Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 29 april 2010 (België)

Publicatie datum :
29-04-2010
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
8 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20100429-4
Rolnummer :
44/2010

Samenvatting

Het Hof verwerpt het beroep.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter P. Martens, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 25 mei 2009 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 26 mei 2009, is beroep tot vernietiging ingesteld van het decreet van het Vlaamse Gewest van 19 december 2008 houdende de vergoeding, verschuldigd door de gebruikers van het verkeersbegeleidingssysteem voor vaartuigen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 10 maart 2009) door de nv « Cobelfret », met maatschappelijke zetel te 2610 Antwerpen, Sneeuwbeslaan 14, de nv « Cobelfret Ferries », met maatschappelijke zetel te 2610 Antwerpen, Sneeuwbeslaan 14, de nv « Cobelfret Port Agencies », met maatschappelijke zetel te 2610 Antwerpen, Sneeuwbeslaan 14, de nv « Dart Line », met maatschappelijke zetel te 2610 Antwerpen, Sneeuwbeslaan 14, en de nv « C2C Shipping Lines », met maatschappelijke zetel te 8380 Zeebrugge, Albert II Dok, Kaai 124, Craneveltweg 1.

(...)

II. In rechte

(...)

B.1. Het beroep tot vernietiging is gericht tegen het decreet van het Vlaamse Gewest van 19 december 2008 houdende de vergoeding, verschuldigd door de gebruikers van het verkeersbegeleidingssysteem voor vaartuigen.

Artikel 2 van dat decreet voegt, voor de periode van 1 april 1996 tot 31 maart 1997, in het decreet van 19 april 1995 betreffende de organisatie en de werking van de loodsdienst van het Vlaamse Gewest en betreffende het brevet van havenloods (hierna : Loodsdecreet) een artikel 14bis in, waarbij de toepassingsmodaliteiten voor de verkeersbegeleidingssysteemvergoeding (hierna : VBS-vergoeding), waarin artikel 14 voorzag, worden vastgesteld.

Na de omschrijving in paragraaf 1 van een aantal begrippen (VBS-vergoeding, tariefgebied en lengte), wordt bepaald dat de VBS-vergoeding verschuldigd is voor ieder vaartuig dat uit zee komt, met als bestemming een Vlaamse haven die in het verkeersbegeleidingssysteem is ingeschakeld, en dat ze geldt als vergoeding voor in- en uitvaart, met dien verstande dat het tarief per kalenderdag maar eenmaal verschuldigd is en niet verschuldigd is bij scheepvaartverkeer tussen Vlaamse havens (paragraaf 2).

Verder bepaalt het artikel de categorieën van vaartuigen waarvoor geen vergoeding verschuldigd is : binnenschepen, schepen tot 46 meter lengte, schepen in eigendom van of in beheer bij het Rijk of een gewest, vaartuigen voor het winnen of vervoeren van zand, baggerspecie of grind, maar alleen als ze daartoe worden gebruikt ter uitvoering van werkzaamheden in opdracht van de vaarweg- of waterbeheerder en vaartuigen in dienst van het loodswezen van Nederland en Vlaanderen (paragraaf 3).

Tevens kent het artikel de Vlaamse minister bevoegd voor het vervoer, de bevoegdheid toe om aan een vaartuig vrijstelling van VBS-vergoeding te verlenen als het deelneemt aan een bijzondere manifestatie of werkzaamheden verricht in het algemeen belang (paragraaf 4).

Het bedrag van de verschuldigde VBS-vergoeding wordt, overeenkomstig het tarief opgenomen in de bijbehorende tabel, vastgesteld op grond van de lengte van het vaartuig, met dien verstande dat in het geval van gesleepte vaart, de VBS-vergoeding verschuldigd is voor de sleepboot en het gesleepte vaartuig afzonderlijk, op grond van hun respectieve lengte (paragraaf 5).

Tot slot wordt bepaald aan wie de VBS-vergoeding verschuldigd is, namelijk aan de ontvanger van de zeevaartrechten in Oostende voor vaartuigen met bestemming Zeebrugge, en aan die in Antwerpen voor vaartuigen met een andere Vlaamse haven als bestemming (paragraaf 6).

