. De Regering van de Duitstalige Gemeenschap legt het aantal vast.

B.1.3.1. De artikelen 12 tot 21 van het decreet voorzien, bij wijze van overgangsbepalingen, in een regeling voor de selectie en de aanwijzing van een aantal personeelsleden die een verlof voor een opdracht in het belang van het onderwijs kunnen verkrijgen om de opdrachten van de pedagogische inspectie-begeleiding te vervullen.

B.1.3.2. Artikel 12 van het decreet, zoals gewijzigd bij artikel 41 van het decreet van 30 juni 2003 houdende dringende maatregelen inzake onderwijs 2003 en bij artikel 68 van het decreet van 26 juni 2006 houdende maatregelen inzake onderwijs 2006, bepaalt :

« Om de in de artikelen 4 tot 6 bepaalde opgaven te vervullen kan de Regering, tot de inwerkingtreding van een decreet dat de uitoefening van het ambt als pedagogisch inspecteur-adviseur in de vorm van een mandaat vastlegt of ten laatste tot het einde van het schooljaar 2008-2009, ten hoogste vijf personen die aan de in artikel 13 bepaalde voorwaarden voldoen een verlof voor een opdracht in het belang van het onderwijs verlenen en [hen] helemaal van hun werkzaamheden vrijstellen.

De zo aangewezen personen verkrijgen een weddebijslag. [Die] bijslag is gelijk aan het verschil tussen de jaarwedde vastgelegd overeenkomstig artikel 2 [van] hoofdstuk IB van het koninklijk besluit van 27 juni 1974, gewijzigd bij artikel 11 van voorliggend decreet, en de jaarwedde waarop zij recht hebben voor het ambt waarin zij vastbenoemd zijn ».

B.1.3.3. Artikel 13 van het decreet bepaalt :

« De personeelsleden mogen het verlof voor een opdracht in het belang van het onderwijs verkrijgen, als zij aan de volgende voorwaarden voldoen :

1° burger van de Europese Unie zijn; afwijkingen kunnen worden toegestaan door de Regering;

2° een gedrag hebben dat overeenstemt met de vereisten van de betrekking;

3° de burgerlijke en politieke rechten genieten;

4° aan de dienstplichtwetten hebben voldaan;

5° in het Gemeenschapsonderwijs, het gesubsidieerd vrij onderwijs of het gesubsidieerd officieel onderwijs, sinds ten minste 10 jaar titularis zijn van een ambt van de categorie bestuurs- en onderwijzend personeel, waaronder ten minste twee jaar met een benoeming of aanstelling in vast verband, waarbij de vaste benoeming of aanstelling voor een volledig uurrooster heeft plaatsgevonden;

6° houder zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs bepaald door de Regering voor het ambt bedoeld onder punt 5° of, wat het gesubsidieerd onderwijs betreft, houder zijn van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs van groep A voor het ambt bedoeld onder punt 5°;

7° voor de selectieprocedure geslaagd zijn ».

B.1.3.4. Artikel 21 van het decreet bepaalt :

« In afwijking van artikel 13, 7°, kan de Regering de personeelsleden van de categorie bestuurs- en onderwijzend personeel van het Gemeenschapsonderwijs, van het gesubsidieerd officieel onderwijs of van het gesubsidieerd vrij onderwijs die, bij de inwerkingtreding van voorliggend decreet, al ermee belast zijn de opdrachten van een pedagogisch inspecteur-adviseur te vervullen het in artikel 12 bedoeld verlof voor een opdracht in het belang van het onderwijs verlenen, zonder dat de betrokken personeelsleden aan de selectieprocedure moeten deelnemen ».

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag

B.2.1. Volgens de Regering van de Duitstalige Gemeenschap zou de prejudiciële vraag geen antwoord behoeven vermits, enerzijds, de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege niet binnen het toepassingsgebied van het decreet van 24 maart 2003 zou vallen en, anderzijds, de pedagogische inspectie-begeleiding deel uitmaakt van het ministerie van de Duitstalige Gemeenschap.

