Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 28 mei 2015 (België)

Publicatie datum :
28-05-2015
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
9 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20150528-5
Rolnummer :
76/2015

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : Artikel 19, §§ 1 en 5, van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

a. Bij vonnis van 11 april 2014 in zake de cvba « Palasi » tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 28 mei 2014, heeft de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 19, §§ 1 en 5, van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het de burgerrechtelijk aansprakelijke niet betrekt in de procedures die strekken tot bestraffing van zijn aangestelde ? ».

b. Bij vonnis van 23 mei 2014 in zake de bvba « Gardiennage, Protection, Dissuasion, Surveillance » (G.D.P.S.) tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 26 juni 2014, heeft de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel dezelfde prejudiciële vraag gesteld.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5908 en 5943 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 19 van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid (hierna : de wet van 10 april 1990), zoals het van toepassing was op de feiten die bij de verwijzende rechter aanhangig zijn gemaakt, bepaalde :

« § 1. Aan elke natuurlijke of rechtspersoon, die de bepalingen van de wet of haar uitvoeringsbesluiten niet naleeft, kan :

1° een waarschuwing worden gericht waarbij de overtreder tot de stopzetting van deze handeling wordt aangemaand;

2° of een minnelijke schikking worden voorgesteld die 30 % bedraagt van het bedrag van het administratieve geldboete, bedoeld onder 3°, zonder evenwel lager te zijn dan 100 euro. De betaling van de minnelijke schikking doet de procedure tot het opleggen van een administratieve geldboete vervallen;

3° of een administratieve geldboete worden opgelegd van 100 euro tot 25.000 euro, met dien verstande [dat] de administratieve geldboete in geval van inbreuken [op] bepalingen, bedoeld in of krachtens :

- artikel 2, § 1 of artikel 4, begrepen is tussen 12.500 euro en 25.000 euro;

- artikel 1, § 1, tweede lid, vierde lid of zesde artikel 2, § 2, artikel 3, artikel 9, § 4, artikel 11, § 1, of artikel 15, begrepen is tussen 7.500 euro en 15.000 euro;

- artikel 8, uitgezonderd § 3, artikel 10, artikel 11, uitgezonderd § 1, artikel 16, tweede lid, of een van de artikelen 13.1 tot en met 13.14, begrepen is tussen 2.500 euro en 10.000 euro;

- artikel 5, eerste lid, 1°, 5° of 8°, artikel 6, eerste en 8°, artikel 4bis, artikel 8, § 3, artikel 9, artikel 14, artikel 20, begrepen tussen 1.000 euro en 2.500 euro;

- artikel 6, eerste lid, 5°, begrepen tussen 500 euro en 1.000 euro.

De toepasbare tarieven van de administratieve geldboetes worden :

1° met de helft vermeerderd indien binnen de drie jaar, nadat door de overtreder een minnelijke schikking werd aanvaard, zoals bedoeld in het eerste lid, 2°, een inbreuk op dezelfde bepaling, als deze die aanleiding gaf tot de minnelijke schikking, wordt vastgesteld;

2° verdubbeld indien de overtreding binnen de drie jaar, nadat een administratieve geldboete werd opgelegd, wordt vastgesteld;

3° verdubbeld indien de overtreding wordt vastgesteld, nadat zij eerder werd vastgesteld in de omstandigheid dat de staking van de handeling bevolen was in het kader van artikel 16, derde lid.

Bij samenloop van inbreuken worden de tarieven samengeteld, waarbij het totale bedrag het maximumbedrag, bedoeld in het eerste lid, 3°, niet mag overschrijden.

De bevoegde ambtenaar, bedoeld in § 2, eerste lid, kan, wanneer er verzachtende omstandigheden zijn, een administratieve geldboete onder de in het eerste lid, 3°, vermelde minimumbedragen opleggen, zonder dat de geldboete lager mag zijn dan 70 % van deze minimumbedragen.

[...]

