Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 29 april 2010 (België)

Publicatie datum :
29-04-2010
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
7 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20100429-1
Rolnummer :
41/2010

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : - In zoverre het van toepassing is op elke dienstverlening door een vennootschap waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd op het grondgebied van een ander gewest, schendt artikel 16 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, dat van toepassing is op het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest krachtens artikel 4 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen - Artikel 35, § 1, derde lid, van dezelfde ordonnantie schendt artikel 11, tweede lid, van de voormelde bijzondere wet van 8 augustus 1980, dat van toepassing is op het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest krachtens artikel 4 van de bijzondere wet van 12 januari 1989. - Artikel 35, § 2, tweede lid, van dezelfde ordonnantie schendt het voormelde artikel 11, tweede lid, niet.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter P. Martens, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter P. Martens,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij vonnis van 5 februari 2009 in zake het openbaar ministerie tegen Michaël Henry en de cvba « L.T. Vincent », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 3 maart 2009, heeft de Politierechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« 1. Schendt artikel 92bis, § 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, in zoverre de situatie van de taxidiensten kennelijk vergelijkbaar is met die van de diensten van voertuigen met chauffeur, de beginselen van niet-discriminatie en gelijkheid bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het aan de gewesten niet dezelfde verplichting om een samenwerkingsakkoord inzake diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur oplegt als inzake taxidiensten ?

2. Schendt artikel 35 van de ordonnantie van 27 april 1995 artikel 11, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, in zoverre het van de in boek 1 van het Strafwetboek bedoelde straffen afwijkt, zonder dat voorafgaandelijk het eensluidend advies van de Ministerraad werd ingewonnen ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen

B.1. Het Hof wordt door de Politierechtbank te Brussel ondervraagd over de bestaanbaarheid van artikel 92bis, § 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (eerste prejudiciële vraag) en over de overeenstemming van artikel 35 van de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur met artikel 11, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 (tweede prejudiciële vraag).

Wat betreft de eerste prejudiciële vraag

B.2. Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of artikel 92bis, § 2, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, doordat het aan de gewesten niet de verplichting oplegt om een samenwerkingsakkoord te sluiten voor de regeling van de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur die zich uitstrekken over het grondgebied van meer dan één gewest, terwijl dat artikel vereist dat een dergelijk samenwerkingsakkoord wordt gesloten voor de regeling van de taxidiensten die zich uitstrekken over het grondgebied van meer dan één gewest.

B.3.1. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt evenwel dat de verwijzende rechter die vraag heeft gesteld teneinde te bepalen of op het voor hem hangende geschil artikel 16 van de voormelde ordonnantie van 27 april 1995 diende te worden toegepast.

B.3.2. Dat artikel bepaalt :

« Niemand mag, zonder vergunning van de Regering, een dienst voor het verhuren van voertuigen met chauffeur op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest exploiteren door middel van één of meer voertuigen.

Enkel de exploitanten die houder zijn van een door de Regering afgegeven vergunning mogen dienstleveringen afleggen waarvan het vertrekpunt voor de gebruiker gelegen is op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

De vergunning voor het exploiteren omvat geen toelating voor het stationeren op bepaalde plaatsen op de openbare weg ».

In de interpretatie van de verwijzende rechter is die bepaling van toepassing op elke dienstverlening door een vennootschap waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd op het grondgebied van een ander gewest wanneer de klant van die vennootschap instapt op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, zelfs wanneer dat instappen gebeurt in het kader van een ruimere dienstverlening, waarvan het oorspronkelijke vertrekpunt voor de klant op het grondgebied van een ander gewest is gelegen.

B.4. Teneinde het verwijzende rechtscollege een nuttig antwoord te geven en na de partijen hierover te hebben gehoord, acht het Hof het bijgevolg noodzakelijk om na te gaan of artikel 16 van de in het geding zijnde ordonnantie, in zover het de diensten regelt voor het verhuren van voertuigen met chauffeur die zich uitstrekken over het grondgebied van meer dan één gewest, in strijd is met het evenredigheidsbeginsel bij de uitoefening van de bevoegdheden of met het beginsel van de economische en monetaire unie, beoogd in artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 en dat van toepassing is op het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest krachtens artikel 4 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen.

