Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 25 september 2014 (België)

Publicatie datum :
25-09-2014
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20140925-6
Rolnummer :
137/2014

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, en de rechters J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, P. Nihoul en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 1 oktober 2013 in zake M.M. tegen H.L., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 24 oktober 2013, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 43 van de wet van 11.6.1874 inzake verzekeringen de art. 10-11 van de Grondwet aldus geïnterpreteerd dat het tot gevolg heeft dat wanneer twee echtgenoten gehuwd zijn onder een stelsel van gemeenschap van goederen en één van hen aangesloten is bij een groepsverzekering aangegaan door diens werkgever en/of begunstigde is van een pensioentoezegging van zijn werkgever dit niet voor de echtgenoot van de titularis van de groepsverzekering een kapitaal oplevert maar enkel voor de aangesloten echtgenoot wanneer deze de overeengekomen leeftijd bereikt en derhalve dat kapitaal hem eigen is en slechts aanleiding tot vergoeding als de premiesbetalingen die ten laste van het gemeenschappelijk vermogen zijn gedaan kennelijk de mogelijkheden ervan te boven gaan ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 43 van de wet van 11 juni 1874 betreffende de verzekeringen, dat bepaalt :

« De som die volgens de overeenkomst moet worden uitgekeerd bij overlijden van de verzekerde, komt toe aan de persoon aangewezen in de overeenkomst, behoudens toepassing van de regels van het burgerlijk recht betreffende de inbreng en de inkorting, ten aanzien van de stortingen die de verzekerde heeft gedaan.

Deze regels zijn niet van toepassing op stortingen door de ene echtgenoot gedaan om ten behoeve van de andere een levensverzekering of een lijfrente te vestigen, behoudens wanneer zij kennelijk overdreven zijn, gelet op de mogelijkheden van de verzekeringnemer.

Ingeval de echtgenoten gehuwd waren onder een stelsel van gemeenschap van goederen is, ook al is het kapitaal of de rente eigendom van de begunstigde echtgenoot, geen vergoeding verschuldigd aan het gemeenschappelijk vermogen uit hoofde van stortingen gedaan door de verzekerde, tenzij die kennelijk overdreven zijn, gelet op de mogelijkheden van de verzekeringnemer ».

B.2. Het Hof wordt verzocht de bestaanbaarheid te toetsen van artikel 43 van de wet van 11 juni 1874 betreffende de verzekeringen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de interpretatie dat, wanneer twee echtgenoten gehuwd zijn onder een stelsel van gemeenschap van goederen, het kapitaal van de groepsverzekering die de werkgever van één van hen aangaat ten voordele van zijn werknemer, eigen is.

Het aan het verwijzende rechtscollege voorgelegde geschil heeft betrekking op een groepsverzekering/pensioenplan die een werkgever heeft gesloten ten gunste van zijn werknemer voor de periode van 1 juni 1974 tot 31 mei 2009. De huwelijksgemeenschap werd ontbonden tijdens die periode en vóór de inwerkingtreding van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst. Het kapitaal werd uitgekeerd na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap aan de gewezen echtgenoot die de werknemer is ten voordele van wie de groepsverzekering was afgesloten.

Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese.

B.3.1. De verwijzende rechter meent dat artikel 43 van de wet van 11 juni 1874 van toepassing is op het bodemgeschil.

B.3.2. Het staat in beginsel aan de verwijzende rechter om na te gaan of het nuttig is aan het Hof een prejudiciële vraag te stellen over een bepaling die hij van toepassing acht op het geschil. Slechts wanneer dit klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof de vraag onontvankelijk verklaren.

B.3.3. Bij zijn arrest van 27 juni 1986 (Arr. Cass., 1986, nr. 680), heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat artikel 43, derde lid, van de wet van 11 juni 1874 betreffende de verzekeringen niet van toepassing is wanneer één van de echtgenoten tijdens het huwelijk een levensverzekering heeft afgesloten in de vorm van een groepsverzekering die voorziet in de uitbetaling van een kapitaal bij overlijden of bij leven, tijdens het huwelijk premies werden betaald met gelden van de gemeenschap, het huwelijk door echtscheiding werd ontbonden en de verzekeringnemer, na ontbinding van het huwelijk, zijn recht van afkoop uitoefent. Die bepaling is slechts van toepassing in het geval van de storting van een som waarvan is bepaald dat zij bij het overlijden van de verzekerde aan diens echtgenoot betaalbaar is. Het Hof van Cassatie oordeelde met name :

« Overwegende echter dat het arrest vaststelt dat eiser vervroegde uitbetaling van het kapitaal bekomt ingevolge uitoefening van zijn recht tot aankoop; dat hieruit volgt dat, nu het ten deze niet gaat om de uitkering van 'de bedongen som die betaalbaar is bij het overlijden van de verzekerde' aan zijn echtgenote, de voorwaarden voor de toepassing van artikel 43 van de wet van 11 juni 1874 op de verzekeringen, als aangevuld bij artikel 44 van hoofdartikel 4 van de wet van 14 juli 1976, niet aanwezig zijn ».

B.4. Om de redenen uiteengezet in het voormelde arrest is artikel 43 van de wet van 11 juni 1874 klaarblijkelijk niet van toepassing op het bodemgeschil.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.

Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 25 september 2014.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

A. Alen