Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 4 november 2015 (België)

Publicatie datum :
04-11-2015
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
7 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20151104-7
Rolnummer :
159/2015

Samenvatting

Het Hof verwerpt het beroep.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 21 oktober 2014 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 22 oktober 2014, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 64, § 1, eerste lid, 1°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, zoals vervangen bij artikel 21 van de wet van 10 april 2014 houdende diverse bepalingen inzake gezondheid (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 april 2014), door Eric Bodard, Marc Crommelynck, Luc Delcoigne, Patrick Hermie, Philippe Hustinx, Eric Morimont, Luc Carpentier, Hilde Durant, Steven Rogge en Roger Tavernier, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. T. Merckx, advocaat bij de balie te Gent.

(...)

II. In rechte

(...)

B.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van artikel 21 van de wet van 10 april 2014 houdende diverse bepalingen inzake gezondheid.

Dat artikel vervangt artikel 64, § 1, eerste lid, 1°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, dat ten gevolge daarvan bepaalt :

« Voor de verstrekkingen die verricht worden met zware medische apparatuur of in medische diensten, medisch-technische diensten, zorgprogramma's, afdelingen of functies bedoeld in de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008 zoals ze door de Koning worden omschreven, wordt het toekennen van een verzekeringstegemoetkoming afhankelijk gesteld van de voorwaarden dat die verstrekkingen worden uitgevoerd met apparatuur of in diensten die :

1° overeenkomstig de ter zake geldende bepalingen inzake programmatie en erkenning van de wet op de ziekenhuizen en haar uitvoeringsbesluiten werden geïnstalleerd en geëxploiteerd. Vanaf een door de Koning vastgestelde datum, kunnen enkel verstrekkingen verricht door middel van toestellen waarvan de lijst is opgesteld door de Koning en die voorzien zijn van een toestelidentificatienummer en een telapparaat binnen de door de Koning vastgestelde termijnen, in aanmerking komen voor terugbetaling. Onder de door de Koning te bepalen voorwaarden vermeldt het getuigschrift voor verstrekte hulp of het als zodanig geldend document het door het Instituut toegekende identificatienummer van de dienst of de plaats, waarin de verstrekkingen worden uitgevoerd, alsmede het identificatienummer van het toestel waarmee de verstrekking verricht wordt en het rangnummer van de verstrekking, zoals vastgesteld door het telapparaat ».

B.2. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11, in samenhang gelezen met artikel 23, van de Grondwet, doordat de bestreden bepaling het toekennen van een tegemoetkoming in het kader van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen voor verstrekkingen verricht met zware medische apparatuur afhankelijk maakt van de installatie en de exploitatie van het betrokken apparaat overeenkomstig de bepalingen inzake programmatie en erkenning vervat in de wet op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008, en haar uitvoeringsbesluiten.

De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepaling aldus een niet-verantwoord verschil in behandeling in het leven roept tussen, enerzijds, zorgverstrekkers die verbonden zijn aan een erkend ziekenhuis en hun patiënten, die in aanmerking komen voor de in die bepaling bedoelde tegemoetkoming en, anderzijds, zorgverstrekkers die niet verbonden zijn aan een erkend ziekenhuis en hun patiënten, die niet in aanmerking komen voor die tegemoetkoming.

B.3.1. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden.

B.3.2. Zoals de Ministerraad aanvoert, zetten de verzoekende partijen in hun verzoekschrift op onvoldoende wijze uiteen in welke zin de bestreden bepaling niet bestaanbaar zou zijn met artikel 23 van de Grondwet. Ofschoon zij uiteenzetten dat de bestreden bepaling een verschil in behandeling dat reeds bestond « bestendigt », zetten zij daarbij niet uiteen in welke zin die « bestendiging » onbestaanbaar zou zijn met artikel 23 van de Grondwet.

B.4. Het eerste middel is niet ontvankelijk, in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 23 van de Grondwet.