B.5.1. Het voormelde artikel 16 wordt als volgt in de parlementaire voorbereiding verantwoord :

« Teneinde te vermijden dat diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur, die op het grondgebied van een ander Gewest gelegen zijn en zodus totaal vrij blijven van elke toepasbare wetgeving, schade zouden kunnen berokkenen aan de belangen van enerzijds de taxidiensten en anderzijds de in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevoegde diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur, wordt voorzien dat enkel de exploitanten die houder zijn van een door de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest verleende vergunning ertoe gemachtigd zullen worden ritten uit te voeren waarvan het vertrekpunt gelegen is op het grondgebied van het Gewest.

Dit criterium verleent tegelijkertijd het Gewest de bevoegdheid wetten uit te vaardigen in deze materie alsook het beoogde resultaat in verband met de vooropgestelde bepalingen te verkrijgen » (Parl. St., Brusselse Hoofdstedelijke Raad, 1994-1995, nr. A-368/1, p. 20).

B.5.2. In zijn arrest nr. 56/96 van 15 oktober 1996 heeft het Hof geoordeeld :

« B.7.3. Uit de tekst van voormeld artikel 16 en de parlementaire voorbereiding ervan blijkt dat enkel een vergunning vereist is voor dienstverleningen waarvan het vertrekpunt voor de gebruiker gelegen is op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.

Die bepaling staat er niet aan in de weg dat ritten voor een dienstverlening met chauffeur met een vertrekpunt buiten het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest kunnen worden voortgezet op het grondgebied van dat gewest, zonder dat daartoe een vergunning is vereist. Zij houdt bijgevolg geen onevenredige aantasting van de vrije dienstverlening in.

Overigens biedt het gehanteerde criterium, namelijk het vertrekpunt van de dienstverlening, een relevant aanknopingspunt dat het mogelijk maakt de te regelen aangelegenheid uitsluitend binnen de territoriale bevoegdheidssfeer van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest te brengen.

B.7.4. Daaruit vloeit voort dat de betwiste bepalingen geen inbreuk maken op de regels vastgesteld bij artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, zodat de gewestwetgever de bevoegdheden die hem bij de artikelen 2 en 4 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 zijn toegewezen, niet heeft geschonden ».

B.5.3. Het Hof merkt echter op dat, sinds het voormelde arrest nr. 56/96, het Waalse Gewest en het Vlaamse Gewest ter zake een eigen wetgeving hebben aangenomen waarbij de uitoefening, door een op hun grondgebied gevestigde dienstverlener, van de activiteit van het verhuren van voertuigen met chauffeur aan een vergunning is onderworpen.

Volgens het beginsel van de wederzijdse erkenning, dat inherent is aan de economische en monetaire unie tussen de deelgebieden van de Staat, wordt een persoon die diensten aanbiedt op het grondgebied van één van die deelgebieden en zich daarbij gedraagt naar de toepasselijke regels, verondersteld die activiteit vrij te kunnen uitoefenen op het grondgebied van elk ander deelgebied van de Staat, tenzij dat deelgebied aantoont dat striktere regels moeten worden opgelegd teneinde een wettig doel te bereiken.

De wil om de dienstverleners die op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest zijn gevestigd te beschermen tegen de concurrentie van andere marktdeelnemers, om de enige reden dat die zijn gevestigd in het Waalse Gewest of het Vlaamse Gewest, is per definitie onverenigbaar met het beginsel zelf van de economische en monetaire unie en zou niet als een wettig doel kunnen worden beschouwd.

Voor het overige blijkt niet dat de verplichting om te voldoen aan de door de Waalse of de Vlaamse decreetgever bepaalde voorwaarden niet zou toelaten de met de in het geding zijnde bepaling nagestreefde doelstellingen te bereiken.

B.6. Hieruit volgt dat de in het geding zijnde bepaling in strijd is met het beginsel van de economische en monetaire unie, in zoverre zij diensten regelt voor het verhuren van voertuigen met chauffeur die zich uitstrekken over het grondgebied van meer dan één gewest.

