Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 5 maart 2015 (België)

Publicatie datum :
05-03-2015
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
7 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20150305-2
Rolnummer :
25/2015

Samenvatting

Het Hof verwerpt het beroep.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, en de rechters J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, P. Nihoul en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 31 januari 2014 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 3 februari 2014, heeft Wim Raeymaekers beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 42, eerste en tweede lid, van de wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 augustus 2013, tweede editie) en van artikel 14 van de wet van 21 december 2013 houdende diverse fiscale en financiële bepalingen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 december 2013, tweede editie).

(...)

II. In rechte

(...)

B.1.1. De verzoekende partij vordert de vernietiging van artikel 42, eerste en tweede lid, van de wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen (hierna : wet van 30 juli 2013) en van artikel 14 van de wet van 21 december 2013 houdende diverse fiscale en financiële bepalingen (hierna : wet van 21 december 2013).

B.1.2. Het bestreden artikel 42, eerste en tweede lid, van de wet van 30 juli 2013 bepaalt :

« Artikel 40 is van toepassing op de uitgaven gedaan vanaf 1 juli 2013.

In afwijking van het eerste lid, mag voor de uitgaven gedaan voor 1 juli 2013 nog rekening worden gehouden met het maximumbedrag van de uitgaven bepaald in artikel 14521, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zoals het bestond voor te zijn gewijzigd bij artikel 40 van deze wet. [...] ».

Het niet-bestreden artikel 40 van de wet van 30 juli 2013 bepaalt :

« In artikel 14521, eerste lid, van het [WIB 1992], vervangen bij de wet van 21 december 1994, gewijzigd bij de wet van 7 april 1999, bij het koninklijk besluit van 13 juli 2001, en bij de wetten van 20 juli 2001, 22 december 2003 en 22 december 2009, worden de woorden ' tot ten hoogste 1.810 EUR ' vervangen door de woorden ' tot ten hoogste 920 EUR per belastingplichtige '.

B.1.3. Het bestreden artikel 14 van de wet van 21 december 2013 bepaalt :

« In artikel 42 van de wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen, worden het eerste en het tweede lid vervangen als volgt :

' Artikel 40 is van toepassing op de uitgaven gedaan vanaf 1 januari 2013.

In afwijking van het eerste lid blijft, wat de in 2013 gedane uitgaven betreft, het maximumbedrag van de uitgaven bepaald in artikel 14521, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals het bestond voor te zijn gewijzigd bij artikel 40 van deze wet, van toepassing wanneer de uitgaven gedaan voor 1 juli 2013 het maximumbedrag van 920 EUR per belastingplichtige reeds overschrijden. In dit geval komen de vanaf 1 juli 2013 gedane uitgaven evenwel niet meer in aanmerking voor een vermindering ' ».

B.1.4. Artikel 14521 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bepaalt thans :

« Onder de voorwaarden bepaald in artikel 14522, wordt een belastingvermindering verleend die wordt berekend op de uitgaven tot ten hoogste 920 EUR per belastingplichtige die geen beroepskosten zijn en die tijdens het belastbaar tijdperk werkelijk zijn betaald voor prestaties, te verrichten door een werknemer in het kader van plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen of voor prestaties betaald met dienstencheques bedoeld in de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, andere dan sociale dienstencheques.

De belastingvermindering is gelijk aan 30 pct van de in het eerste lid bedoelde uitgaven.

Voor het bepalen van het bedragen van de in het eerste lid vermelde uitgaven wordt alleen rekening gehouden met de nominale waarde van de P.W.A.-cheques vermeld in de reglementering betreffende de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen of met de nominale waarde van de in het eerste lid bedoelde dienstencheques ».

B.2. De verzoekende partij die op 8 juli 2013 dienstencheques aankocht, betoogt dat zij op dat ogenblik onmogelijk kon weten dat de fiscale aftrekbaarheid retroactief met ingang van 1 juli 2013 zou worden gewijzigd. De belastingvermindering voor de aankoop van dienstencheques wordt voortaan berekend op ten hoogste 920 euro per belastingplichtige (1 380 euro geïndexeerd) in plaats van op ten hoogste 1 810 euro (2 720 euro geïndexeerd). Ten gevolge van de vermindering van de fiscale aftrekbaarheid tot het geïndexeerde maximumbedrag van 1 380 euro, zou de verzoekende partij, door haar aankoop van dienstencheques op 8 juli 2013, dat bedrag met 226,50 euro hebben overschreden. Overeenkomstig artikel 14521 van het WIB 1992 zou op dat bedrag een belastingvermindering van 30 pct. dienen te worden toegepast. Aldus zou de verzoekende partij ingevolge de bestreden maatregel een bedrag van 67,95 euro worden ontzegd voor het inkomstenjaar 2013.