Het Hof beperkt zijn onderzoek bijgevolg tot de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.5. De bestreden bepaling regelt de voorwaarden waaronder, in het kader van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, een tegemoetkoming wordt toegekend voor « de verstrekkingen die verricht worden met zware medische apparatuur of in medische diensten, medisch-technische diensten, zorgprogramma's, afdelingen of functies bedoeld in de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008 zoals ze door de Koning worden omschreven ».

B.6.1. De verzoekende partijen bekritiseren de bestreden bepaling in zoverre zij betrekking heeft op verstrekkingen verricht met zware medische apparatuur.

Krachtens artikel 51 van de wet op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen zijn de zware medische apparaten toestellen of uitrustingen voor onderzoek of behandeling die duur zijn hetzij door hun aankoopprijs, hetzij door de bediening ervan door hoog gespecialiseerd personeel.

B.6.2. Krachtens artikel 52 van dezelfde wet stelt de Koning, op advies van de Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen, afdeling erkenning en programmatie, de lijst vast van de toestellen en uitrustingen die, overeenkomstig de voormelde omschrijving, als zware medische apparatuur moeten worden beschouwd. De toestellen en uitrustingen die op die lijst voorkomen, mogen, krachtens artikel 54 van dezelfde wet, noch worden opgesteld, noch uitgebaat zonder voorafgaande toestemming van de overheid als bedoeld in de artikelen 128, 130 of 135 van de Grondwet. Die toestemming is vereist zelfs wanneer geen beroep wordt gedaan op de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 63, en zelfs wanneer de investering plaatsvindt buiten een ziekenhuis of een medisch-sociale instelling.

Krachtens artikel 55 van dezelfde wet kan de Koning de voormelde voorafgaande toestemming onderwerpen aan de door Hem bepaalde programmatiecriteria of het door Hem bepaalde maximumaantal. Bovendien kan Hij, per toestel, de nadere regelen bepalen inzake het maximumaantal dat in gebruik mag worden genomen en uitgebaat en kan Hij de datum bepalen vanaf welke de uitbating verboden wordt van zware medische apparatuur die niet past in het kader van het maximumaantal toestellen.

B.7.1. De parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling vermeldt :

« Tegenwoordig hanteert de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, enkel de erkenning van diensten als aanknopingspunt zodat het moeilijk is te weten op welke plaats en met welke toestellen de verstrekkingen zijn verricht. Daarom wordt voorgesteld om voortaan alle apparatuur of ieder toestel opgesteld in medische diensten of medisch-technische diensten, afdelingen, functies of extramuros van een toestelidentificatienummer en een teller te voorzien. Het identificatienummer van het toestel en het rangnummer van de verstrekking moeten voorkomen op het getuigschrift voor verstrekte hulp of het document dat hiervoor in de plaats komt. Deze nummers vormen, naast de erkenning van de apparatuur of van de dienst, een onontbeerlijke voorwaarde voor terugbetaling. De uitvoeringsregels betreffende het identificatienummer van het toestel en het telapparaat dat het aantal verrichte onderzoeken of verstrekkingen registreert, zullen nader worden bepaald bij koninklijk besluit.

[...]

Bovendien, kunnen bepaalde toestellen worden geïnstalleerd zowel in als buiten een ziekenhuis. De gegevens in verband met de precieze lokalisatie van de erkende toestellen (installatieplaats intra- of extramuros) moeten worden vermeld op het getuigschrift voor verstrekte hulp of het document dat hiervoor in de plaats komt, via het identificatienummer, toegekend door het Rijksinstituut, van de dienst of de plaats waarin de verstrekkingen worden uitgevoerd.

Technische bijsturing is noodzakelijk alvorens de voorgestelde bepaling daadwerkelijk in werking treedt. Daarom wordt er nader bepaald dat de datum van de inwerkingtreding van de maatregel door de Koning wordt vastgesteld » (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3349/001, pp. 38-39).