B.7. Het is derhalve niet meer nodig om na te gaan of artikel 92bis, § 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, daar die toetsing niet kan leiden tot een ander besluit.

Wat betreft de tweede prejudiciële vraag

B.8. Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of artikel 35, § 1, derde lid, en § 2, tweede lid, van de voormelde ordonnantie van 27 april 1995 in overeenstemming is met artikel 11, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Volgens de verwijzende rechter zou die bepaling andere straffen invoeren dan diegene die zijn vermeld in boek I van het Strafwetboek, zonder dat voorafgaandelijk het eensluidend advies van de Ministerraad werd ingewonnen.

B.9.1. Het voormelde artikel 35 van de in het geding zijnde ordonnantie bepaalt :

« § 1. Onverminderd de eventuele schadevergoeding worden gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van 500 frank tot 10 000 frank, of met één van deze straffen alleen, degene die zonder vergunning een taxidienst of een dienst voor het verhuren van voertuigen met chauffeur exploiteert.

Worden met dezelfde straffen gestraft, elke persoon die aan een voertuig, dat onderworpen wordt aan de bepalingen van deze ordonnantie en aan de uitvoeringsbesluiten ervan, het uiterlijk gegeven heeft van een taxi of huurvoertuig met chauffeur, terwijl dit voertuig geen voorwerp uitgemaakt heeft van een exploitatievergunning voor een taxidienst of een dienst voor het verhuren van voertuigen met chauffeur.

In al deze gevallen zal de rechter de inbeslagneming bevelen van het of de voertuigen waarmee de inbreuk gepleegd werd.

§ 2. Worden gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van 26 frank tot 10 000 frank, of met één van deze straffen alleen, onverminderd de eventuele schadevergoeding, degene die een andere inbreuk pleegt tegen deze ordonnantie, tegen de uitvoeringsbesluiten ervan of tegen de bepalingen vervat in de exploitatievergunning.

Bovendien zal de rechter beslag kunnen leggen op het of de voertuigen die toebehoren aan de veroordeelde en waarmee de overtreding gepleegd werd.

§ 3. De bepalingen van boek 1 van het Strafwetboek, inclusief hoofdstuk VII en artikel 85, zijn op deze overtredingen toepasselijk.

Evenwel mag, onverminderd artikel 56 van het Strafwetboek, de straf in geval van herhaling binnen twee jaar na de veroordeling niet minder zijn dan het dubbel van de wegens dezelfde overtreding vroeger uitgesproken straf.

§ 4. De schadevergoeding, toegekend aan de door de overtreding benadeelde persoon, is bevoorrecht op het voertuig dat diende voor het plegen van de overtreding wanneer het in eigendom toebehoort aan de overtreder, de mededader of de medeplichtige. Dit voorrecht neemt onmiddellijk rang na dit, bepaald bij artikel 20, 5°, van de wet van 16 december 1851.

De politierechtbanken nemen kennis van de overtredingen die in dit artikel worden voorzien ».

Uit de feiten van het geding blijkt dat de tweede prejudiciële vraag uitsluitend betrekking heeft op de overeenstemming van de paragrafen 1, derde lid, en 2, tweede lid, van dat artikel 35 met artikel 11, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.

B.9.2. Artikel 11, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt :

« Het eensluidend advies van de Ministerraad is vereist voor iedere beraadslaging in de Gemeenschaps- of Gewestregering over een voorontwerp van decreet waarin een straf of een strafbaarstelling is opgenomen waarin Boek I van het Strafwetboek niet voorziet ».

Die bepaling is van toepassing op het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest krachtens artikel 4 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen.

B.10. Artikel 11, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 vereist het verkrijgen van het eensluidend advies van de Ministerraad enkel wanneer het gaat om het invoeren van straffen en strafbaarstellingen die, materieel gezien, nieuw zijn.