§ 5. De bevoegde ambtenaar, bedoeld in § 2, eerste lid, beslist tot het opleggen van een administratieve geldboete na degene die de wet schendt in de gelegenheid te hebben gesteld zijn verweermiddelen voor te dragen.

De beslissing bepaalt het bedrag van de geldboete en wordt met redenen omkleed.

Zij wordt bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van degene die de wet schendt, alsmede van de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die burgerrechtelijk aansprakelijk is voor het betalen van de administratieve geldboete. Er wordt een verzoek aan toegevoegd de geldboete te betalen binnen de termijn bepaald door de Koning. Na het verstrijken van deze termijn is een nalatigheidsintrest, gelijk aan de wettelijke intrestvoet, verschuldigd.

De in artikel 1 bedoelde natuurlijke personen of rechtspersonen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor het betalen van de administratieve geldboete die aan hun bestuurders, leden van het leidinggevend en uitvoerend personeel, aangestelden of lasthebbers wordt opgelegd.

Indien zij geen exploitatiezetel hebben in België, stellen (de ondernemingen, de instellingen en de ondernemingen die een dienst organiseren) een op eerste verzoek uitvoerbare bankwaarborg ten belope van een som van EUR 12 500,00 als waarborg tot betaling van de retributies en de administratieve geldboetes. Deze bankwaarborg moet kunnen aangesproken worden door de Belgische overheid. De Koning bepaalt de modaliteiten en de procedure tot het stellen van deze bankwaarborg, de wijze waarop de overheid beroep doet op deze bankwaarborg en de aanvulling ervan.

Degene aan wie een administratieve geldboete werd opgelegd of de burgerrechtelijk aansprakelijke persoon kan binnen de door de Koning bepaalde termijn voor de betaling van de geldboete bij verzoekschrift voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel de toepassing van de administratieve geldboete betwisten. Dit beroep schorst de uitvoering van de beslissing.

Het beroep waarbij de toepassing van de administratieve geldboete wordt betwist, is slechts ontvankelijk indien een kopie van het verzoekschrift uiterlijk op de datum van neerlegging van het verzoekschrift bij de rechtbank tevens bij ter post aangetekende brief wordt gezonden aan de bevoegde ambtenaar, bedoeld in § 2, eerste lid.

De rechtbank kan, wanneer verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, het bedrag van een opgelegde administratieve geldboete onder de in artikel 19, § 1, eerste lid, 3°, vermelde minimumbedragen verminderen, zonder dat de geldboete lager mag zijn dan 70 % van deze minimumbedragen.

Tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg is geen hoger beroep mogelijk.

Indien degene aan wie een administratieve geldboete werd opgelegd of de burgerrechtelijk aansprakelijke persoon in gebreke blijft om binnen de gestelde termijn de geldboete te betalen en zijn beroepsmogelijkheid, zoals bepaald in het eerste lid, is uitgeput, heeft de beslissing tot het opleggen van een administratieve sanctie uitvoerbare kracht, en :

1° verzoekt de bevoegde ambtenaar, bedoeld in § 2, eerste lid, per aangetekend schrijven de kredietinstelling die de bankwaarborg verleende aan diegene die de wet schendt of de burgerrechtelijk aansprakelijke persoon, over te gaan tot betaling van het bedrag van de geldboete;

2° bij afwezigheid van bankwaarborg, vaardigt de bevoegde ambtenaar, bedoeld in § 2, eerste lid, een dwangbevel uit waarop de bepalingen van het Vijfde Deel van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing zijn.

Er kan geen administratieve geldboete worden opgelegd drie jaar na het feit dat de bij § 1 bedoelde schending oplevert.

[...] ».

B.2.1. De verwijzende rechter vraagt het Hof of artikel 19, §§ 1 en 5, van de voormelde wet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het de burgerrechtelijk aansprakelijke niet betrekt in de procedures die strekken tot bestraffing van zijn aangestelde.