B.2.2. In beginsel komt het het verwijzende rechtscollege toe na te gaan of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is om het aan dat rechtscollege voorgelegde geschil te beslechten. Slechts wanneer dat klaarblijkelijk niet het geval is, vermag het Hof te beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft.

B.2.3. Het verwijzende rechtscollege ondervraagt het Hof over het feit dat de in het geding zijnde bepaling niet van toepassing is op leerkrachten die belast zijn met een inspectieopdracht in het belang van het onderwijs en die geen lid zijn van de bij het decreet van 24 maart 2003 opgerichte pedagogische inspectie-begeleiding. In tegenstelling tot wat de Regering van de Duitstalige Gemeenschap beweert, behoeft de prejudiciële vraag een antwoord voor het oplossen van het geschil dat voor het verwijzende rechtscollege aanhangig is.

Ten gronde

B.3.1. Het Hof wordt ondervraagd over het verschil in behandeling dat bestaat tussen twee categorieën van personen : enerzijds, de personen aan wie met toepassing van de in het geding zijnde bepaling een verlof voor een opdracht in het belang van het onderwijs wordt verleend teneinde de in de artikelen 4 tot 6 van het decreet van 24 maart 2003 bepaalde controle- en begeleidingsopdrachten van de pedagogische inspectie-begeleiding te vervullen en die luidens het tweede lid van de in het geding zijnde bepaling een weddebijslag genieten en, anderzijds, de personen die worden belast met een inspectieopdracht in het belang van het onderwijs zonder een weddebijslag te genieten.

B.3.2. In de zaak voor het verwijzende rechtscollege is de verzoekende partij een leerkracht katholieke godsdienst die met een opdracht in het belang van het onderwijs werd belast, namelijk met de inspectie van de lessen katholieke godsdienst, en die daartoe halftijds werd vrijgesteld van zijn ambt als leerkracht. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese.

B.4.1. Het ontwerp van decreet dat tot het decreet van 24 maart 2003 heeft geleid, voorzag erin dat de personen die de pedagogische inspectie-begeleiding samenstelden, vast zouden worden benoemd in het ambt van pedagogisch inspecteur-adviseur (Parl. St., Raad van de Duitstalige Gemeenschap, 2002-2003, nr. 117/1, pp. 4 en 18-20). Zij zouden deel uitmaken van het personeel van het gemeenschapsonderwijs en aan het statuut van dat personeel worden onderworpen.

B.4.2. Bij de bespreking van het ontwerp van decreet in de commissie voor onderwijs en opleiding werd evenwel de vraag gesteld of het niet wenselijk zou zijn de pedagogische inspectie-begeleiding te bemannen met personen die slechts voor een beperkte duur zouden worden benoemd (Parl. St., Raad van de Duitstalige Gemeenschap, 2002-2003, nr. 117/4, p. 8). In antwoord hierop verklaarde de minister dat het om een fundamentele hervorming ging die niet in het kader van het ontwerp van decreet kon worden beslecht (ibid. ), mede omdat een reeks statutaire bepalingen diende te worden gewijzigd, met name voor de personen die zouden terugkeren naar een onderwijsopdracht (ibid., p. 9). Desalniettemin werd beslist dat de pedagogisch inspecteurs-adviseurs een in de tijd beperkt mandaat zouden uitoefenen. Gelet op het feit dat de uitwerking van een dergelijk systeem de nodige tijd zou vergen, stelde de minister voor dat, tot het vastleggen van een definitieve regeling van het ambt als pedagogisch inspecteur-adviseur in de vorm van een mandaat, aan de pedagogisch inspecteurs-adviseurs een opdracht in het belang van het onderwijs zou worden verleend en dat de rekruteringsprocedure van die inspecteurs-adviseurs in het decreet zou worden bepaald (ibid., pp. 16-17). Het in het geding zijnde artikel 12 heeft hieraan gevolg gegeven.