B.11.1. Artikel 42 van het Strafwetboek bepaalt :

« Bijzondere verbeurdverklaring wordt toegepast :

1° Op de zaken die het voorwerp van het misdrijf uitmaken, en op die welke gediend hebben of bestemd waren tot het plegen van het misdrijf, wanneer zij eigendom van de veroordeelde zijn;

2° Op de zaken die uit het misdrijf voortkomen;

3° Op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, op de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en op de inkomsten uit de belegde voordelen ».

Tenzij wanneer de verbeurdverklaring kan worden beschouwd als een veiligheidsmaatregel, is de ordonnantiegever, behoudens eensluidend advies van de Ministerraad, onbevoegd om de verbeurdverklaring van vervoermiddelen toe te staan zelfs wanneer die niet toebehoren aan de veroordeelde, want hij zou dan een andere verbeurdverklaring in het leven roepen dan diegene die wordt geregeld in boek I van het Strafwetboek.

B.11.2. Artikel 35, § 1, derde lid, van de in het geding zijnde ordonnantie bepaalt dat de rechter de verbeurdverklaring beveelt van het voertuig of de voertuigen waarmee de inbreuk, bedoeld in het eerste of het tweede lid van hetzelfde artikel, werd gepleegd, zonder een onderscheid te maken naargelang die voertuigen al dan niet aan de veroordeelde toebehoren. Die gestrengheid wordt in de parlementaire voorbereiding verantwoord door de wil om het plegen van overtredingen « die [de] gepaste werking van het ontwerp in gevaar brengen » doeltreffend te ontraden (Parl. St., Brusselse Hoofdstedelijke Raad, 1994-1995, A-368/1, p. 26).

De ordonnantiegever voert aldus een nieuwe straf in in de zin van artikel 11, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.

Het Hof stelt vast dat het eensluidend advies van de Ministerraad in verband met die bepaling niet werd verkregen, zodat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 11, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1989.

B.11.3. In die mate dient de tweede prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord.

B.12.1. Artikel 43 van het Strafwetboek bepaalt :

« Bij misdaad of wanbedrijf wordt bijzondere verbeurdverklaring toepasselijk op de zaken bedoeld in artikel 42, 1° en 2° altijd uitgesproken.

[...] ».

B.12.2. Artikel 35, § 2, tweede lid, van de in het geding zijnde ordonnantie bepaalt dat de rechter beslag zal kunnen leggen op voertuigen die aan de veroordeelde toebehoren en waarmee op de voormelde ordonnantie, op de uitvoeringsbesluiten ervan of op de voorwaarden van de exploitatievergunning een andere inbreuk werd gepleegd dan de inbreuken bedoeld in artikel 35, § 1, eerste en tweede lid.

De ordonnantiegever wijkt aldus af van artikel 43 van het Strafwetboek, in zoverre het de rechter in staat stelt te beoordelen of de verbeurdverklaring moet worden bevolen van het voertuig waarmee één van de wanbedrijven waarnaar dat artikel verwijst werd gepleegd.

De toekenning van een dergelijke mogelijkheid wijzigt enkel de wijze waarop de federale wetgever wilde dat een straf bedoeld in boek I van het Strafwetboek wordt opgelegd. Het feit dat in die bijzondere modaliteit wordt voorzien, staat niet gelijk met de invoering van een straf die, materieel gezien, nieuw is.

Daaruit volgt dat artikel 35, § 2, tweede lid, van de in het geding zijnde ordonnantie, in overeenstemming is met artikel 11, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.

B.12.3. In die mate dient de tweede prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- In zoverre het van toepassing is op elke dienstverlening door een vennootschap waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd op het grondgebied van een ander gewest, schendt artikel 16 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, dat van toepassing is op het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest krachtens artikel 4 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen.

- Artikel 35, § 1, derde lid, van dezelfde ordonnantie schendt artikel 11, tweede lid, van de voormelde bijzondere wet van 8 augustus 1980, dat van toepassing is op het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest krachtens artikel 4 van de bijzondere wet van 12 januari 1989.

- Artikel 35, § 2, tweede lid, van dezelfde ordonnantie schendt het voormelde artikel 11, tweede lid, niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 29 april 2010.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

P. Martens.