Uit de verwijzingsbeslissingen blijkt dat de kritiek betrekking heeft op een verschil tussen de burgerrechtelijk aansprakelijke werkgever en de bestrafte aangestelde, enerzijds doordat de burgerrechtelijk aansprakelijke niet in kennis wordt gesteld van het voorstel tot minnelijke schikking, maar alleen van de uitgesproken geldboete en, anderzijds doordat de administratie in geen enkel opzicht verplicht is de burgerrechtelijk aansprakelijke te horen tijdens de fase van de procedure die kan worden beëindigd met het opleggen van een geldboete.

B.2.2. Om de prejudiciële vragen te beantwoorden, dient te worden bepaald of de burgerrechtelijk aansprakelijke werkgever en de aangestelde die een overtreding heeft begaan, zich in een vergelijkbare situatie bevinden, wat de administratieve procedure betreft die strekt tot de bestraffing van de aangestelde.

B.3.1. De in artikel 19, § 1, bedoelde geldboeten hebben tot doel de inbreuken te voorkomen en te bestraffen die worden begaan door vennootschappen die actief zijn op het vlak van de private en bijzondere veiligheid - of door hun personeelsleden - en waarbij de door de in het geding zijnde wet opgelegde verplichtingen niet in acht worden genomen.

Die verplichtingen bestaan onder meer in het optreden binnen de wettelijke grenzen, het beschikken over de vereiste vergunningen, erkenningen en verzekeringen, het optreden binnen de vergunde grenzen, het verstrekken van inlichtingen over hun activiteiten aan de gerechtelijke en administratieve overheden en het naleven van de algemene en bijzondere uitoefeningsvoorwaarden.

Personen die werken voor rekening van de ondernemingen, diensten en instellingen die onder het toepassingsgebied van de wet vallen, moeten onder meer voldoen aan de uitoefeningsvoorwaarden waarin artikel 6 van de wet van 10 april 1990 voorziet; zij moeten eveneens, overeenkomstig artikel 10 van dezelfde wet, aan de rechterlijke instanties, telkens als deze erom verzoeken, onverwijld alle inlichtingen meedelen over misdrijven waarvan zij tijdens of naar aanleiding van de uitoefening van hun activiteiten kennis krijgen.

B.3.2. De bewakingsondernemingen en interne bewakingsdiensten beschikken over belangrijke bevoegdheden zowel wat betreft de controle en de bewaking van personen, in voorkomend geval, op voor het publiek toegankelijke plaatsen, als wat betreft de vaststelling van administratieve inbreuken. Bovendien zijn de vergunningen tot het voorhanden hebben en tot het dragen van wapens voor de interne bewakingsdiensten en hun personeel onderworpen aan bepalingen die afwijken van het gemeen recht (artikel 8, § 2).

De personen die werken in dienst of voor rekening van een bewakingsonderneming of interne bewakingsdienst, kunnen onder bepaalde voorwaarden overgaan tot de controle van de kledij en de goederen van personen en kunnen zich identiteitsdocumenten laten voorleggen of laten overhandigen, controleren, kopiëren of inhouden (artikel 8, §§ 6bis tot 6quater en § 11). Zij kunnen hun bevoegdheden slechts uitoefenen voor zover die krachtens een wet niet uitsluitend zijn voorbehouden aan vertegenwoordigers van het openbaar gezag (artikel 8, § 8, tweede lid).

B.3.3. Zoals in de parlementaire voorbereiding van de wet van 7 mei 2004 « tot wijziging van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten, de wet van 29 juli 1934 waarbij private milities verboden worden en de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privé-detective » wordt onderstreept, bestond de doelstelling van de wetgever erin « een juridische basis [te creëren] om bepaalde activiteiten die vandaag door de politiediensten worden uitgeoefend, doch die niet tot hun kernactiviteiten behoren en bepaalde, doorheen de jaren ontstane, hybride situaties van privaat toezicht toe te vertrouwen aan de private veiligheidssector » (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-2328/001, p. 4).

B.4. Artikel 19 van de wet van 10 april 1990 voert een mechanisme van administratieve sancties in in geval van overtredingen van de wet van 10 april 1990 of de uitvoeringsbesluiten ervan.