B.4.3. Oorspronkelijk was bepaald dat ten hoogste aan vier personen een opdracht in het belang van het onderwijs zou worden verleend teneinde de opdrachten van de pedagogische inspectie-begeleiding te vervullen. Bij artikel 41 van het decreet van 30 juni 2003 houdende dringende maatregelen inzake onderwijs 2003 werd dat maximumaantal opgetrokken tot vijf. Die wijziging werd als volgt verantwoord :

« Het gaat om een noodzakelijke correctie van dat decreet. Het doel bestond erin aan in totaal vijf personeelsleden tijdelijk een bijzondere opdracht van inspecteur-adviseur toe te vertrouwen. Op dit ogenblik hebben reeds twee personeelsleden een dergelijke bijzondere opdracht. Opdat aan drie bijkomende personeelsleden een bijzondere opdracht kan worden verleend, moet het maximumaantal waarin artikel 12 voorziet, worden opgetrokken van vier naar vijf » (Parl. St., Raad van de Duitstalige Gemeenschap, 2002-2003, nr. 135/2, p. 11).

B.4.4. De mogelijkheid om een opdracht in het belang van het onderwijs te verlenen teneinde de opdrachten van de pedagogische inspectie-begeleiding te vervullen, was oorspronkelijk beperkt tot het einde van het schooljaar 2005-2006. Artikel 68 van het decreet van 26 juni 2006 houdende maatregelen inzake onderwijs 2006 heeft die mogelijkheid verlengd tot het einde van het schooljaar 2008-2009. Die verlenging werd als volgt verantwoord :

« Het feit dat de discussie in verband met de uitoefening van het ambt van pedagogisch inspecteur-adviseur nog niet was afgerond, maakte het volgens de verklaring van de minister noodzakelijk de bijzondere opdrachten van de thans in functie zijnde inspecteurs-adviseurs te verlengen, die krachtens artikel 12 van het decreet van 24 maart 2003 beperkt waren tot het einde van het schooljaar 2005-2006 » (Parl. St., Parlement van de Duitstalige Gemeenschap, 2005-2006, nr. 54/9, p. 13).

B.4.5. Wat de weddebijslag betreft, die de op grond van de in het geding zijnde bepaling aangewezen personen krijgen, werd in de parlementaire voorbereiding het volgende verklaard :

« De geldelijke regeling stemt overeen met die welke geldt voor de tot dusver in functie zijnde inspecteurs » (Parl. St., Raad van de Duitstalige Gemeenschap, 2002-2003, nr. 117/4, p. 19).

B.5.1. In het door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerde, gesubsidieerde en erkende basis-, secundair en hoger onderwijs alsmede in de voortgezette schoolopleiding vervangt het ambt van pedagogisch inspecteur-adviseur alle bestaande ambten van inspecteur, met name de ambten van kantonnale inspecteur, kantonnale adjunct-inspecteur, inspecteur algemene vakken en inspecteur bijzondere vakken, met uitzondering van het ambt van inspecteur godsdienst en inspecteur zedenleer.

B.5.2. De inspectie godsdienst en de inspectie zedenleer vallen immers niet onder het toepassingsgebied van het decreet van 24 maart 2003. Artikel 9, vierde en vijfde lid, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving bepaalde hieromtrent :

« De inspectie van de godsdienstcursussen in de onderwijsinrichtingen van de Staat wordt verricht door de afgevaardigden van de hoofden der erediensten, die door de Minister van Openbaar onderwijs op voordracht van de hoofden van de betrokken erediensten worden benoemd.

In de andere officiële onderwijsinrichtingen wordt de inspectie van het godsdienstonderricht verricht door de afgevaardigden van de hoofden der erediensten. Die afgevaardigden vervullen hun opdracht onder de bij koninklijk besluit te bepalen voorwaarden ».

Artikel 2 van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 26 juni 2006 houdende maatregelen inzake onderwijs 2006 heeft het vierde lid van die bepaling als volgt vervangen :

« In de inrichtingen van het gemeenschapsonderwijs wordt de inspectie van het godsdienstonderricht door personeelsleden uitgevoerd die [van] de Regering op de voordracht van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst, indien ze bestaat, een verlof in het belang van het onderwijs verkrijgen ».