De verzoekende partij voert drie middelen aan.

Wat het eerste middel betreft

B.3. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wet.

De bestreden bepalingen zouden volgens de verzoekende partij een verschil in behandeling tussen twee vergelijkbare categorieën van gebruikers van dienstencheques invoeren : enerzijds, degenen die vanaf 1 juli 2013 tot en met 31 juli 2013 dienstencheques aankochten en ten gevolge daarvan het retroactief ingevoerde verlaagde bedrag van de belastingvermindering overschreden en, anderzijds, degenen die vanaf 1 augustus 2013 dienstencheques aankochten, zonder in juli 2013 zulke cheques te hebben aangekocht. Beide categorieën zouden vanaf 1 juli 2013 worden onderworpen aan een nieuw, verlaagd maximumbedrag dat recht geeft op belastingvermindering bij aankoop van dienstencheques.

Het verschil in behandeling zou er volgens de verzoekende partij in bestaan dat de eerst vermelde categorie onmogelijk zou kunnen weten dat met ingang van 1 juli 2013 het bedrag dat voor belastingvermindering in aanmerking zou komen van 2 720 euro naar 1 380 euro zou worden verminderd, terwijl de laatst vermelde categorie, door de inmiddels in het Belgisch Staatsblad op 1 augustus 2013 bekendgemaakte wet van 30 juli 2013, daarvan op de hoogte zou zijn, zodat die categorie haar gedrag daarop zou kunnen afstemmen door bijvoorbeeld enkel dienstencheques te bestellen tot het maximum van het fiscaal aftrekbare bedrag, binnen het gezin een tweede account te openen of geen dienstencheques meer te bestellen. Dat verschil in behandeling zou volgens de verzoekende partij voortvloeien uit de terugwerkende kracht die de wetgever aan de nieuwe regelgeving zou hebben gegeven.

B.4.1. Het bestreden artikel 42 is in de wet van 30 juli 2013 ingevoerd ten gevolge van het aannemen van een amendement dat als volgt is verantwoord :

« Door de jaren heen is het gebruik van dienstencheques steeds gestegen, waardoor de kost exponentieel is toegenomen.

Na de zesde staatshervorming zullen de dienstencheques een regionale bevoegdheid worden en zal elk gewest de regels naar eigen goeddunken kunnen aanpassen.

Het lijkt gepast om het systeem van de dienstencheques en PWA-cheques te behouden maar de uitgaven waarvoor de belastingvermindering kan worden verkregen te beperken vanaf 1 juli 2013. Voor de uitgaven gedaan voor deze datum, geldt nog het maximumbedrag zoals het voordien bestond » (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2891/004, p. 9).

B.4.2. De parlementaire voorbereiding van het bestreden artikel 14 van de wet van 21 december 2013 vermeldt :

« Artikel 42 van de wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen, bepaalt de inwerkingtreding van artikel 40 van diezelfde wet.

Het voormelde artikel 40 verlaagt het maximumbedrag van de uitgaven die voor vermindering in toepassing van artikel 14521 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 in aanmerking komt met ingang van 1 juli 2013.

De bedoeling van de Regering was die uitgaven te beperken tot 920 euro (per belastingplichtige - 1 380 euro - geïndexeerd bedrag), met dien verstande dat het maximumbedrag (op jaarbasis) - wat het inkomstenjaar 2013 betreft - ten hoogste 1 810 euro (2 720 euro geïndexeerd bedrag) kan bedragen, in het geval waarin iemand in de eerste helft van 2013 al voor dat bedrag dienstencheques zou hebben aangekocht.

Dit is gesteund op het feit dat zowel het bedrag van 2 720 euro als dat van 1 380 euro jaarbedragen zijn: tot 30 juni 2013 gold op jaarbasis een bedrag van 2 720 euro; vanaf 1 juli 2013 is dat nog slechts 1 380 euro; dat betekent dat van uitgaven die vanaf 1 juli 2013 gebeuren niets meer in aanmerking kan komen als (op jaarbasis) de grens van 1 380 euro al voorheen overschreden was.