Die redactie van artikel 14bis stemt overeen met de inhoud van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 februari 1996 betreffende de vergoeding verschuldigd door de gebruikers van het verkeersbegeleidingssysteem voor vaartuigen (Belgisch Staatsblad , 29 maart 1996).

Aan artikel 14bis is een andere redactie gegeven door de artikelen 3 tot 5 van het bestreden decreet, die respectievelijk overeenstemmen met de inhoud van de besluiten van de Vlaamse Regering van 25 maart 1997 (Belgisch Staatsblad , 29 maart 1997), van 7 december 2001 (Belgisch Staatsblad , 19 januari 2002) en van 24 juni 2005 (Belgisch Staatsblad , 8 juli 2005, err. 15 juli 2005) en die onderscheidenlijk gelden voor de periode van 1 april 1997 tot 31 december 2001 (waarbij een verdubbeling van de tarieven van de VBS-vergoeding wordt ingevoerd), de periode van 1 januari 2002 tot 28 februari 2005 en de periode van 1 maart 2005 tot 4 november 2006 (waarbij het begrip « lengte » wordt gewijzigd en de VBS-vergoeding betaalbaar wordt gesteld op de rekening van het Loodswezen - Locatie Antwerpen).

Artikel 6 voegt in het decreet van 16 juni 2006 betreffende de begeleiding van de scheepvaart op de maritieme toegangswegen en de organisatie van het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum, hierna « Scheepvaartbegeleidingsdecreet », met ingang van 5 november 2006, een artikel 37bis in, waarvan de inhoud identiek is aan de laatste versie van artikel 14bis van het Loodsdecreet, met dien verstande dat in de begripsomschrijving wordt verwezen naar de VBS-retributie in artikel 37 van het voormelde decreet van 16 juni 2006.

Artikel 7 bepaalt dat het besluit van de Vlaamse Regering van 28 februari 1996 betreffende de vergoeding verschuldigd door de gebruikers van het verkeersbegeleidingssysteem voor vaartuigen, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 maart 1997, het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2001 en het besluit van 24 juni 2005, ophoudt uitwerking te hebben met ingang van 1 april 1996. Artikel 8 regelt de inwerkingtreding van het bestreden decreet.

Wat de aard van de VBS-vergoeding betreft

B.2. De verkeersbegeleidingsvergoeding is ingevoerd bij artikel 14 van het decreet van 19 april 1995 « betreffende de organisatie en de werking van de loodsdienst van het Vlaamse Gewest en betreffende het brevet van havenloods », waarvan het opschrift werd gewijzigd bij artikel 2 van het decreet van 5 december 2003. Dat artikel bepaalde :

« Een VBS-vergoeding is verschuldigd door de gezagvoerders van de vaartuigen die gebruik maken van het verkeersbegeleidingssysteem.

De Vlaamse regering duidt de categorieën van vaartuigen aan die van deze verplichting zijn vrijgesteld.

De Vlaamse regering bepaalt het tarief van de VBS-vergoeding alsook de wijze waarop en de dienst of de rechtspersoon door wie zij wordt geïnd.

De Vlaamse regering bepaalt welke vergoeding de andere natuurlijke of rechtspersonen verschuldigd zijn om gegevens te ontvangen met betrekking tot verkeersbegeleiding ».

In het arrest nr. 2/97 van 16 januari 1997 heeft het Hof geoordeeld dat het Vlaamse Gewest uit artikel 173 van de Grondwet de bevoegdheid put om aan de gezagvoerders die gebruik maken van het verkeersbegeleidingssysteem, een vergoeding voor dat gebruik op te leggen.

B.3. Opdat een heffing kan worden gekwalificeerd als een retributie is vereist dat het gaat om de vergoeding van een dienst die de overheid presteert ten voordele van de heffingsplichtige individueel beschouwd. Zij heeft een louter vergoedend karakter, zodat er een redelijke verhouding moet bestaan tussen de kostprijs of de waarde van de verstrekte dienst en het bedrag dat de heffingsplichtige verschuldigd is.