B.5.3. Artikel 31 van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke, protestantse, israëlitische, orthodoxe, islamitische en anglicaanse godsdienst der onderwijsinrichtingen van de Duitstalige Gemeenschap, zoals vervangen bij artikel 25 van het voormelde decreet van 26 juni 2006, bepaalt :

« Op de voordracht van de bevoegde instantie voor de betrokken eredienst - indien ze bestaat - kent de Regering een verlof in het belang van het onderwijs met het oog op de uitvoering van inspectieopdrachten aan de leraar godsdienst toe die aan volgende voorwaarden voldoet :

1° hij is vastbenoemd;

2° hij telt een dienstanciënniteit van ten minste vijf jaar, waarvan ten minste drie in het gemeenschapsonderwijs gepresteerd werden;

3° hij heeft in zijn laatste evaluatieverslag ten minste de vermelding « goed » verkregen; bij gebrek aan een evaluatieverslag, wordt deze voorwaarde geacht vervuld te zijn.

De duur van dit verlof beloopt ten hoogste 5 jaar. Een verlenging van het verlof is mogelijk, waarbij de maximale duur opnieuw 5 jaar beloopt ».

B.5.4. De Regering van de Duitstalige Gemeenschap bepaalt het aantal uren van het verlof in het belang van het onderwijs met het oog op de uitvoering van de inspectie van de cursussen godsdienst met inachtneming van de volgende regels :

« 1° de Regering houdt rekening met het aantal voltijdse betrekkingen (voltijds equivalenten) die in de betrokken godsdienst toegekend worden;

2° het aantal mag niet hoger liggen dan de helft van het aantal uren van een voltijdse betrekking » (artikel 116 van het voormelde decreet van 26 juni 2006).

B.5.5. Luidens artikel 117 van hetzelfde decreet verkrijgen de personeelsleden aan wie verlof in het belang van het onderwijs wordt verleend met het oog op de uitvoering van de inspectie van de cursussen godsdienst, een toelage die als volgt wordt bepaald :

« De toelage stemt overeen met het onderscheid tussen A en B.

A is de wedde die het personeelslid zou genieten als overeenkomstig artikel 2, hoofdstuk I B, van het koninklijk besluit van 27 juni 1974 waarbij op 1 april 1972 worden vastgesteld de schalen verbonden aan de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel bij de Rijksonderwijsinrichtingen, aan de ambten van de leden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen en aan de ambten van de leden van de inspectiedienst van het schriftelijk onderwijs en van het gesubsidieerd lager onderwijs, en de schalen verbonden aan de graden van het personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Staat, op hem de weddeschaal 475, indien het ten minste houder is van een diploma van het hoger onderwijs van de tweede graad, resp. de weddeschaal 190/1, indien het niet houder is van dat diploma, toepasselijk zou zijn.

B is de wedde waarop het personeelslid als vastbenoemd leermeester of leraar godsdienst recht heeft ».

Die bepaling is in werking getreden op 1 september 2006 (artikel 120, vierde lid, van het decreet van 26 juni 2006).

B.5.6. De bepalingen in het decreet van 26 juni 2006 die betrekking hebben op de inspectie van de cursussen godsdienst werden als volgt verantwoord :

« Met het amendement 54 nr. 3 wordt tevens artikel 9, vierde lid, van de voormelde wet van 29 mei [1959] in die zin gewijzigd dat, in het gemeenschapsonderwijs, personeelsleden in het kader van verlof in het belang van het onderwijs, op soortgelijke wijze als de inspecteurs-adviseurs, met de inspectie van het godsdienstonderwijs worden belast door de Regering en in overleg met de bevoegde instantie van de betrokken eredienst. De minister verantwoordde die nieuwe regeling door erop te wijzen dat het huidige systeem, dat van 1971 dateert en dat voorziet in een benoeming in het kader van een voltijdse betrekking, volkomen inadequaat is op het niveau van de Duitstalige Gemeenschap. Voor de bijzondere opdracht van de inspecteurs godsdienst, waarin thans is voorzien, zal de Regering het aantal uren van de opdracht bepalen door rekening te houden met het aantal voltijdse betrekkingen (voltijdse equivalenten) die voor de desbetreffende godsdienst worden toegekend. Bovendien mag de opdracht in geen geval meer dan de helft van een volledig uurrooster bestrijken. Aan het personeelslid wordt een weddebijslag verleend » (Parl. St., Parlement van de Duitstalige Gemeenschap, 2005-2006, nr. 54/9, p. 20).

