Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 8 mei 2014 (België)

Publicatie datum :
08-05-2014
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
19 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20140508-6
Rolnummer :
77/2014

Samenvatting

Het Hof - wijst de afstand toe in de zaak nr. 5656; - rekening houdend met de interpretaties die in B.16.2 en B.23.2 zijn vermeld, verwerpt de beroepen.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging

a. Bij verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 10 juni 2013 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 11 juni 2013, zijn beroepen tot vernietiging ingesteld van de wet van 13 december 2012 houdende diverse wijzigingsbepalingen betreffende de pensioenen van de overheidssector (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 21 december 2012, derde editie), in het bijzonder de artikelen 3 (gedeeltelijk), 5 en 6, respectievelijk door Mathieu Boscariol, Jean-Claude Chariot, Jean-Michel Duplicy en Alain Baudhuin.

b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 20 juni 2013 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 21 juni 2013, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 3 en 5 van dezelfde wet door Pascal Dumont, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Joassart en Mr. P. Knaepen, advocaten bij de balie te Brussel.

c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 21 juni 2013 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 24 juni 2013, is beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet, in het bijzonder de artikelen 3 (gedeeltelijk) en 5, door ACV-Transcom en Victor Teney, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Grignard, Mr. S. Gioe en Mr. L. Pauly, advocaten bij de balie te Luik.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5655, 5656, 5657, 5658 (a), 5671 (b) en 5673 (c) van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

II. In rechte

(...)

B.1.1. De beroepen tot vernietiging zijn gericht tegen de artikelen 3, 5 en 6 van de wet van 13 december 2012 houdende diverse wijzigingsbepalingen betreffende de pensioenen van de overheidssector (hierna : de wet van 13 december 2012).

Die artikelen, die de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen (hierna : de wet van 28 december 2011) wijzigen, bepalen :

« Art. 3. In artikel 88 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° het tweede tot het vierde lid worden vervangen als volgt :

' Het eerste lid doet geen afbreuk aan de voorwaarden inzake duur van de diensten en aan de preferentiële leeftijdsgrenzen van de oppensioenstelling bepaald :

- voor het rijdend personeel van de NMBS-Holding;

- voor de geïntegreerde politie;

- voor de militairen;

- voor de gewezen militairen bedoeld in artikel 10 van de wet van 30 maart 2001 betreffende het pensioen van het personeel van de politiediensten en hun rechthebbenden, in artikel 5bis van de wet van 25 februari 2003 houdende de inrichting van de functie van veiligheidsbeambte met het oog op de uitvoering van taken die betrekking hebben op de politie van hoven en rechtbanken en de overbrenging van gevangenen, in artikel 10 van de wet van 16 juli 2005 houdende de overplaatsing van sommige militairen naar een openbare werkgever en in artikel 194 van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen van het actief kader van de Krijgsmacht.

In afwijking van het eerste lid worden de personen die zich op eigen aanvraag op 1 januari 2012 in een voltijdse of deeltijdse disponibiliteit voorafgaand aan de oppensioenstelling bevinden of in een vergelijkbare situatie, op pensioen gesteld op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van de termijn van die disponibiliteit of van de ermee gelijkgestelde situatie. Deze datum kan evenwel niet gelegen zijn voor de eerste dag van de maand die volgt op de 60e verjaardag.

Het derde lid is eveneens van toepassing op de personen die bij hun werkgever een aanvraag om vóór 5 maart 2013 in een in datzelfde lid beoogde situatie te worden geplaatst hebben ingediend :

1° vóór 1 januari 2012;

2° of vanaf 1 januari 2012 op voorwaarde dat deze aanvraag door de werkgever werd ingewilligd vóór 5 maart 2012. '.

2° de volgende leden worden toegevoegd, luidende :

' De afwijkingen voorzien in het derde en vierde lid zijn niet meer van toepassing indien het personeelslid de disponibiliteit of de vergelijkbare situatie voortijdig beëindigt.

Het rijdend personeel bedoeld in het tweede lid zijn de personeelsleden die behoren tot het rijdend personeel bepaald door het pensioenreglement van de NMBS Holding zoals het van kracht was op 28 december 2011. ' ».

« Art. 5. Artikel 90 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :

' Art. 90. Elke persoon die op een bepaald ogenblik de voorwaarden inzake leeftijd en duur van de diensten vervult die, voor de personeelscategorie waartoe hij op dat ogenblik behoort, gelden om voor de leeftijd van 62 jaar een rustpensioen te bekomen, behoudt het genot van dit voordeel, ongeacht de latere werkelijke ingangsdatum van zijn pensioen of de personeelscategorie waartoe hij op die datum behoort '.

Art. 6. In artikel 92 van dezelfde wet worden de woorden ' en is uitsluitend van toepassing op de pensioenen die ingaan vanaf die datum ' geschrapt ».

B.1.2. Uit de uiteenzetting in de verzoekschriften blijkt dat de beroepen zich, met betrekking tot het bestreden artikel 3, beperken tot het 1° van dat artikel, in zoverre het in artikel 88 van de voormelde wet van 28 december 2011 een tweede lid invoegt, dat bepaalt dat het eerste lid geen afbreuk doet aan de preferentiële leeftijdsgrenzen van de oppensioenstelling bepaald voor het rijdend personeel van de NMBS-Holding, en tot het 2° van dat artikel, in zoverre het een zesde lid invoegt in artikel 88 van de voormelde wet van 28 december 2011, waarin het in het tweede lid bedoelde begrip « rijdend personeel » wordt geëxpliciteerd.

Met betrekking tot het bestreden artikel 3 beperkt het Hof zijn onderzoek tot die aspecten.