Onder « verkeersbegeleiding » werd luidens artikel 2, 7°, van het voormelde decreet verstaan « de verzameling, de verwerking, de overbrenging en de mededeling aan de gezagvoerders en aan andere natuurlijke of rechtspersonen van gegevens in verband met de ordening en de coördinatie van het scheepvaartverkeer, met uitzondering van de specifieke activiteiten omschreven onder 4° en 5° ». Uit de omschrijving van de VBS-vergoeding in artikel 14 en van de aard en de doelstelling van het verkeersbegeleidingssysteem vloeit voort dat de vergoeding verschuldigd is telkens wanneer gebruik wordt gemaakt van een haven die in het verkeersbegeleidingssysteem is opgenomen. Ongeacht de modaliteiten waaronder en de faciliteiten waarmee de gegevensuitwisseling geschiedt, en de wijze waarop de gezagvoerders hiervan gebruik maken, strekt de heffing tot vergoeding van een dienst die aan de heffingsplichtige wordt geboden door onder meer een zo volledig en betrouwbaar mogelijk beeld van en informatie over het scheepvaartverkeer te bieden en de veiligheid ervan te waarborgen wanneer het schip als bestemming een Vlaamse haven heeft die in het verkeersbegeleidingssysteem is ingeschakeld. De omstandigheid dat de VBS-vergoeding verplicht is voor elk schip dat een haven aandoet die in het VBS is ingeschakeld, ontneemt haar niet het karakter van een retributie.

De omvang van de VBS-vergoeding wordt bepaald op grond van de lengte van het betrokken vaartuig. Rekening houdend met het feit dat in fiscale aangelegenheden de verscheidenheid aan situaties noodzakelijk dient te worden opgevangen in categorieën die met de werkelijkheid slechts overeenstemmen op vereenvoudigende en benaderende wijze, kon rekening worden gehouden met de lengte van het vaartuig als maatstaf van de omvang van de VBS-vergoeding, vermits die mede bepalend is voor de omvang van de gegevens in verband met de ordening en de coördinatie van het scheepvaartverkeer, de moeilijkheidsgraad van de bijstand aan het vaartuig en de mogelijkheid van ventilering van de vergoeding over de gebruikers van het scheepvaartverkeer, als passagiers of vrachtleveranciers. Uit de gegevens voorgelegd aan het Hof, blijkt dat, zelfs wanneer de omvang van de VBS-vergoeding niet van dien aard is dat zij volledig de kostprijs van het VBS dekt, die vergoeding onbetwistbaar een vergoedend karakter heeft en aan het proportionaliteitsvereiste beantwoordt.

B.4. Uit wat voorafgaat vloeit voort dat de VBS-vergoeding, zoals zij is ingevoerd door artikel 14 van het Loodsdecreet, dient te worden beschouwd als een retributie.

Dat geldt eveneens voor de VBS-vergoeding die is ingevoerd bij artikel 37 van het Scheepvaartbegeleidingsdecreet, dat in het eerste lid bepaalt dat voor het gebruik van de dienstverlening van het verkeersbegeleidingssysteem door vaartuigen met als bestemming een haven, waterweg, lig- of ankerplaats in het VBS-werkingsgebied of in een gebied beheerd door een waterweg- of havenbestuur in België, een VBS-retributie verschuldigd is. In artikel 17 van dat decreet is immers bepaald dat de gezagvoerders die het VBS-werkingsgebied of een door de Vlaamse Regering bepaald deel ervan binnenvaren, ertoe verplicht zijn aan het verkeersbegeleidingssysteem deel te nemen op de door de Vlaamse Regering voorgeschreven wijze. Daaruit volgt dat de betrokken gezagvoerders niet alleen het voordeel genieten van de dienstverlening van het VBS die in het betrokken gebied wordt geleverd en in dat decreet meer gedetailleerd wordt omschreven, maar dat zij, wat de modaliteiten betreft, daaraan moeten deelnemen op de wijze die door de Vlaamse Regering wordt vastgesteld.