Krachtens die bepaling kan de bevoegde ambtenaar hetzij een waarschuwing richten aan de overtreder (artikel 19, § 1, eerste lid, 1°), hetzij hem een minnelijke schikking voorstellen die 30 pct. bedraagt van het bedrag van de administratieve geldboete, waarvan de betaling de procedure tot het opleggen van een administratieve geldboete doet vervallen (artikel 19, § 1, eerste lid, 2°), hetzij een administratieve geldboete opleggen (artikel 19, § 1, eerste lid, 3°, en tweede lid en volgende), na diegene die de wet schendt in de gelegenheid te hebben gesteld zijn verweermiddelen voor te dragen (artikel 19, § 5, eerste lid) en eventueel rekening houdend met verzachtende omstandigheden die hem toelaten een geldboete onder de minimumbedragen op te leggen, zonder dat de geldboete lager mag zijn dan 70 pct. van deze minimumbedragen (artikel 19, § 1, vierde lid).

De natuurlijke personen of rechtspersonen die activiteiten inzake private veiligheid uitoefenen in de zin van artikel 1 van de wet van 10 april 1990, zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor het betalen van de administratieve geldboete die aan hun aangestelden wordt opgelegd (artikel 19, § 5, vierde lid) en moeten, om onder meer de betaling van die boetes te waarborgen, een bankwaarborg stellen (artikel 19, § 5, vijfde lid).

Wanneer een administratieve geldboete wordt opgelegd, wordt zij bij aangetekende brief ter kennis gebracht van diegene die de wet schendt, maar ook van de persoon die burgerrechtelijk aansprakelijk is (artikel 19, § 5, derde lid) en die, net zoals diegene aan wie een administratieve geldboete wordt opgelegd, een schorsend beroep kan instellen tegen de toepassing van de administratieve geldboete voor de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (artikel 19, § 5, zesde lid); tegen het vonnis van de Rechtbank is geen hoger beroep mogelijk (artikel 19, § 5, negende lid).

De Rechtbank kan, indien zij oordeelt dat er verzachtende omstandigheden zijn, het bedrag van de opgelegde administratieve geldboete verminderen zonder dat de geldboete lager mag zijn dan 70 pct. van de minimumbedragen (artikel 19, § 5, achtste lid, ingevoegd bij de wet van 28 april 2010).

B.5.1. Vóór de wijziging ervan bij artikel 56 van de wet van 28 april 2010, sloot artikel 19, § 1, eerste lid, van de wet van 10 april 1990 de inbreuken die strafrechtelijk werden bestraft krachtens artikel 18 van diezelfde wet, dat bij de wet van 28 april 2010 werd opgeheven, uitdrukkelijk van zijn toepassingssfeer uit. Daaruit volgt dat eenzelfde niet-nakoming van de voormelde wet van 10 april 1990 niet zowel strafrechtelijk als administratief kon worden bestraft.

B.5.2. Met betrekking tot de administratieve geldboeten werd in de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde wet gepreciseerd :

« Naast de sancties bedoeld in artikel 17, en de straffen bedoeld in artikel 18, moet vooral het opleggen van administratieve geldboeten de naleving van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten verzekeren. Administratieve geldboetes hebben geen invloed op het strafregister, tasten de eer in veel mindere mate aan, en zullen bijgevolg soepeler opgelegd worden dan eigenlijke straffen.

Indien het bedrag van de boete evenwel hoog genoeg is, zal het afschrikkend effect ervan onmiskenbaar zijn » (Parl. St., Senaat, 1988-1989, nr. 775/1, p. 20).

De in artikel 17 van de wet bedoelde sancties zijn de intrekking of de schorsing, door de bevoegde minister, van de vergunning of erkenning en de intrekking van de identificatiekaart bedoeld in artikel 8, § 3; de straffen waarin artikel 18 van de wet voorzag, werden opgeheven bij de voormelde wet van 28 april 2010, waardoor de inbreuken op de wet van 10 april 1990 enkel nog het voorwerp kunnen uitmaken van administratieve sancties.