B.2. Het koninklijk besluit van 11 december 2013 « houdende het personeel van de Belgische Spoorwegen », aangenomen ter uitvoering van de wet van 30 augustus 2013 « betreffende de hervorming van de Belgische spoorwegen » en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 december 2013, heeft de verschillende reglementaire teksten en wetteksten die verwijzen naar het personeel van de NMBS-Holding, aangepast teneinde rekening te houden met de reorganisatie van de activiteiten en de structuren van de NMBS-Holding, Infrabel en de NMBS.

In die context wordt het personeel van de NMBS-Holding met ingang van 1 januari 2014 overgedragen naar « HR Rail », naamloze vennootschap van publiek recht, die als enige werkgever van het personeel van de huidige NMBS-groep zal optreden.

Artikel 2, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 11 december 2013 bepaalt :

« Alle statutaire en niet statutaire personeelsleden in dienst van NMBS Holding op 31 december 2013 worden van rechtswege overgedragen naar HR Rail met ingang van 1 januari 2014 zonder dat hun rechtspositie hierbij wordt gewijzigd ».

Die wijziging heeft dus geen weerslag op het onderzoek van de huidige beroepen.

Het Hof zal hierna verwijzen naar het personeel van de NMBS.

B.3. Bij op 24 oktober 2013 ter post aangetekende brief, ingekomen ter griffie van het Hof op 25 oktober 2013, heeft de verzoeker in de zaak nr. 5656 het Hof laten weten dat hij afstand doet van zijn beroep.

Niets belet te dezen dat het Hof de afstand toewijst.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de beroepen

B.4.1. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van het beroep dat door de eerste verzoekende partij in de zaak nr. 5673 is ingesteld, in zoverre de vakorganisatie, met schending van artikel 7, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, geen beslissing om de vernietiging te vorderen zou voorleggen.

B.4.2. Aangezien het belang van de tweede verzoekende partij in de zaak nr. 5673 vaststaat, en dat beroep ontvankelijk is, dient niet te worden onderzocht of de eerste verzoekende partij ook aan de ontvankelijkheidsvereisten voldoet.

B.5.1. De Ministerraad betwist eveneens de ontvankelijkheid ratione temporis van de beroepen, aangezien hij van mening is dat de grieven in werkelijkheid niet tegen de bestreden bepalingen zijn gericht, maar tegen de artikelen 88 en 90 van de wet van 28 december 2011, die het voordeel van de preferentiële voorwaarden voor pensionering reeds afhankelijk stelden van de hoedanigheid van lid van het rijdend personeel van de NMBS-Holding, op het ogenblik van de pensionering, en die de bestreden bepalingen enkel beogen te verduidelijken.

B.5.2. Wanneer een exceptie van onontvankelijkheid tevens betrekking heeft op de draagwijdte die aan de bestreden bepalingen dient te worden gegeven, valt het onderzoek van de ontvankelijkheid samen met dat van de grond van de zaken.

Ten aanzien van de context van de bestreden bepalingen

B.6.1. Het pensioenstelsel van de NMBS, dat oorspronkelijk werd gefinancierd door een pensioenfonds binnen de NMBS, is door de Belgische Staat ten laste genomen overeenkomstig het koninklijk besluit van 28 december 2005, aangenomen krachtens de artikelen 159 en 160 van de programmawet van 27 december 2005 en bekrachtigd bij artikel 70 van de programmawet van 20 juli 2006.

Bij artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 28 december 2005 werd gewaarborgd dat de personeelsleden van de NMBS en hun rechthebbenden de op 31 december 2005 van kracht zijnde toekennings- en berekeningsvoorwaarden van de pensioenen zouden blijven genieten, met name artikel 115 van de wet van 14 februari 1961 « voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel » (hierna : de wet van 14 februari 1961), zoals het is gewijzigd bij artikel 84 van de wet van 21 mei 1991 « houdende diverse wijzigingen aan de wetgeving betreffende de pensioenen van de openbare sector » (hierna : de wet van 21 mei 1991).

B.6.2. Vóór de wijziging ervan bij het voormelde koninklijk besluit van 11 december 2013, bepaalde artikel 115 van de wet van 14 februari 1961 :

« Behoudens de hierna opgegeven uitzonderingen, mag het recht op een rustpensioen niet ontstaan vóór de eerste van de maand die volgt op deze waarin de in artikel 113 vermelde personen de leeftijd van 65 jaar bereiken.

[...]

De personeelsleden van de N.M.B.S. Holding kunnen het rustpensioen aanvragen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die waarin zij de leeftijd van 55 jaar bereiken, op voorwaarde dat zij 30 dienstjaren tellen, bewezen in de hoedanigheid van leden van het rijdend personeel.

Indien zij aan die vereiste niet voldoen, kunnen zij hun rustpensioen aanvragen zoveel maanden vóór de eerste dag van de maand die volgt op die waarin zij de leeftijd van 60 jaar bereiken, als zij semesters tellen doorgebracht in de hoedanigheid van leden van het rijdend personeel, op voorwaarde dat de duur van de werkelijke diensten 30 jaar bereikt ».

B.6.3. In de parlementaire voorbereiding met betrekking tot artikel 84 van de wet van 21 mei 1991, dat artikel 115 van de wet van 14 februari 1961 heeft gewijzigd, wordt uiteengezet dat die regeling « een maatregel betreffende het rijdend personeel van de N.M.B.S. [concretiseert] waartoe was besloten in het kader van het akkoord van sociale programmatie voor het jaar 1989 » (Parl. St., Senaat, 1989-1990, nr. 1050/1, p. 1) :

« Artikel 115, eerste lid, van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel (de zogenaamde ' Eenheidswet ') heeft het principe van de toekenning van het pensioen op de leeftijd van 65 jaar veralgemeend voor alle titularissen van burgerlijke ambten die afhangen van de openbare machten en van de verschillende gedecentraliseerde openbare instellingen die onder de voogdij van de Staat, de provincies of de gemeenten staan.