Wat de middelen betreft

B.5. Het eerste en het derde middel, die door de verzoekende partijen worden afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel, zijn gericht tegen de artikelen 2 tot 5 (eerste middel) en tegen artikel 6 (derde middel) van het bestreden decreet, ingevolge de retroactieve werking die aan die bepalingen wordt verleend, waardoor de rechtzoekende de waarborg zou worden ontnomen om in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling te kunnen voorzien en de Raad van State zou worden verhinderd zich uit te spreken over de wettigheid van het bestreden uitvoeringsbesluit (eerste middel) en waardoor zou worden voorzien in een rechtsgrond voor de voorwaarden en tarieven van de VBS-vergoeding en een belasting retroactief zou worden ingevoerd (derde middel).

In dat verband wordt in het eerste onderdeel van het zesde middel, in aansluiting op het eerste middel, tevens de schending aangevoerd van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, wegens de retroactieve werking van het bestreden decreet en het ingrijpen in hangende rechtsgedingen waarbij de rechtsgang voor de Raad van State zou worden beïnvloed ten voordele van één partij en het recht op een eerlijk proces en het principe van de wapengelijkheid zouden worden geschonden.

B.6. De niet-retroactiviteit van wetten is een waarborg ter voorkoming van rechtsonzekerheid. Die waarborg vereist dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk is, zodat de rechtzoekende in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien op het tijdstip dat die handeling wordt verricht. De terugwerkende kracht kan enkel worden verantwoord wanneer zij onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang.

Indien bovendien blijkt dat de terugwerkende kracht tot doel heeft dat de afloop van een of meer jurisdictionele procedures in een welbepaalde zin wordt beïnvloed of dat rechtscolleges worden verhinderd zich uit te spreken over een welbepaalde rechtsvraag, vergt de aard van het in het geding zijnde beginsel dat uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang een verantwoording bieden voor het optreden van de wetgever, dat ten nadele van een categorie van burgers inbreuk maakt op de jurisdictionele waarborgen die aan allen worden geboden.

B.7. Aangezien de bestreden bepalingen hangende rechtsgedingen beïnvloeden, moet het Hof onderzoeken of de terugwerkende kracht van die bepalingen is verantwoord door uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang.

B.8. De validaties waartoe de bestreden bepalingen aanleiding geven, hebben tot doel een einde te maken aan de rechtsonzekerheid die werd gecreëerd door de betwisting van de kwalificatie van de VBS-vergoeding als retributie ingevolge de wijze waarop de Vlaamse Regering gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid die haar door de decreetgever werd verleend, waardoor de gevalideerde besluiten door een externe onwettigheid zouden zijn aangetast :

« Om de rechtszekerheid daarbij te waarborgen, strekken de huidige ontwerpartikelen er dan ook toe om alle bepalingen in het besluit van de Vlaamse Regering betreffende de vergoeding verschuldigd door de gebruikers van het verkeersbegeleidingssysteem voor vaartuigen die door het betwiste besluit werden ingevoegd, met terugwerkende kracht en, het weze benadrukt, zonder inhoudelijke wijzigingen, decretaal te consolideren. [...] De retroactieve tussenkomst van de wetgever in een bij besluit geregelde aangelegenheid wordt in casu bijkomend nog verantwoord door haar uitzonderlijke omstandigheden, met name haar onontbeerlijkheid voor de goede werking en de continuïteit van de openbare dienst, waarbij] het bestuur [...] in voorliggend geval niet meer in staat [is] zelf op nuttige wijze het vormgebrek te regulariseren » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2008-2009, nr. 1886/1, p. 4).

