Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 8 juli 2010 (België)

Publicatie datum :
08-07-2010
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
5 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20100708-5
Rolnummer :
88/2010

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : - Aldus geïnterpreteerd dat de apothekers-klinisch biologen niet in aanmerking komen om diensthoofd te worden van een laboratorium voor klinische biologie in een ziekenhuis, schendt artikel 13 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - Aldus geïnterpreteerd dat de apothekers-klinisch biologen wel in aanmerking komen om diensthoofd te worden van een laboratorium voor klinische biologie in een ziekenhuis, schendt die bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, A. Alen, J.-P. Snappe en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest nr. 198.457 van 3 december 2009 in zake de vzw « Belgische Vereniging van de Apothekers specialisten in de Klinische Biologie » en anderen tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 15 december 2009, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 13 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, dat voorschrijft dat er in ieder ziekenhuis een geneesheer-diensthoofd dient te zijn voor ieder van de verschillende diensten van het medisch departement - en dus ook in het laboratorium voor klinische biologie - de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat deze bepaling inhoudt dat apothekers-klinisch biologen, in tegenstelling tot geneesheren-specialisten in de klinische biologie, geen diensthoofd kunnen zijn van een laboratorium voor klinische biologie ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Vóór de wijzigingen doorgevoerd bij de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008, en bij de wet van 10 december 2009 houdende diverse bepalingen inzake gezondheid, bepaalde artikel 13 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987 :

« In ieder ziekenhuis moet de medische aktiviteit gestructureerd zijn.

In ieder ziekenhuis is er :

1° een hoofdgeneesheer, die verantwoordelijk is voor de goede gang van zaken in het medisch departement; hij wordt benoemd en/of aangewezen door de beheerder;

2° een geneesheer-diensthoofd voor ieder van de verschillende diensten van het medisch departement; hij wordt benoemd en/of aangewezen door de beheerder;

3° een medische staf gevormd door alle ziekenhuisgeneesheren.

De Koning bepaalt de minimumtaken welke aan de hoofdgeneesheer en de geneesheren-diensthoofd worden opgedragen; deze taken hebben betrekking op de organisatie en coördinatie van de medische aktiviteit in het ziekenhuis.

De functie van hoofdgeneesheer is onverenigbaar met het voorzitterschap van de Medische Raad ».

B.2. Het Hof wordt gevraagd of die bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat apothekers-klinisch biologen, in tegenstelling tot geneesheren-specialisten in de klinische biologie, geen diensthoofd kunnen zijn van een laboratorium voor klinische biologie van een ziekenhuis.

B.3.1. De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vraag zonder voorwerp is geworden omdat de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008, sinds de wijziging ervan bij de voormelde wet van 10 december 2009, uitdrukkelijk erin voorziet dat apothekers die overeenkomstig artikel 5, § 2, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen gemachtigd zijn analyses van klinische biologie te verrichten, diensthoofd kunnen worden van een laboratorium voor klinische biologie (artikelen 9 en 18).

B.3.2. Het staat in de regel aan de rechter die de prejudiciële vraag stelt te bepalen welke normen van toepassing zijn op het aan hem voorgelegde geschil en na te gaan of het antwoord op de gestelde vraag dienend is om het hem voorgelegde geschil te beslechten. Slechts wanneer dit klaarblijkelijk niet het geval is, vermag het Hof te beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft.

B.3.3. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing kan worden afgeleid dat de verwijzende rechter van oordeel is dat het bij hem bestreden ministerieel besluit dient te worden getoetst aan de in het geding zijnde bepaling, in de versie ervan zoals van toepassing op het ogenblik waarop dat ministerieel besluit werd aangenomen. Het antwoord op de gestelde prejudiciële vraag is bijgevolg klaarblijkelijk dienend om het aan hem voorgelegde geschil te beslechten.

B.4. De in het geding zijnde bepaling schrijft voor dat er in ieder ziekenhuis een geneesheer-diensthoofd dient te zijn voor ieder van de verschillende diensten van het medisch departement. Vermits die bepaling niet voorziet in een uitzondering, geldt dat voorschrift ook voor het laboratorium voor klinische biologie van een ziekenhuis.

B.5.1. De verwijzende rechter interpreteert de in het geding zijnde bepaling in die zin dat de functie van diensthoofd van een laboratorium voor klinische biologie enkel kan worden waargenomen door een geneesheer-specialist in de klinische biologie, en dus niet door een apotheker-klinisch bioloog.