Voor de personeelsleden die behoren tot het rijdend personeel van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen werd, in afwijking van die regel, door het vierde lid van hetzelfde artikel 115 de mogelijkheid voorzien om vanaf de leeftijd van 60 jaar op rust gesteld te worden.

Anderzijds werd, door een waarborgclausule ingebouwd in artikel 116, § 2, eerste lid, van de voornoemde wet, voor de personeelsleden in dienst op 31 december 1960 voorzien in het behoud van het pensioenrecht volgens het op die datum van kracht zijnde stelsel indien dit voordeliger was.

Zo konden de leden van het rijdend personeel van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen die in die hoedanigheid op 31 december 1960 in dienst waren, blijven genieten van het facultatief pensioen op 55 jaar mits dertig dienstjaren in die hoedanigheid te tellen, of op een leeftijd tussen 55 en 60 jaar indien hun loopbaan bestond uit minstens dertig dienstjaren met zowel rijdende als sedentaire diensten, terwijl degenen die op een latere datum in dienst zijn getreden slechts op 60-jarige leeftijd op rust kunnen worden gesteld.

Dienaangaande kan men stellen dat het hinderlijk karakter van de functie, dat indertijd het instellen heeft gerechtvaardigd van een regeling die voorzag in de opruststelling op aanvraag vanaf de leeftijd van 55 jaar, nadien is blijven bestaan en zelfs toegenomen is daar de prestaties van geheel het rijdend personeel onderworpen zijn aan steeds veranderlijke en in elk geval onregelmatige uurroosters, hetgeen een permanente belasting van het zenuwstelsel meebrengt.

Bovendien telt de N.M.B.S. die gedurende de laatste jaren geconfronteerd werd met de noodzaak van een herstructurering van haar net, momenteel een overschot aan personeel en dit vooral in het rijdend kader.

In dit verband dient benadrukt te worden dat de recent bij de N.M.B.S. ingestelde stelsels van vrijwillig prepensioen en van ambtshalve opruststelling van personeelsleden van 60 jaar of ouder, geen ander doel hadden dan de nodige middelen te scheppen om tot een vermindering van het aantal in dienst zijnde personeelsleden te komen. De vraag kan bijgevolg gesteld worden of het niet incoherent zou zijn om beperkende maatregelen die destijds in een geheel andere context dan de huidige ingesteld werden, te behouden.

Uit deze overwegingen blijkt duidelijk dat de leden van het rijdend personeel die na de inwerkingtreding van de wet van 14 februari 1961 in dienst getreden zijn, inzake rustpensioen over dezelfde mogelijkheden zouden moeten kunnen beschikken als die toegekend aan hun voorgangers.

Dienaangaande dient onder andere in overweging genomen te worden dat de maatregel slechts effectief zal zijn vanaf 1991, namelijk vanaf het ogenblik waarop de eerste personeelsleden van deze categorie dertig jaar rijdende diensten zullen kunnen doen gelden.

Artikel [84] voorziet bijgevolg in het herstel, voor de na 31 december 1960 in dienst getreden leden van het personeel van de N.M.B.S., van de mogelijkheid om hun opruststelling op de leeftijd van 55 jaar aan te vragen, op voorwaarde dat zij dertig dienstjaren tellen in de hoedanigheid van lid van het rijdend personeel.

Zij die deze voorwaarde niet vervullen, maar wier loopbaan samengesteld is zowel uit rijdende als uit sedentaire diensten, met een totale duur van minstens dertig jaar, zullen hun opruststelling kunnen aanvragen tussen 55 en 60 jaar. De vervroeging met betrekking tot de leeftijd van 60 jaar bedraagt één maand per semester rijdende dienst.

Er dient te worden opgemerkt dat de maatregel slechts geldig is voor een periode beperkt tot drie jaar, gaande van 1 januari 1991 tot 31 december 1993.

Hij zal voor opeenvolgende periodes van maximum drie jaar kunnen verlengd worden, bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, rekening houdend met de economische evolutie van de maatschappij en met haar situatie inzake personeel. Bij gebrek aan verlenging overeenkomstig de voornoemde bepalingen, zal de maatregel ter zake nog slechts bij of krachtens een wet kunnen uitgevoerd worden » (ibid., pp. 37-39).

B.6.4. Overeenkomstig artikel 85 van de voormelde wet van 21 mei 1991 waren de in artikel 115 van de wet van 14 februari 1961 vervatte preferentiële bepalingen voor de personeelsleden van de NMBS oorspronkelijk geconcipieerd als tijdelijk, en enkel van toepassing op de pensioenen die zouden ingaan gedurende de periode van 1 januari 1991 tot 31 december 1993; de toepassing van dat systeem kon bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit evenwel worden verlengd voor opeenvolgende perioden van maximaal drie jaar (artikel 85, tweede lid, van de wet van 21 mei 1991).

Na vier opeenvolgende verlengingen van de toepassing van de preferentiële regeling bedoeld in artikel 115 van de wet van 14 februari 1961, zoals het bij artikel 84 van de voormelde wet van 21 mei 1991 is ingevoerd, werd die beperking in de tijd opgeheven bij artikel 93 van de wet van 23 december 2005 houdende diverse bepalingen, dat artikel 85 van de voormelde wet van 21 mei 1991 heeft opgeheven.

Vanaf 1 januari 2006, datum van inwerkingtreding van de opheffing van artikel 85 van de voormelde wet van 21 mei 1991, werd de in artikel 115 van de wet van 14 februari 1961 bedoelde preferentiële regeling dus geconcipieerd als de gemeenrechtelijke regeling die op de pensioenen van de personeelsleden van de NMBS van toepassing was.