De decreetgever heeft ernaar gestreefd de reglementaire bepalingen inzake de VBS-vergoeding te consolideren, zonder te bevestigen dat deze wel degelijk een retributie is, ofschoon de Vlaamse Regering daarvan overtuigd bleef :

« Integendeel wordt er volledig heen gestapt over de discussie - en de daarmee gepaard gaande rechtsonzekerheid - of de VBS-vergoeding een belasting dan wel een retributie is. De consolidatie van de voormelde besluiten van de Vlaamse Regering strekt er nu juist toe de vergoeding in overeenstemming te brengen met het legaliteitsbeginsel, in de mate dat beginsel een aantal waarborgen instelt, op het vlak van de externe legaliteit, bij het invoeren van belastingen (artikel 170 van de Grondwet) zowel als retributies (artikel 173 van de Grondwet). Er wordt met andere woorden naar gestreefd dat zowel aan de vereisten voor het invoeren van een belasting als voor het invoeren van een retributie is voldaan, zonder dat daarbij uitspraak wordt gedaan over de aard van de vergoeding. In die zin lijkt het uitvoerige onderzoek dat de afdeling Wetgeving van de Raad van State heeft menen te moeten wijden aan de vraag 'of het wel gaat om een validatie van een retributie' niet geheel verband te houden met de strekking van het ontwerp. De vraag of het te dezen gaat om een retributie of een belasting is immers niet meer relevant, precies omdat dank zij het voorliggende ontwerp het antwoord op die vraag elk belang verliest » (ibid., pp. 5-6).

B.9. Uit artikel 14 van het decreet van 19 april 1995 vloeit, zowel ingevolge het arrest nr. 2/97 van het Hof als ingevolge het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State bij die bepaling, voort dat de VBS-vergoeding wel degelijk kan worden beschouwd als een retributie, zoals omstandig werd uiteengezet in B.3. Het Hof stelt vast dat hoofdzakelijk betwisting bestond omtrent de omvang van de dienstverlening die door het VBS wordt geboden om de vergoeding als een retributie te kunnen kwalificeren. Die betwisting werd mede gevoed door de omstandigheid dat vrachtvervoerders afzagen van faciliteiten van informatie-uitwisseling die door het systeem werden geboden, zonder dat dit afbreuk doet aan de vaststelling dat het VBS wel degelijk diensten verleent, zelfs wanneer van die faciliteiten geen gebruik werd gemaakt.

Door de uitvoeringsbesluiten te valideren, heeft de decreetgever een einde gemaakt aan de rechtsonzekerheid nopens de kwalificatie van de VBS-vergoeding. Tegelijk heeft hij de gelijkheid gewaarborgd tussen de vrachtvervoerders die in soortgelijke omstandigheden verkeren als gebruikers van het VBS, dat onder meer een zo volledig en betrouwbaar mogelijk beeld van en informatie over het scheepvaartverkeer biedt en de veiligheid ervan waarborgt, ongeacht de mate waarin zij, uit eigen wilsbeschikking, gebruik hebben gemaakt van de tevens ter beschikking staande faciliteiten.

B.10. De bestreden bepalingen hebben weliswaar terugwerkende kracht, maar zijn geen nieuwe bepalingen in vergelijking met die welke in de voormelde besluiten van de Vlaamse Regering voorkwamen, zodat zij niets anders hebben gedaan dan bepalingen consolideren waarvan de adressaten de draagwijdte kenden.

B.11. Bijgevolg wordt de terugwerkende kracht van de bestreden bepalingen verantwoord door uitzonderlijke omstandigheden.

Het eerste en het derde middel en het eerste onderdeel van het zesde middel zijn niet gegrond.

B.12. Het tweede middel en het eerste onderdeel van het vierde middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 170 en 172 van de Grondwet, en in het bijzonder het wettigheidsbeginsel, zijn gericht tegen de artikelen 2 tot 5 en 6 van het bestreden decreet, doordat een minister de bevoegdheid krijgt om vrijstelling van de VBS-vergoeding te verlenen, terwijl die bevoegdheid alleen door het democratisch verkozen beraadslagend orgaan zelf kan worden uitgeoefend en de gehanteerde vrijstellingscriteria zeer vaag zijn, aangezien het decreet de essentiële elementen van een dergelijke vrijstelling niet voorafgaandelijk heeft vastgelegd.

B.13. Uit B.3 vloeit voort dat de VBS-vergoeding een retributie is, en geen belasting.