B.5.2. In die interpretatie roept die bepaling een verschil in behandeling in het leven tussen geneesheren-specialisten in de klinische biologie en apothekers-klinisch biologen. Ofschoon dat verschil in behandeling steunt op een objectief criterium, namelijk het diploma van de betrokken personen, dient te worden onderzocht of het ook redelijk is verantwoord.

B.6.1. Volgens artikel 5, § 2, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen zijn « de houders van het wettelijk diploma van apotheker [...] ertoe gemachtigd de analyses van klinische biologie te verrichten, welke de Koning bepaalt [...] en waarvan Hij [...] de uitvoeringsmodaliteiten vaststelt ». Volgens het koninklijk besluit van 5 november 1964 « tot vaststelling van de voorwaarden voor de machtiging van de apothekers die bevoegd zijn om verstrekkingen te verrichten, die tot de klinische biologie behoren », zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 8 augustus 1984 en bij koninklijk besluit van 22 oktober 2002, kan een houder van het wettelijk diploma van apotheker door de minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, worden gemachtigd om analyses van klinische biologie te verrichten, na het volgen van een opleiding tot apotheker-specialist in de klinische biologie, die aan de in dat besluit omschreven voorwaarden voldoet.

B.6.2. Daaruit blijkt dat de regelgever ervan is uitgegaan dat de apothekers die erkend zijn als specialisten in de klinische biologie, dezelfde kwalitatieve waarborgen bieden bij het verrichten van analyses van klinische biologie als de geneesheren-specialisten in de klinische biologie.

B.7.1. De in het geding zijnde bepaling vindt haar oorsprong in artikel 2bis, § 1, van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen, zoals ingevoegd bij artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 407 van 18 april 1986 « tot wijziging en aanvulling van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen ».

B.7.2. Uit de artikelsgewijze bespreking opgenomen in het verslag aan de Koning dat aan dat koninklijk besluit voorafgaat blijkt dat de regelgever met die bepaling « basisvereisten [...] [wou stellen] op het vlak van de medisch-organisatorische structuur en [...] basisvoorwaarden [...] [wou formuleren] inzake kwaliteitsbevordering van de medische aktiviteit in het ziekenhuis » (Belgisch Staatsblad , 6 mei 1986, p. 6480).

Ofschoon de regelgever, zoals reeds is vastgesteld in B.6.2, ervan is uitgegaan dat de erkende apothekers-klinische biologen op het vlak van de klinische biologie dezelfde kwalitatieve waarborgen bieden als de geneesheren-specialisten in de klinische biologie, bevat dat verslag aan de Koning geen verantwoording voor het feit dat de apothekers-klinisch biologen, in tegenstelling tot geneesheren-specialisten in de klinische biologie, niet in aanmerking komen om de functie van diensthoofd van een laboratorium in de klinische biologie uit te oefenen.

B.7.3. Volgens de Ministerraad heeft de wetgever nooit de bedoeling gehad om apothekers-klinisch biologen uit te sluiten van de functie van diensthoofd van een laboratorium in de klinische biologie van een ziekenhuis. Hij verwijst daarbij ook naar de parlementaire voorbereiding van de voormelde wet van 10 december 2009, waarmee het in het geding zijnde verschil in behandeling uitdrukkelijk werd weggewerkt, onder de motivering dat het « altijd de bedoeling [is] geweest van de wetgever om de tandartsen, apothekers en klinisch biologen die werkzaam zijn in het ziekenhuis hetzelfde statuut als een ziekenhuisgeneesheer te geven alsook dezelfde mogelijkheden om deel te nemen aan de organisatie van het ziekenhuis » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-2172/001, p. 3).

B.8. In die omstandigheden is het in het geding zijnde verschil in behandeling niet redelijk verantwoord.

B.9. Indien de in het geding zijnde bepaling wordt geïnterpreteerd in die zin dat de apothekers-klinisch biologen niet in aanmerking komen om diensthoofd te worden van een laboratorium voor klinische biologie in een ziekenhuis, dient de prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord.

B.10. De in het geding zijnde bepaling kan echter ook zo worden geïnterpreteerd dat de apothekers-klinisch biologen wel in aanmerking komen om diensthoofd te worden van een laboratorium voor klinische biologie.