De in de in het geding zijnde bepaling bedoelde administratieve geldboeten zijn strafrechtelijk van aard in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.6.1. In zijn oorspronkelijke versie voorzag artikel 19 van de wet van 10 april 1990, als administratieve sanctie, enkel in een administratieve geldboete.

Verschillende wetgevingen hebben geleidelijk de mogelijkheid tot individualisering van die sanctie ingevoerd.

B.6.2. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 7 mei 2004, die de mogelijkheid invoerde om aan de overtreder een waarschuwing te richten, wordt die wijziging als volgt verantwoord :

« De wet voorziet slechts in een soort sancties, namelijk geldboetes. Er bestaat geen lichtere sanctiemogelijkheid. Er bestaat ook geen zwaardere voor hen die, ondanks de geldboetes, in hun overtreding volharden. Benadeelden en beroepsorganisaties zijn van hun kant ook afhankelijk van de resultaten van de overheidscontrole.

Daarom wordt voorgesteld de sanctiemogelijkheid te diversifiëren op een wijze die volledig is geïnspireerd op de economische reglementering en de sanctiemogelijkheid van economische inspectie. Dit gebeurt door het invoeren van de waarschuwing (artikel 19, § 1, 1° en § 4).

De invoering van de mogelijkheid tot waarschuwing belet niet dat een inbreuk onmiddellijk wordt beteugeld met een administratieve geldboete. Toch kan het voorkomen dat het opleggen van een geldboete in eerste instantie, [...] zelfs helemaal ongepast is als maatregel, terwijl het ook niet aangewezen is om geen actie te ondernemen. Er is geen beroep mogelijk tegen dergelijke waarschuwing. Er is hier immers geen sprake van een echte sanctie » (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-2328/001 en 2329/001, pp. 44-45).

B.6.3. Artikel 494 van de programmawet van 27 december 2004 heeft vervolgens, in de in het geding zijnde bepaling, de mogelijkheid van een voorstel tot minnelijke schikking ingevoerd, waarvan de betaling de procedure tot het opleggen van de administratieve geldboete doet vervallen.

B.6.4. Bij zijn arrest nr. 42/2009 van 11 maart 2009 heeft het Hof geoordeeld dat de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schond, maar uitsluitend in zoverre artikel 19, § 1, van de wet van 10 april 1990, zoals gewijzigd bij de wet van 2 september 2005, de minima van de administratieve geldboeten vaststelt op veel hogere bedragen dan die van de strafrechtelijke geldboeten, zonder dat artikel 19, § 5, zesde lid, van dezelfde wet de rechter toelaat de administratieve geldboeten te verminderen tot onder de in de wet vastgestelde minima.

B.6.5. Teneinde rekening te houden met dat arrest heeft de wet van 28 april 2010 de strafrechtelijke sancties waarin artikel 18 van de wet van 10 april 1990 voorzag, afgeschaft en de mogelijkheid ingevoerd, zowel voor de administratie als voor de rechter in hoger beroep, om rekening te houden met verzachtende omstandigheden om een administratieve geldboete te verminderen tot onder de wettelijk vastgestelde minima, teneinde « de straf te individualiseren » (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2423/009, p. 13).

B.7. Al sinds de oorspronkelijke formulering ervan, bepaalt artikel 19, § 5, van de wet van 10 april 1990 dat de natuurlijke personen of rechtspersonen in de zin van artikel 1 van de wet burgerrechtelijk aansprakelijk zijn voor de administratieve geldboete die aan hun bestuurders, leden van het leidinggevend en uitvoerend personeel, aangestelden of lasthebbers wordt opgelegd.

In de parlementaire voorbereiding van de wet van 10 april 1990 wordt de keuze voor die van het gemeen recht afwijkende maatregel uitgelegd door het feit dat hij « een strikte controle van de onderneming op haar lasthebbers of aangestelden in de hand [zal] werken » (Parl. St., Senaat, 1988-1989, nr. 775/1, p. 20).

De burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor andermans daad, ingevoerd bij artikel 19, § 5, vierde lid, van de wet van 10 april 1990, vormt aldus niet alleen een bijkomende waarborg, voor de Staat, dat de administratieve geldboete die ten aanzien van zijn aangestelde is uitgesproken, wordt betaald, maar draagt eveneens bij tot het « afschrikkend effect » van de administratieve geldboeten, door de werkgevers aan te sporen erop toe te zien dat hun personeelsleden aan de voorwaarden van de wet van 10 april 1990 voldoen.

B.8. Uit het voorgaande volgt dat, ook al bevinden de werkgevers die burgerrechtelijk aansprakelijk zijn voor de administratieve geldboete die verschuldigd is door hun aangestelden en diezelfde aangestelden die de wet van 10 april 1990 overtreden, zich niet in een vergelijkbare situatie wat betreft de procedure tot het opleggen van een administratieve geldboete aan die aangestelden, zij zich toch in een vergelijkbare situatie bevinden wat de betaling van die geldboete betreft.

Een administratieve geldboete is een administratieve sanctie die de aangestelde persoonlijk treft, en het is slechts als burgerrechtelijk aansprakelijke dat de werkgever van die geldboete in kennis zal worden gesteld.

Niettemin dient te worden vastgesteld dat, indien de overtreder het bedrag dat door de bevoegde ambtenaar zou worden voorgesteld in het kader van een minnelijke schikking niet betaalt, de werkgever de aan zijn aangestelde opgelegde administratieve geldboete zal moeten betalen zonder dat hij noodzakelijkerwijs in kennis is gesteld van de procedure voorafgaand aan het opleggen van de geldboete.

B.9. Dat verschil in behandeling tussen de overtreder en de burgerrechtelijk aansprakelijke persoon wordt verantwoord door het doel van de wet dat erin bestaat de administratieve geldboeten een afschrikkend effect toe te kennen, de Staat te waarborgen dat de administratieve geldboeten worden betaald en de werkgever ertoe aan te zetten zijn aangestelden strikt te controleren, waarbij de werkgever enkel voor de betaling van de administratieve geldboete burgerrechtelijk aansprakelijk is, en niet voor het bedrag dat aan de overtreder is voorgesteld in het kader van een minnelijke schikking. Zolang geen administratieve geldboete wordt opgelegd aan de aangestelde, is de werkgever niet burgerrechtelijk aansprakelijk en dient hij bijgevolg niet te worden betrokken in de procedure die voorafgaat aan het opleggen van de geldboete.

De werkgevers worden overigens geacht toe te zien op de inachtneming van de wet van 10 april 1990 door hun aangestelden, en door activiteiten toe te vertrouwen aan personen die zij vertrouwen en van wie men kan aannemen dat zij zelf hun werkgever op de hoogte zullen stellen van een voorstel tot minnelijke schikking, zodat die laatste, in overleg met de overtreder, kan bepalen welk standpunt het meest gepast is in de fase voorafgaand aan het opleggen van een geldboete.

B.10. Die maatregel is evenmin onevenredig omdat de werkgever beschikt over een beroep voor de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, die een controle met volle rechtsmacht uitoefent.

De werkgever kan, in die context, elementen aanvoeren die de Rechtbank toelaten, in voorkomend geval, rekening te houden met verzachtende omstandigheden in het voordeel van de overtreder, en bijgevolg het bedrag van de administratieve geldboete te verminderen.

Rekening houdend met het bestaan van dat beroep met volle rechtsmacht, kan het ontbreken van de mogelijkheid, voor de burgerrechtelijk aansprakelijke persoon, om zijn standpunt te doen gelden tijdens de administratieve fase voorafgaand aan het opleggen van de administratieve geldboete aan zijn aangestelde, geen schending vormen van het recht van verdediging, dat onder meer wordt gewaarborgd bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.11. De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 19, §§ 1 en 5, van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 28 mei 2015.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

J. Spreutels