« De minister geeft aan dat dit artikel ertoe strekt de wet inzake de zware medische apparatuur in de ziekenhuizen aan te passen. Als het ter bespreking voorliggende wetsontwerp wordt aangenomen, wordt de maatregel in 2014 op de sporen gezet en wordt hij operationeel in 2015.

De plaats van de prestaties en de apparatuur waarmee zij worden uitgevoerd, zijn moeilijk te bepalen. Daarom wordt voorgesteld alle apparatuur en elk toestel opgesteld in medische diensten, medisch-technische diensten, afdelingen, functies of extramuros voortaan van een identificatienummer en van een teller te voorzien.

Het identificatienummer van het toestel en het rangnummer van de verstrekking moeten voorkomen op het getuigschrift voor verstrekte hulp of op het document dat hiervoor in de plaats komt. Deze nummers vormen, naast de erkenning van de apparatuur of van de dienst, een onontbeerlijke voorwaarde voor terugbetaling.

Die bepaling houdt ook verband met ruimere beslissingen: beslissing van de task force over de beeldvorming, uitbreidingen van de programmering voor de PET-scan en de nucleaire magnetische resonantie (NMR). Vastgesteld wordt dat de apparaten en de apparatuur voor beeldvorming veel talrijker zijn dan het door de programmering opgelegde plafond. Het is onaanvaardbaar dat de bevolking al te veel aan medische ioniserende stralingen wordt blootgesteld. Bedoeling van de bepaling is in de eerste plaats te beschikken over een duidelijk beeld van de situatie. Alvorens te handelen, moet men weten hoe de zaken in mekaar zitten.

De minister hoopt vóór het einde van de regeerperiode een nieuwe programmering van de PET-scans en NMR-toestellen te kunnen uitwerken met de gemeenschappen en gewesten. Op maandag 24 februari 2014 zal een interministeriële conferentie plaatsvinden in verband met de volksgezondheid. Dat punt zal worden geagendeerd » (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3349/005, pp. 8-9).

B.7.2. Daaruit blijkt dat de wetgever de in het kader van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen voorgeschreven tegemoetkoming voor verstrekkingen die worden verricht met zware medische apparatuur onder meer afhankelijk heeft willen maken van de vermelding, op het getuigschrift voor verstrekte hulp of het als zodanig geldende document, van het identificatienummer van het gebruikte toestel en het rangnummer van de verstrekking. Uitgaande van de vaststelling « dat de apparaten en de apparatuur voor beeldvorming veel talrijker zijn dan het door de programmering opgelegde plafond », heeft de wetgever het aangewezen geacht een verplichting in te voeren om « alle apparatuur of ieder toestel opgesteld in medische diensten of medisch-technische diensten, afdelingen, functies of extramuros van een toestelidentificatienummer en een teller te voorzien », om aldus te kunnen « beschikken over een duidelijk beeld van de situatie ».

Uit de aangehaalde uittreksels uit de parlementaire voorbereiding blijkt eveneens dat de bestreden bepaling, ofschoon ze deel uitmaakt van de regelgeving betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, verband houdt met de programmatie van zware medische apparatuur en met de bescherming van de bevolking tegen ioniserende stralingen.

B.8.1. Naast de voorwaarde inzake de vermelding van het identificatienummer van het gebruikte toestel en het rangnummer van de verstrekking op het getuigschrift voor verstrekte hulp of het als zodanig geldende document, vereist de bestreden bepaling voor het toekennen van de desbetreffende tegemoetkoming eveneens dat de apparatuur overeenkomstig de ter zake geldende bepalingen inzake programmatie en erkenning van de wet op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen en haar uitvoeringsbesluiten werd geïnstalleerd en geëxploiteerd.