B.6.5. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 23 december 2005 wordt met betrekking tot de preferentiële pensioenregeling van de personeelsleden van de NMBS uiteengezet :

« Voor de leden van het rollend personeel van de NMBS Holding was de mogelijkheid om hun oppensioenstelling aan te vragen vanaf de leeftijd van 55 jaar reeds voorzien in het eerste Personeelsstatuut van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, dat opgesteld werd in 1932. Daardoor werd het stelsel verlengd dat van kracht was bij de voormalige Administratie van de Rijksspoorwegen.

Artikel 115 van de wet van 14 februari 1961 op de economische expansie, de sociale vooruitgang en het financieel herstel (' eenheidswet ' genoemd), dat het principe veralgemeende van de toekenning van het pensioen in de overheidssector op de leeftijd van 65 jaar voor alle beambten die na 31 december 1960 in dienst traden, liet, in zijn vierde lid, en in afwijking van de algemene regel, toe dat het rollend personeel van de NMBS vanaf 60 jaar op pensioen kon gesteld worden.

Deze maatregel werd evenwel nooit toegepast.

Artikel 84 van de wet van 21 mei 1991 houdende diverse wijzigingen aan de wetgeving met betrekking tot de pensioenen in de overheidssector heeft voornoemd artikel 115 gewijzigd, en heeft het stelsel van rustpensioen op aanvraag voor de leden van het rollend personeel van de NMBS bevestigd, met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin zij de leeftijd van 55 jaar bereiken, en voorzover zij tenminste dertig dienstjaren in die hoedanigheid aantonen.

Als de beambte niet voldoet aan deze laatste voorwaarde kan hij het rustpensioen aanvragen evenveel maanden voor de eerste dag van de maand die volgt op zijn zestigste verjaardag als het aantal semesters dat hij als lid van het rollend personeel gepresteerd heeft, en voorzover hij tenminste 30 effectieve dienstjaren aantoont.

Artikel 85 van dezelfde wet beperkt deze mogelijkheid tot de pensioenen die een aanvang nemen tussen 1 januari 1991 en 31 december 1993. De toepassing kan evenwel verlengd worden bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, voor opeenvolgende periodes van telkens maximaal drie jaar.

De toepassing van dit stelsel werd zonder onderbreking verlengd door de koninklijke besluiten van 14 juli 1994, van 18 februari 1998, van 22 mei 2000 en van 16 december 2002. Het meest recente koninklijk besluit terzake handelt over de periode van 1 januari 2003 tot 31 december 2005.

Dit bijzonder stelsel is verantwoord gezien de belastende aard van deze functies : onregelmatige prestaties, nachtwerk, vereiste graad van flexibiliteit en autonomie, hoge stress vanwege het strikt respecteren van de veiligheidsnormen en het isolement op de werkplaats.

Dit aspect van belasting zal nog verscherpt worden in de toekomst, met name door de vereiste ruimere polyvalentie en toegenomen flexibiliteit, die opgenomen zijn in de interne bedrijfsreglementen betreffende de prestaties van de treinbestuurders, om het hoofd te kunnen bieden aan de concurrentie die ontstaat binnen het kader van de liberalisering van de Europese spoorwegen.

Uit alle bovengenoemde elementen blijkt dat de huidige en toekomstige leden van het rollend personeel van de NMBS Holding, die na 31 december 2005 in dienst zijn, in alle billijkheid zouden moeten kunnen genieten van dezelfde voordelen inzake pensioenen dan hun voorgangers.

Artikel [93] schrapt bijgevolg elke beperking in de tijd van de toepassing van het stelsel van pensionering op aanvraag vanaf 55 jaar voor het rollend personeel » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2020/001, pp. 62-63).

B.6.6. Uit het voorafgaande vloeit voort dat de regeling die is vastgelegd in artikel 115 van de wet van 14 februari 1961, dat voor de personeelsleden van de NMBS een preferentiële vervroegde pensioenleeftijd tussen 55 en 60 jaar invoert naar gelang van de jaren werkelijke rijdienst, werd verantwoord door de zwaarte van het beroep.

Die preferentiële regeling is eveneens opgenomen in artikel 5 van hoofdstuk XVI van het statuut van het personeel van de NMBS-Holding, dat bepaalt :

« Elk personeelslid mag zijn rechten op een rustpensioen doen gelden vanaf 60 jaar, indien het ten minste 20 jaar werkelijke diensten heeft volbracht.

Die leeftijd wordt evenwel verlaagd tot :

- 55 jaar, indien het personeelslid ten minste 30 jaar werkelijke rijdiensten heeft volbracht;

- een leeftijd vastgesteld tussen 55 en 60 jaar naar rata van zijn werkelijke rijdiensten en sedentaire diensten die in totaal ten minste 30 jaar moeten bedragen.

Als werkelijke diensten komen in aanmerking, de bij de NMBS Holding met al dan niet ter beschikkingstelling van Infrabel of de NMBS bewezen en door de NMBS Holding bezoldigde diensten, alsmede de bij het reglement bepaalde dienstprestaties en onderbrekingen.

Worden in de zin van dit statuut als dusdanig beschouwd, de vóór 1 januari 2005 bij de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen bewezen en door deze Maatschappij bezoldigde diensten ».

B.7.1. Bij de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen is een hervorming van de pensioenen in de overheidssector doorgevoerd, door de principiële vervroegde pensioenleeftijd te verhogen tot 62 jaar, bij 40 jaar loopbaan (artikelen 85 en 88, eerste lid, van de wet van 28 december 2011).

Bij amendement werd evenwel beslist om in artikel 88, tweede lid, van de wet van 28 december 2011 de bestaande preferentiële regeling te behouden voor de leden van het leger, van de geïntegreerde politie en van het rijdend personeel van de NMBS, « [die] momenteel niet [worden] beoogd door de maatregelen ter verhoging van de pensioenleeftijd en de loopbaan » (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-1952/008, p. 29).