De volgende hypotheses kunnen zich bijgevolg voordoen :

- eerste helft van het jaar 2013 werd voor meer dan 2 720 euro dienstencheques aangekocht : voor het hele jaar komt maximaal 2 720 euro in aanmerking; van eventueel in het tweede semester gedane uitgaven komt niets meer in aanmerking;

- eerste helft van het jaar 2013 werd voor meer dan 1 380 euro uitgegeven aan dienstencheques, maar minder dan 2 720 euro : het volledig bedrag van de uitgaven komt in aanmerking; van eventueel in het tweede semester gedane uitgaven komt niets in aanmerking;

- eerste helft van het jaar 2013 werd voor minder dan 1 380 euro uitgegeven aan dienstencheques; de uitgaven van het tweede semester 2013 komen dan ook in aanmerking, maar globaal komt op jaarbasis maximaal 1 380 euro in aanmerking.

Teneinde alle mogelijke twijfel ter zake te vermijden wordt voorgesteld artikel 42 te wijzigen » (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3236/001, pp. 14-15).

B.5. Uit de voormelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever met de bestreden maatregel een budgettair doel nastreeft, namelijk, gelet op de aanzienlijke stijging van het gebruik van dienstencheques, vanaf het aanslagjaar 2014 het maximumbedrag van de uitgaven voor dienstencheques die voor belastingvermindering in aanmerking komen, te verlagen. Overigens wordt voor de uitgaven van dienstencheques die tussen 1 januari 2013 en 30 juni 2013 werden gedaan, niet aan het voorheen bestaande fiscale voordeel geraakt (artikel 42, tweede lid, van de wet van 30 juli 2013 en artikel 14 van de wet van 21 december 2013, waarbij het tweede lid van artikel 42 van de wet van 30 juli 2013 wordt vervangen).

B.6. Het komt de wetgever toe belastingverminderingen of de verlaging ervan te bepalen. Hij beschikt ter zake over een ruime beoordelingsbevoegdheid. Fiscale maatregelen maken immers een wezenlijk onderdeel uit van het sociaaleconomische beleid. Zij zorgen niet alleen voor een substantieel deel van de inkomsten die de verwezenlijking van dat beleid mogelijk moeten maken, maar zij laten de wetgever ook toe om sturend en corrigerend op te treden en op die manier het sociale en economische beleid vorm te geven.

De maatschappelijke keuzen die bij het inzamelen en het inzetten van middelen moeten worden gemaakt, behoren derhalve tot de beoordelingsvrijheid van de wetgever. Het Hof vermag een dergelijke beleidskeuze, alsook de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts af te keuren indien zij niet redelijk verantwoord zijn.

B.7. In tegenstelling tot hetgeen zij beweert, beschikte de verzoekende partij over de mogelijkheid om, na de bekendmaking van de wet van 30 juli 2013 in het Belgisch Staatsblad van 1 augustus 2013, haar gedrag aan het bestreden artikel 42 van die wet aan te passen, zodat zij de weerslag van de bestreden maatregel kon beperken.

Immers, op grond van artikel 3, § 3, eerste lid, eerste zin, van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques beschikte de verzoekende partij over de mogelijkheid om haar niet-gebruikte en nog geldige dienstencheques terug te zenden. Naar luid van die bepaling « [kunnen] de gebruikers [...] bij het uitgiftebedrijf de terugbetaling aanvragen van de dienstencheques die nog niet werden gebruikt en die nog geldig zijn ». Aldus kon de verzoekende partij afzien van de mogelijkheid om van het systeem van dienstencheques verder gebruik te maken of kon zij de latere aankoop ervan beperken tot het nieuwe maximumbedrag dat voor belastingvermindering in aanmerking kwam. Desgewenst vermocht zij ook een tweede account voor dienstencheques binnen haar gezin aan te vragen om aldus tweemaal het fiscale voordeel te genieten dat per belastingplichtige wordt berekend.

Vermits de verzoekende partij haar gedrag aan de gewijzigde regelgeving kon aanpassen, is het verschil in behandeling dat zij tussen de door haar geconstrueerde categorieën van gebruikers van dienstencheques onderkent, zoals in B.3 omschreven, onbestaande.