Daaruit volgt dat de artikelen 170 en 172 van de Grondwet op de bestreden bepalingen niet van toepassing zijn.

In zoverre het middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, impliceert dat de verzoekende partijen de bestreden bepalingen verwijten dat zij, daargelaten de vraag of de VBS-vergoeding een belasting of een retributie is, aan de minister de bevoegdheid verlenen om vrijstelling te verlenen op grond van vage vrijstellingscriteria, terwijl die criteria krachtens de artikelen 172 en 173 van de Grondwet door een democratisch verkozen beraadslagend orgaan in voldoende duidelijke bewoordingen moeten worden vastgesteld, is het niet gegrond. De begrippen « deelnemen aan een bijzondere manifestatie » of « werkzaamheden verrichten in het algemeen belang » dienen te worden begrepen in hun gebruikelijke betekenis en zijn voldoende duidelijke criteria op grond waarvan de bevoegde minister vrijstelling kan verlenen.

Het tweede middel en het eerste onderdeel van het vierde middel zijn niet gegrond.

B.14. In het tweede onderdeel van het vierde middel, afgeleid uit de schending van dezelfde bepalingen en gericht tegen artikel 6 van het bestreden decreet, verwijten de verzoekende partijen de bestreden bepaling eveneens dat zij de heffingsplichtige niet aanwijst.

B.15. Dat onderdeel van het vierde middel is in werkelijkheid gericht tegen artikel 38 van het Scheepvaartbegeleidingsdecreet, dat bepaalt :

« De VBS-retributie, vermeld in artikel 37, is hoofdelijk verschuldigd door de gezagvoerder, de scheepseigenaar, de exploitant en eventueel door de door hen tot handelen gemachtigde persoon of personen ».

De artikelen 37 en 38 van het Scheepvaartbegeleidingsdecreet zijn niet het voorwerp van een wijziging door het bestreden decreet, zodat het beroep, in die mate, ratione temporis niet ontvankelijk is.

B.16. Het vijfde middel, gericht tegen de artikelen 2 tot 6 van het bestreden decreet, is afgeleid uit de schending van artikel 173 van de Grondwet, en in het bijzonder het daarin vervatte wettigheidsbeginsel, doordat, zelfs wanneer het gaat om een retributie, aan een minister de discretionaire bevoegdheid wordt gegeven om vrijstellingen van de VBS-vergoeding te verlenen en doordat de heffingsplichtige niet wordt aangewezen.

B.17. Naar luid van artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof doet het Hof, bij wege van arrest, uitspraak op de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel wegens schending van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten of de artikelen van titel II « De Belgen en hun rechten », en de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet.

Daaruit volgt dat het Hof niet bevoegd is om de artikelen 2 tot 6 rechtstreeks te toetsen aan artikel 173 van de Grondwet.

Het vijfde middel is niet ontvankelijk.

B.18. In het tweede onderdeel van het zesde middel voeren de verzoekende partijen ook de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1, eerste alinea, van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat de vrachtvervoerders de legitieme verwachting hadden dat zij bij gebreke van een wettelijke basis gedurende dertien jaar, de opgelegde VBS-heffingen niet zouden moeten betalen, en zij door de terugwerkende kracht van de bestreden bepalingen, in hun eigendomsrecht zouden worden aangetast.

B.19. De verzoekende partijen leiden uit het middel geen enkel ander argument af dan het feit dat hun verwachtingen worden gefnuikt door de terugwerkende kracht van het bestreden decreet. Daardoor zouden zij de VBS-vergoedingen die zouden zijn betaald zonder dat zij gebruik hebben gemaakt van de diensten van het systeem die zij als facultatief beschouwden, niet meer kunnen terugvorderen.

De bepalingen van de eerste alinea van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens betreffende het recht op het ongestoord genot van de eigendom van natuurlijke of rechtspersonen tasten, naar luid van de tweede alinea, op geen enkele wijze het recht aan dat de Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren.

Het tweede onderdeel van het zesde middel is niet gegrond.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt het beroep.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 29 april 2010.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.