B.7.2. De preferentiële regeling die het rijdend personeel van de NMBS geniet, werd behouden « [wegens] het element veiligheid (cf. Buizingen) » (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-1952/016, p. 11).

Ondervraagd over het eventuele verschil in behandeling dat uit het behoud van preferentiële regelingen voortvloeit, heeft de Vice-eerste minister en minister van Pensioenen verklaard :

« [...] [Deze] uitzonderingscategorieën werden opgenomen in de tekst omdat het regeerakkoord dit zo voorziet en omdat rekening gehouden werd met het aspect veiligheid. Dit geldt bijvoorbeeld voor het rijdend personeel van de N.M.B.S. Holding. [...]

[...]

De drie groepen waarvoor ene uitzondering wordt voorzien zijn momenteel de enige groepen binnen de overheidssector die een afwijkende pensioenleeftijd hebben ten aanzien van het klassieke pensioenstelsel van de overheid. De bestaande afwijking heeft destijds de juridische toets doorstaan » (Parl. St., Senaat, 2011-2012, nr. 5-1408/3, pp. 36-37).

B.8.1. De wet van 13 december 2012 brengt wijzigingen aan de wet van 28 december 2011 aan, met « versoepelings- en overgangsbepalingen in het kader van de hervorming van de pensioenen van de overheidssector », terwijl andere bepalingen « onnauwkeurigheden [verbeteren] die in de pensioenwetgeving waren geslopen » (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-2405/001, p. 3).

B.8.2. In de samenvatting betreffende de bestreden wet wordt in de parlementaire voorbereiding uitgelegd :

« • Er wordt verduidelijkt dat de bestaande uitzondering voor het rijdend personeel van de NMBS [...] niet alleen betrekking heeft op het behoud van de preferentiële leeftijdsgrenzen, maar ook op het behoud van de loopbaanvoorwaarden.

• De bestaande uitzondering voor het rijdend personeel van de NMBS wordt beperkt tot het rijdend personeel zoals het op 28 december 2011 gedefinieerd werd in het pensioenreglement van de NMBS Holding » (ibid., p. 4).

Ten aanzien van de middelen

B.9. De middelen zijn gericht tegen artikel 3 (in de in B.1.2 aangegeven mate), artikel 5 en artikel 6 van de wet van 13 december 2012.

Het Hof onderzoekt de middelen door ze te groeperen volgens de bepaling waarop zij betrekking hebben.

Wat artikel 3 van de wet van 13 december 2012 betreft

B.10. De verzoekers voeren verschillende middelen aan die tegen het bestreden artikel 3 zijn gericht, in zoverre die bepaling de verplichting zou opleggen dat men lid van het rijdend personeel dient te zijn op het ogenblik van de aanvraag voor een vervroegd pensioen teneinde de preferentiële voorwaarden voor vervroegd pensioen tussen 55 en 60 jaar te kunnen genieten, waardoor de personeelsleden die een gemengde loopbaan hebben gehad en op het ogenblik van de opening van het recht op het pensioen niet langer tot het rijdend personeel behoren, aldus worden uitgesloten van de mogelijkheid om de preferentiële regeling te blijven genieten.

B.11.1. Het enige middel in de zaak nr. 5655 en het eerste middel in de zaken nrs. 5657 en 5658 zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet; het tweede middel in de zaak nr. 5671 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens; het derde middel in de zaak nr. 5673 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met artikel 1 van het Twaalfde Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (eerste onderdeel), waarbij die bepalingen in samenhang worden gelezen met artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet en met de artikelen 2, lid 2, en 9 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (tweede onderdeel) of met artikel 16 van de Grondwet (derde onderdeel).

In die eerste reeks van middelen wordt het verschil in behandeling bekritiseerd dat is ingevoerd tussen ambtenaren van de NMBS naargelang zij al dan niet tot het rijdend personeel behoren op het ogenblik van de opening van het recht op het pensioen : terwijl zij in het eerste geval de preferentiële vervroegde pensioenregeling tussen 55 en 60 jaar kunnen blijven genieten, kunnen zij dat niet in het tweede geval; dat verschil in behandeling zou niet verantwoord zijn ten aanzien van de zwaarte van de functies. Het zou eveneens onverantwoord zijn de ambtenaren die het rijdend personeel vrijwillig hebben verlaten en die welke het om medische redenen onvrijwillig hebben verlaten, op identieke wijze te behandelen.

Daaruit zou eveneens een discriminatie voortvloeien in het recht op sociale zekerheid, alsook in het eigendomsrecht, gewaarborgd bij de in de middelen bedoelde bepalingen.

B.11.2. In het eerste middel in de zaak nr. 5673, afgeleid uit de schending van artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, wordt een onverantwoorde achteruitgang aangevoerd in de sociale bescherming van de ambtenaren die een gemengde loopbaan hebben gehad en niet langer tot het rijdend personeel behoren.

B.11.3. In het tweede middel in de zaak nr. 5673, afgeleid uit de schending van artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, wordt de inbreuk bekritiseerd die aldus zou worden gemaakt op het eigendomsrecht van de verzoekers, bij gebrek aan enige compensatie.

B.11.4. Het tweede middel in de zaken nrs. 5657 en 5658 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet; het vierde onderdeel van het derde middel in de zaak nr. 5673 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met artikel 1 van het Twaalfde Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en met het algemene beginsel van niet-retroactiviteit.

In die middelen wordt het gebrek aan progressiviteit bij de inwerkingstelling van het bestreden artikel 3 of het gebrek aan overgangsmaatregelen bekritiseerd.