B.8. De toetsing van de bestreden maatregelen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel, leidt niet tot een andere conclusie.

B.9.1. Overigens hebben de bestreden bepalingen, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij beweert, geen terugwerkende kracht.

Een fiscaalrechtelijke regel kan slechts als retroactief worden gekwalificeerd wanneer hij van toepassing is op feiten, handelingen en toestanden die definitief waren voltrokken op het ogenblik dat hij in werking is getreden.

Inzake inkomstenbelastingen ontstaat de belastingschuld definitief op de datum van afsluiting van de periode waarin de inkomsten verworven zijn die de belastingbasis uitmaken.

Bijgevolg kunnen alle wijzigingen die vóór het einde van het belastbare tijdperk in de inkomstenbelastingen werden ingevoerd worden toegepast zonder dat zij geacht kunnen worden een retroactief karakter te hebben.

B.9.2. Te dezen zijn de bestreden maatregelen opgenomen in de wet van 30 juli 2013 en in de wet van 21 december 2013 die werden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van respectievelijk 1 augustus 2013 en 31 december 2013. Die maatregelen zijn van toepassing op de uitgaven gedaan vanaf 1 juli 2013 respectievelijk vanaf 1 januari 2013. Zij hebben betrekking op het belastbare tijdperk 2013 dat op 31 december 2013 eindigt.

B.9.3. De bestreden maatregelen zijn derhalve bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wet.

B.10. In zoverre de verzoekende partij de bestreden bepalingen bekritiseert doordat zij verhinderen dat zij nog langer het maximumbedrag van 2 720 euro dat voor belastingvermindering in aanmerking komt, kan genieten, legt zij een verschil in behandeling voor dat steunt op de vergelijking van twee regelingen die op haar, op verschillende ogenblikken, van toepassing waren, namelijk, enerzijds, het vroegere maximum van 2 720 euro, en, anderzijds, het nieuwe maximum van 1 380 euro.

Om de inachtneming van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie te beoordelen, is het niet relevant twee wetgevende regelingen te vergelijken die op verschillende ogenblikken van toepassing waren. Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever een doelstelling na te streven die verschilt van die welke hij vroeger nastreefde en bepalingen aan te nemen die ze kunnen verwezenlijken. De enkele omstandigheid dat de wetgever een maatregel heeft genomen die verschilt van die welke hij vroeger heeft genomen, houdt op zich geen discriminatie in. Elke wetswijziging zou onmogelijk worden, indien zou worden aangenomen dat een nieuwe regeling het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie zou schenden om de enkele reden dat zij de toepassingsvoorwaarden van de vroegere regeling wijzigt. Het voormelde beginsel is niet geschonden om de enkele reden dat een nieuwe maatregel de berekeningen in de war stuurt van degenen die op het behoud van het vroegere beleid hadden gerekend.

Het is inherent aan een nieuwe wetgeving dat een onderscheid wordt gemaakt tussen personen die zijn betrokken bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de vroegere regeling vielen (maximumbedrag van 2 720 euro) en personen die zijn betrokken bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de latere regeling vallen (maximumbedrag van 1 380 euro).

B.11. Het eerste middel is niet gegrond.

Wat het tweede middel betreft

B.12. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 170 en 172 van de Grondwet.

B.13.1. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Artikel 172 van de Grondwet is een bijzondere toepassing van dat beginsel in fiscale aangelegenheden.

B.13.2. Om dezelfde redenen als die welke bij het onderzoek van het eerste middel zijn vermeld, is het tweede middel niet gegrond.

Wat het derde middel betreft

B.14. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

De bestreden bepalingen zouden tot gevolg hebben dat de verzoekende partij een belastingvoordeel van 67,95 euro zou worden ontzegd, zodat haar recht op het ongestoord genot van eigendom op onverantwoorde wijze zou zijn aangetast.

B.15.1. Bij het onderzoek van het eerste middel is gebleken dat de bestreden bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schenden, vermits het door de verzoekende partij onderkende verschil in behandeling niet bestaat.

De aangevoerde schending van die grondwetsbepalingen, in samenhang met de voormelde verdragsbepaling, leidt niet tot een andere conclusie.

B.15.2. Om dezelfde redenen als die welke bij het onderzoek van het eerste middel zijn vermeld, is het derde middel niet gegrond.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt het beroep.

Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 5 maart 2015.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

A. Alen