B.8.2. De bestreden bepaling voorziet op zich niet erin dat de buiten een erkend ziekenhuis verrichte verstrekkingen met zware medische apparatuur niet in aanmerking komen voor de erin bedoelde tegemoetkoming. De « ter zake geldende bepalingen inzake programmatie en erkenning » kunnen evenwel leiden tot dat resultaat. Die bepalingen kunnen evenwel ook ertoe leiden dat verstrekkingen die zouden worden verricht met bepaalde zware medische apparatuur in bepaalde erkende ziekenhuizen niet in aanmerking komen voor de bedoelde tegemoetkoming. De programmatieregels kunnen immers, wat de zware medische apparatuur betreft, ook voor de erkende ziekenhuizen voorzien in beperkingen van het medisch aanbod.

B.9. Zoals het Hof heeft geoordeeld bij zijn arrest nr. 139/2006 van 14 september 2006, vermag de wetgever een evenwicht na te streven tussen de noodzaak om de uitgaven van de ziekte- en invaliditeitsverzekering in de hand te houden, enerzijds, en de noodzaak om een kwalitatieve verzorging voor de patiënt te behouden alsook de tenlasteneming ervan door de ziekte- en invaliditeitsverzekering, anderzijds. Ermee rekening houdend dat een evenwicht moet worden gevonden tussen de behoeften van de bevolking en de budgettaire beperkingen inzake gezondheidszorg, is het niet onredelijk om het gebruik van zware medische apparaten, die per definitie duur zijn en een aanzienlijke weerslag hebben op de begroting inzake gezondheidszorg, aan beperkingen te onderwerpen, noch om de terugbetaling in het kader van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen te beperken tot verstrekkingen verricht met zware medische apparatuur die overeenkomstig de « ter zake geldende bepalingen inzake programmatie en erkenning » wordt geïnstalleerd en geëxploiteerd. In zoverre de desbetreffende medische apparatuur gebruik maakt van ioniserende stralingen, vermocht de wetgever eveneens van oordeel te zijn dat het aangewezen is om, teneinde de blootstelling van de patiënten aan ioniserende stralingen zoveel mogelijk te beperken, het medisch aanbod ter zake aan beperkingen te onderwerpen en de tegemoetkoming in het kader van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen voor te behouden voor verstrekkingen die worden verricht binnen de ter zake geldende beperkingen.

B.10. De bestreden bepaling doet bovendien geen afbreuk aan het recht van de patiënt om, indien nodig, te worden onderzocht of behandeld door middel van zware medische apparaten, noch aan zijn recht op tenlasteneming door de ziekte- en invaliditeitsverzekering van de kosten veroorzaakt door de met die apparatuur verrichte verstrekkingen. De regels betreffende de programmatie strekken immers onder meer ertoe het medisch aanbod te beheersen zonder afbreuk te doen aan de noden van de bevolking.

B.11. Het eerste middel is niet gegrond.

B.12. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel IV.1 van het Wetboek van economisch recht, met artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna : VEU) en met de artikelen 101, 102 en 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : VWEU).

De verzoekende partijen voeren in essentie aan dat de bestreden bepaling op een discriminerende wijze afbreuk doet aan de door de in het middel vermelde bepalingen gewaarborgde vrije mededinging.

B.13. Artikel 101 van het VWEU verbiedt alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Artikel 102 van het VWEU legt een verbod op aan ondernemingen om misbruik te maken van een machtspositie op de interne markt of op een wezenlijk deel daarvan, voor zover de handel tussen lidstaten daardoor ongunstig wordt beïnvloed. Artikel 107 van het VWEU bevat een principieel verbod van steun aan bepaalde ondernemingen of producties, die is bekostigd met overheidsmiddelen en de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen en het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt, zij het dat bepaalde vormen van steunmaatregelen wel verenigbaar worden geacht met de interne markt.

Ofschoon de artikelen 101 en 102 van het VWEU zich richten tot de ondernemingen, legt artikel 4, lid 3, van het VEU de lidstaten de verplichting op om zich te onthouden van het nemen of het in stand houden van maatregelen welke de voormelde artikelen 101 en 102 hun nuttig effect zouden kunnen ontnemen (HvJ, 16 november 1977, 13/77, INNO, punten 31 en 32; 23 april 1991, C-41/90, Höfner en Elser, punt 26; 18 juni 1991, C-260/89, ERT, punt 35; 19 mei 1993, C-320, Corbeau, punten 10 en 11).