B.12. De verschillende middelen van de verzoekers zijn gericht tegen het bestreden artikel 3, indien die bepaling in die zin wordt geïnterpreteerd dat zij een extra vereiste oplegt, namelijk lid van het rijdend personeel van de NMBS zijn op het ogenblik van de aanvraag voor een vervroegd pensioen om de preferentiële voorwaarden voor een vervroegd pensioen tussen 55 en 60 jaar te kunnen genieten.

Die interpretatie zou voortvloeien uit verschillende brieven die door de NMBS naar een aantal verzoekers zijn verstuurd, uit het advies van de NMBS-directie in het paritaire subcomité van 17 april 2013 en uit een brief van de minister van Pensioenen van 7 mei 2013.

Het Hof dient bijgevolg, alvorens de middelen te onderzoeken, de draagwijdte van de bestreden bepaling te onderzoeken.

B.13. Vóór de wijziging ervan bij het bestreden artikel 3, bepaalde artikel 88 van de wet van 28 december 2011 :

« Niettegenstaande elke andere wettelijke, reglementaire of contractuele bepaling zijn de voorwaarden inzake leeftijd en duur van de diensten vermeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 1°, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen toepasselijk op elke persoon wiens pensioen bedoeld wordt in artikel 38 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen of artikel 80 van de wet van 3 februari 2003 houdende diverse wijzigingen aan de wetgeving betreffende de pensioenen van de openbare sector.

Het eerste lid doet geen afbreuk aan de preferentiële leeftijdgrenzen van de oppensioenstelling bepaald :

- voor het rijdend personeel van de NMBS Holding;

- voor de geïntegreerde politie;

- voor de militairen.

In afwijking van het eerste lid worden de personen die zich op 28 november 2011 in een voltijdse of deeltijdse disponibiliteit voorafgaand aan de oppensioenstelling bevinden of in een vergelijkbare situatie, op pensioen gesteld op de eerste dag van de maand die volgt op de 60ste verjaardag.

Het derde lid is eveneens van toepassing op de personen die een aanvraag hebben ingediend vóór 28 november 2011 om in een situatie te worden geplaatst als beoogd door ditzelfde lid.

De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de lijst vast van de situaties die aanleiding geven tot de toepassing van de leden 3 en 4 ».

B.14. Zoals het is gewijzigd bij het bestreden artikel 3 en vóór de wijziging ervan bij het koninklijk besluit van 11 december 2013, bepaalt artikel 88 van de wet van 28 december 2011 :

« Niettegenstaande elke andere wettelijke, reglementaire of contractuele bepaling zijn de voorwaarden inzake leeftijd en duur van de diensten vermeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 1°, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen toepasselijk op elke persoon wiens pensioen bedoeld wordt in artikel 38 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen of artikel 80 van de wet van 3 februari 2003 houdende diverse wijzigingen aan de wetgeving betreffende de pensioenen van de openbare sector.

Het eerste lid doet geen afbreuk aan de voorwaarden inzake duur van de diensten en aan de preferentiële leeftijdsgrenzen van de oppensioenstelling bepaald :

- voor het rijdend personeel van de NMBS-Holding;

- voor de geïntegreerde politie;

- voor de militairen;

- voor de gewezen militairen bedoeld in artikel 10 van de wet van 30 maart 2001 betreffende het pensioen van het personeel van de politiediensten en hun rechthebbenden, in artikel 5bis van de wet van 25 februari 2003 houdende de inrichting van de functie van veiligheidsbeambte met het oog op de uitvoering van taken die betrekking hebben op de politie van hoven en rechtbanken en de overbrenging van gevangenen, in artikel 10 van de wet van 16 juli 2005 houdende de overplaatsing van sommige militairen naar een openbare werkgever en in artikel 194 van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen van het actief kader van de Krijgsmacht.

In afwijking van het eerste lid worden de personen die zich op eigen aanvraag op 1 januari 2012 in een voltijdse of deeltijdse disponibiliteit voorafgaand aan de oppensioenstelling bevinden of in een vergelijkbare situatie, op pensioen gesteld op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van de termijn van die disponibiliteit of van de ermee gelijkgestelde situatie. Deze datum kan evenwel niet gelegen zijn voor de eerste dag van de maand die volgt op de 60e verjaardag.

Het derde lid is eveneens van toepassing op de personen die bij hun werkgever een aanvraag om vóór 5 maart 2013 in een in datzelfde lid beoogde situatie te worden geplaatst hebben ingediend :

1° vóór 1 januari 2012;

2° of vanaf 1 januari 2012 op voorwaarde dat deze aanvraag door de werkgever werd ingewilligd vóór 5 maart 2012.

De afwijkingen voorzien in het derde en vierde lid zijn niet meer van toepassing indien het personeelslid de disponibiliteit of de vergelijkbare situatie voortijdig beëindigt.

Het rijdend personeel bedoeld in het tweede lid zijn de personeelsleden die behoren tot het rijdend personeel bepaald door het pensioenreglement van de NMBS Holding zoals het van kracht was op 28 december 2011.

De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de lijst vast van de situaties die aanleiding geven tot de toepassing van de leden 3 en 4 ».

B.15. In de commentaar met betrekking tot het bestreden artikel 3 wordt uiteengezet :

« [...] [In] dit tweede lid van artikel 88 van de wet van 28 december 2011 [wordt] een verduidelijking aangebracht. Naast de vermelding van de ' preferentiële leeftijdsgrenzen ', waarop voormelde categorieën een uitzondering uitmaken, wordt de vermelding van de ' loopbaanvoorwaarden ' toegevoegd. In de huidige tekst van artikel 88 wordt deze laatste vermelding niet uitdrukkelijk weergegeven, wat tot verwarring aanleiding kan geven, niettegenstaande de memorie van toelichting bij de wet van 28 december 2011 uitdrukkelijk spreekt over loopbaanvoorwaarden en preferentiële leeftijdsgrenzen.

[...]