B.6.1. Artikel 1, 2°, van het besluit van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap van 12 april 1995 houdende toekenning van een premie aan bepaalde opdrachthouders in het onderwijs bepaalde dat de opdrachthouders die als pedagogisch inspecteur werkzaam zijn een maandelijkse premie van 14 000 frank ontvangen.

B.6.2. Die bepaling had een algemene draagwijdte : ze gold voor opdrachthouders die als pedagogisch inspecteur werkzaam waren, met inbegrip van de inspecteurs godsdienst.

B.6.3. Ofschoon de voormelde bepaling niet werd opgeheven, dient te worden aangenomen dat ze sinds de inwerkingtreding van de in het geding zijnde bepaling niet langer van toepassing is.

B.7.1. De in B.3.1 vermelde categorieën van personen bevinden zich in een vergelijkbare administratieve toestand : de inspecteurs godsdienst verkrijgen een verlof in het belang van het onderwijs, terwijl aan de inspecteurs-adviseurs een verlof voor een opdracht in het belang van het onderwijs wordt verleend. Tot vóór de inwerkingtreding van de in het geding zijnde bepaling genoten beide categorieën de premie waarin artikel 1, 2°, van het voormelde besluit van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap van 12 april 1995 voorzag.

B.7.2. Zij oefenen ook een vergelijkbare opdracht uit, met name, enerzijds, de controleopdrachten bepaald in artikel 4 van het decreet van 24 maart 2003 en, anderzijds, de inspectie van het godsdienstonderricht.

B.7.3. Het feit dat de personeelsleden aan wie een verlof voor een opdracht in het belang van het onderwijs wordt verleend om de opdrachten van de pedagogische inspectie-begeleiding te vervullen luidens artikel 13, 7°, van het decreet van 24 maart 2003 voor een selectieprocedure geslaagd moeten zijn, wat niet het geval is voor de inspecteurs godsdienstonderricht, kan het verschil in behandeling niet verantwoorden. Artikel 21 van datzelfde decreet bepaalt immers dat de Regering de personeelsleden die, bij de inwerkingtreding van het decreet, al ermee belast zijn de opdrachten van een pedagogisch inspecteur-adviseur te vervullen het in artikel 12 bedoeld verlof voor een opdracht in het belang van het onderwijs kan verlenen, zonder dat de betrokken personeelsleden aan de selectieprocedure moeten deelnemen.

B.7.4. Overigens heeft de decreetgever met het decreet van 26 juni 2006 zelf erkend dat de personeelsleden aan wie verlof in het belang van het onderwijs wordt verleend met het oog op de uitvoering van de inspectie van de cursussen godsdienst op dezelfde wijze dienen te worden behandeld als de personen aan wie, met toepassing van de in het geding zijnde bepaling, een verlof voor een opdracht in het belang van het onderwijs wordt verleend om de opdrachten van de pedagogische inspectie-begeleiding te vervullen.

B.7.5. Hieruit vloeit voort dat het niet redelijk is verantwoord dat, tot de inwerkingtreding van artikel 117 van het decreet van 26 juni 2006, de personeelsleden aan wie verlof in het belang van het onderwijs werd verleend met het oog op de uitvoering van de inspectie van de cursussen godsdienst, niet de weddebijslag ontvingen die de personen aan wie een verlof in het belang van het onderwijs werd verleend om de opdrachten van de pedagogische inspectie-begeleiding te vervullen luidens de in het geding zijnde bepaling verkregen.

B.8. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 12 van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 24 maart 2003 houdende oprichting van de pedagogische inspectie-begeleiding voor het onderwijs in de Duitstalige Gemeenschap en tot vastlegging van de opdrachten ervan schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 25 februari 2010.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

M. Bossuyt