B.11.1. Artikel 9 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, bepaalt immers dat « de bepalingen van de artikelen 13 tot 17 en van Titel IV die op de ziekenhuisgeneesheren van toepassing zijn, [...] mede van toepassing [zijn] op de in het ziekenhuis werkzame beoefenaars van de tandheelkunde bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967, evenals op de in het ziekenhuis werkzame apothekers of licentiaten in de scheikundige wetenschappen die overeenkomstig artikel 5, § 2, van het vorengenoemde besluit gemachtigd zijn analyses van klinische biologie te verrichten ».

B.11.2. Die bepaling vindt haar oorsprong in artikel 1, § 5, van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen, zoals ingevoegd bij artikel 3 van het voormelde koninklijk besluit nr. 407 van 18 april 1986.

In zijn advies over het ontwerp dat heeft geleid tot dat koninklijk besluit had de Raad van State het volgende opgemerkt :

« 7.2. Luidens paragraaf 5 die aan hetzelfde artikel 1 wordt toegevoegd, zijn de bepalingen van artikel 2bis en van titel II van die wet die op de ziekenhuisgeneesheren van toepassing zijn, mede van toepassing op de in het ziekenhuis werkzame beoefenaars van de tandheelkunde bedoeld in artikel 3, § 1 (lees : artikel 3, eerste lid) van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967, evenals op de in het ziekenhuis werkzame apothekers en licentiaten in de scheikundige wetenschappen die overeenkomstig artikel 5, § 2, van hetzelfde koninklijk besluit nr. 78 gemachtigd zijn analyses van klinische biologie te verrichten.

Daar de tekst algemeen is, geldt de gelijkstelling voor de toepassing van alle bepalingen van artikel 2bis en titel II. Mocht dat niet de bedoeling zijn, dan zouden de uitzonderingen uitdrukkelijk moeten worden vermeld.

Zoals de tekst nu luidt, betekent hij ook dat voor de apotheker die weliswaar in het ziekenhuis werkzaam is maar geen analyses van klinische biologie verricht, de gelijkstelling met geneesheren niet geldt » (Belgisch Staatsblad , 6 mei 1986, p. 6497).

In het verslag aan de Koning werd daarop als volgt gereageerd :

« De door artikel 2 van dit besluit ingevoerde definitie van ziekenhuisgeneesheer omvat enkel de geneesheer; de in het ziekenhuis werkzame licentiaten in de tandheelkunde en de apothekers-klinisch biologen en licentiaten in scheikunde die gemachtigd zijn om analyses van klinische biologie te verrichten, stellen geneeskundige handelingen.

De Senaatscommissie was van oordeel dat de regels die met betrekking tot de ziekenhuisgeneesheren werden gesteld ook voor de hierboven vermelde practici moesten gelden. De Regering heeft zich aangesloten bij dit standpunt. Naar zijn inhoud is de tekst van de nieuwe § 5 identiek aan de tekst van een amendement aangenomen in de Senaat.

In antwoord op een vraag tot verduidelijking van de Raad van State (zie advies, punt 7.2.) wordt bevestigd dat voor de bedoelde beoefenaars de gelijkstelling voor de toepassing van de bepalingen van artikel 2bis en Titel II geldt voor alle bepalingen. De bedoelde beoefenaars kunnen dus bv. verkozen worden als lid van de Medische Raad » (Belgisch Staatsblad , 6 mei 1986, p. 6478).

B.11.3. Daaruit blijkt dat aan de in artikel 9 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, vervatte regel een ruime interpretatie werd gegeven, zodat de in het geding zijnde bepaling, in het licht van dat artikel 9, kan worden geïnterpreteerd in die zin dat de apothekers-klinisch biologen wel in aanmerking komen om diensthoofd te worden van een laboratorium voor klinische biologie.

B.12. In die interpretatie van de in het geding zijnde bepaling, dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- Aldus geïnterpreteerd dat de apothekers-klinisch biologen niet in aanmerking komen om diensthoofd te worden van een laboratorium voor klinische biologie in een ziekenhuis, schendt artikel 13 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

- Aldus geïnterpreteerd dat de apothekers-klinisch biologen wel in aanmerking komen om diensthoofd te worden van een laboratorium voor klinische biologie in een ziekenhuis, schendt die bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 8 juli 2010.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.