Voor de uitzonderingscategorie van het rijdend personeel van de NMBS die in het huidige artikel 88, tweede lid, van de wet van 28 december 2011 is opgenomen, wordt gepreciseerd dat het uitsluitend betrekking heeft op het rijdend personeel omschreven in het pensioenreglement van de NMBS-Holding, zoals het van kracht was op 28 december 2011. Voor de toepassing van artikel 88, tweede lid, van de wet van 28 december 2011 kunnen derhalve geen nieuwe functies of graden aan de personeelscategorie van het rijdend personeel worden toegevoegd.

Dit is het voorwerp van artikel 3, 2° » (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-2405/001, pp. 16-18).

B.16.1. Uit het voorafgaande vloeit voort dat de wetgever wou vermijden dat nieuwe graden aan de categorie van het « rijdend personeel » worden toegevoegd, en niet wou eisen dat het personeelslid van de NMBS op het ogenblik van de opening van zijn recht op het vervroegd pensioen tot het rijdend personeel moet behoren.

Voor het overige wijzigt het bestreden artikel 3 artikel 115 van de voormelde wet van 14 februari 1961 niet, waarvan de in B.6.2 aangehaalde tekst evenmin vereist dat men op het ogenblik van de opening van het recht op een vervroegd pensioen tot het rijdend personeel moet behoren om een preferentiële regeling te kunnen genieten die is ingevoerd om, zoals in B.6.6 is aangegeven, rekening te houden met de zwaarte van de dienstjaren bij het rijdend personeel. Artikel 115 van de wet van 14 februari 1961 voorziet immers in een systeem van berekening pro rata temporis van de duur van de diensten binnen het rijdend personeel in geval van een « gemengde » loopbaan, waarbij de preferentiële vervroegde pensioenregeling aldus ten goede komt aan elke ambtenaar die tot het rijdend personeel van de NMBS behoort of heeft behoord, voor de in die hoedanigheid gepresteerde jaren.

B.16.2. Het bestreden artikel 3 moet bijgevolg in die zin worden geïnterpreteerd dat het verhindert om nieuwe graden in te voeren in de categorie van het « rijdend personeel », zoals zij in het pensioenreglement van de NMBS-Holding op 28 december 2011 bestond; die bepaling kan evenwel niet in die zin worden geïnterpreteerd dat zij de verplichting oplegt dat, teneinde de in artikel 88, tweede lid, van de wet van 28 december 2011 behouden preferentiële regeling te kunnen blijven genieten, iemand tot de categorie van het rijdend personeel van de NMBS dient te behoren op het ogenblik van de opening van het recht op een vervroegd pensioen.

B.17. Aangezien de middelen steunen op een verkeerde interpretatie van het bestreden artikel 3, zijn ze niet gegrond.

Wat artikel 5 van de wet van 13 december 2012 betreft

B.18.1. Het enige middel in de zaak nr. 5655 en de twee middelen in de zaken nrs. 5657 en 5658 zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Het eerste middel in de zaak nr. 5671 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Het vierde onderdeel van het derde middel in de zaak nr. 5673 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met artikel 1 van het Twaalfde Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met het algemene beginsel van niet-retroactiviteit.

B.18.2. In die middelen, die tegen artikel 5 van de wet van 13 december 2012 zijn gericht, wordt het verschil in behandeling bekritiseerd dat is ingevoerd tussen ambtenaren van de NMBS naargelang zij al dan niet tot het rijdend personeel behoren op het ogenblik van de opening van het recht op het vervroegd pensioen : terwijl zij in het eerste geval de bij het bestreden artikel 5 ingevoerde waarborg kunnen genieten, kunnen zij dat niet in het tweede geval; dat verschil in behandeling zou niet verantwoord zijn ten aanzien van de zwaarte van de functies. Het zou eveneens onverantwoord zijn om de ambtenaren die het rijdend personeel vrijwillig hebben verlaten en die welke het om medische redenen onvrijwillig hebben verlaten, op identieke wijze te behandelen.

In die middelen wordt eveneens het gebrek aan progressiviteit bij de inwerkingstelling van het bestreden artikel 5 of het gebrek aan overgangsmaatregelen bekritiseerd.

B.19. Vóór de wijziging ervan bij artikel 5 van de wet van 13 december 2012, bepaalde artikel 90 van de wet van 28 december 2011 :

« Elke persoon die op een bepaald ogenblik de voorwaarden inzake leeftijd en duur van de diensten vervult om voor de leeftijd van 62 jaar een rustpensioen te bekomen, behoudt het genot van dit voordeel, ongeacht de latere werkelijke ingangsdatum van zijn pensioen ».

Die bepaling, die voortvloeit uit een amendement, werd in de parlementaire voorbereiding als volgt toegelicht :

« Artikel [90] bevat een waarborg die ervoor zorgt dat een persoon die op een bepaald ogenblik de voorwaarde vervult om vóór de leeftijd van 65 jaar een rustpensioen te bekomen, dit voordeel behoudt, ongeacht de latere ingangsdatum van zijn pensioen.

Het niet voorzien van een dergelijke bepaling zou er immers toe leiden dat personen aangezet zouden worden om vervroegd de overheid te verlaten.

Bij wijze van voorbeeld zou de persoon die vóór de inwerkingtreding van deze wet, op basis van artikel 46, een pensioen op de leeftijd van 60 jaar kon bekomen mits 5 aanspraakverlenende dienstjaren te tellen, en zijn loopbaan heeft verder gezet, gesanctioneerd worden voor het verder zetten van zijn loopbaan in de veronderstelling dat hij niet de nieuwe veel strengere voorwaarden vervult inzake minimum loopbaanduur voor het bekomen van een vervroegd pensioen » (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-1952/008, p. 30).