B.14. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden.

B.15.1. De verzoekende partijen zijn in de eerste plaats van mening dat de bestreden bepaling in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 101 en 102 van het VWEU.

B.15.2. De artikelen 101 en 102 van het VWEU zijn niet van toepassing « indien een mededingingsverstorende gedraging bij een nationale wettelijke regeling aan de ondernemingen wordt voorgeschreven, of indien deze wettelijke regeling een rechtskader creëert dat zelf iedere mogelijkheid van concurrentieel gedrag voor deze ondernemingen uitsluit. In een dergelijke situatie vindt de beperking van de mededinging namelijk niet, zoals deze bepalingen impliceren, haar oorsprong in autonome gedragingen van de ondernemingen. Daarentegen kunnen de artikelen [101 en 102 van het VWEU] van toepassing zijn indien blijkt dat de nationale wettelijke regeling ruimte laat voor mededinging die door autonome gedragingen van de ondernemingen kan worden verhinderd, beperkt of vervalst (arrest van 11 november 1997, Commissie en Frankrijk/Ladbroke Racing, C-359/95 P en C-379/95 P, Jurispr. blz. I-6265, punten 33 en 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak) » (HvJ, 14 oktober 2010, C-280/08 P, Deutsche Telekom AG t. Commissie, punt 80).

B.15.3. Te dezen verwijten de verzoekende partijen de wetgever echter precies de ondernemingen die actief zijn in de medische sector een gedraging op te leggen die zij kwalificeren als mededingingsverstorend. Die verzoekende partijen voeren overigens geenszins aan dat de wetgever zich in werkelijkheid ertoe zou hebben beperkt het aannemen, door die ondernemingen, van autonome mededingingsverstorende gedragingen aan te moedigen of te vergemakkelijken. Voorts zetten zij niet uiteen in welk opzicht de gedraging van een van de ondernemingen die actief zijn in de medische sector een misbruik van een machtspositie zou inhouden of hoe de gedraging van alle of sommige van die ondernemingen een kartel zou vormen.

B.16. Hieruit vloeit voort dat het middel, in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 101 en 102 van het VWEU, niet gegrond is.

B.17.1. De verzoekende partijen zijn voorts van mening dat de bestreden bepaling in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 107 van het VWEU.

B.17.2. In dat opzicht dient in de eerste plaats te worden opgemerkt dat het Hof niet bevoegd is om uitspraak te doen over de verenigbaarheid van staatssteun met de interne markt. Die kwestie valt immers onder een eigen opdracht die aan de Europese Commissie is toegewezen, onder het toezicht van het Gerecht en van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het Hof kan daarentegen nagaan of de in het geding zijnde bepaling in strijd moet worden geacht met artikel 108, lid 3, van het VWEU om reden dat zij de uitvoering vormt van staatssteun die niet vooraf is aangemeld bij de Europese Commissie (HvJ, 18 juli 2013, C-6/12, P Oy, punt 38).

B.17.3. Te dezen voeren de verzoekende partijen echter niet aan dat de bestreden bepaling de verplichte voorafgaande aanmelding bij de Europese Commissie zou hebben geschonden. Integendeel, de korte uiteenzettingen die de verzoekende partijen aan die grief wijden, laten verstaan dat die partijen de verenigbaarheid betwisten van de veronderstelde staatssteun met de interne markt, hetgeen niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort.

B.18. Hieruit vloeit voort dat het tweede middel, in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 107 van het VWEU, niet gegrond is.

B.19. Vermits het Hof niet bevoegd is om wettelijke bepalingen te toetsen aan andere wettelijke bepalingen die geen bevoegdheidverdelende regels zijn, is het tweede middel, in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel IV.1 van het Wetboek van economisch recht, niet ontvankelijk.

B.20. Het tweede middel is niet gegrond.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt het beroep.

Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 4 november 2015.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

A. Alen.