B.20. Zoals het bij het bestreden artikel 5 is gewijzigd, bepaalt artikel 90 voortaan :

« Elke persoon die op een bepaald ogenblik de voorwaarden inzake leeftijd en duur van de diensten vervult die, voor de personeelscategorie waartoe hij op dat ogenblik behoort, gelden om voor de leeftijd van 62 jaar een rustpensioen te bekomen, behoudt het genot van dit voordeel, ongeacht de latere werkelijke ingangsdatum van zijn pensioen of de personeelscategorie waartoe hij op die datum behoort ».

B.21. In de parlementaire voorbereiding wordt met betrekking tot het bestreden artikel 5 uiteengezet :

« De waarborg in artikel 90 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen laat ieder personeelslid dat, op om het even welk ogenblik, de voorwaarden vervult om op vervroegd pensioen te vertrekken, het genot van dit voordeel behouden ongeacht de latere werkelijke ingangsdatum van zijn pensioen.

Deze waarborg [...] blijft evenwel van toepassing in geval van verandering van personeelscategorie.

Alhoewel artikel 90 van de wet van 28 december 2011 in algemene bewoordingen is gesteld, zijn toch twijfels gerezen omtrent de toepassing van deze waarborg in geval van overgang naar een andere personeelscategorie. Daarom wordt dit artikel thans aangepast zodat het volkomen duidelijk is dat ook wie op een bepaald ogenblik het recht op een vervroegd pensioen opent in een bepaalde personeelscategorie en daarna overgaat naar een andere personeelscategorie waarvan hij de pensioneringsvoorwaarden (nog) niet vervult, het recht behoudt om - op elk vrij gekozen tijdstip - met vervroegd pensioen te gaan.

Zo bijvoorbeeld zal de 56-jarige treinbestuurder die in 2013 de leeftijds- en loopbaanvoorwaarden (d.w.z. minstens 55 jaar en 30 dienstjaren als lid van het rijdend personeel) van zijn bijzonder stelsel vervult maar beslist om tot de leeftijd van 58 jaar nog twee jaar in de administratie te werken, volgens zijn eigen keuze en op zijn vraag, een vervroegd pensioen kunnen verkrijgen in 2015 omdat hij reeds in 2013 de (bijzondere) voorwaarden vervulde van de personeelscategorie waartoe hij op dat ogenblik behoorde.

Anderzijds zal de 54-jarige treinbestuurder die in 2014, na 32 dienstjaren als lid van het rijdend personeel, beslist om over te stappen naar een administratieve functie, geen aanspraak kunnen maken op enige waarborg. Op het ogenblik van zijn overstap vervulde hij immers nog niet de preferentiële leeftijdsvoorwaarde van 55 jaar (die krachtens artikel 88, tweede lid, van de wet van 28 december 2011 vanaf 1 januari 2013 uitsluitend van toepassing blijft voor het rijdend personeel van de NMBS) » (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-2405/001, pp. 18-19).

In het verslag wordt eveneens, bij de belangrijkste maatregelen in het wetsontwerp dat de wet van 13 december 2012 is geworden, gepreciseerd :

« Personen die tijdens een bepaald jaar de voorwaarden vervullen om het vervroegd pensioen te verkrijgen, worden er niet langer de facto toe aangezet om dat jaar al effectief met pensioen te gaan : het pensioen kan in dat geval ook nog later worden aangevraagd, zodat velen wellicht langer zullen blijven werken » (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2405/004, p. 3).

B.22. Artikel 90 van de wet van 28 december 2011 voert een clausule in « ter vrijwaring » van de « verworven » rechten op een vervroegd pensioen vanaf de leeftijd van 62 jaar; die clausule wordt verantwoord door de bekommernis om het de personen die dat wensen, mogelijk te maken langer te kunnen werken, eventueel in een andere personeelscategorie, zonder het voordeel te verliezen van een recht dat in het kader van een bepaalde personeelscategorie is verworven.

B.23.1. Het voorbeeld dat in de in B.21 aangehaalde parlementaire voorbereiding is vermeld, betreft een lid van het rijdend personeel dat, met 32 dienstjaren bij het rijdend personeel maar zonder de leeftijd van 55 jaar te hebben bereikt, « geen aanspraak [zal] kunnen maken op enige waarborg » (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-2405/001, p. 18).

Dat geval heeft geen betrekking op een personeelslid van de NMBS dat over een verworven recht zou beschikken door te voldoen aan « de voorwaarden inzake leeftijd en duur van de diensten [...] die, voor de personeelscategorie waartoe hij op dat ogenblik behoort, gelden om voor de leeftijd van 62 jaar een rustpensioen te bekomen »; bijgevolg kan de « vrijwaringsclausule » die is vervat in artikel 90 van de wet van 28 december 2011, zoals het bij het bestreden artikel 5 is gewijzigd, niet op die situatie van toepassing zijn.

Wanneer een lid van het personeel van de NMBS dat tot het rijdend personeel van de NMBS behoort of heeft behoord, niet voldoet aan de voorwaarden voor de opening van het recht op een vervroegd pensioen vóór de leeftijd van 62 jaar, kan het bijgevolg geen aanspraak maken op enige waarborg die wordt afgeleid uit artikel 90 van de wet van 28 december 2011, zoals het bij het bestreden artikel 5 is gewijzigd.

B.23.2. Het feit dat artikel 90 van de wet van 28 december 2011, zoals het bij het bestreden artikel 5 is gewijzigd, niet van toepassing is op de situatie van een lid van het personeel van de NMBS dat het rijdend personeel verlaat alvorens te hebben voldaan aan de voorwaarden voor de opening van het recht op een vervroegd pensioen, houdt echter niet in dat het de preferentiële regeling niet kan genieten die bij artikel 115 van de wet van 14 februari 1961 is ingevoerd en die, zoals in B.16.1 wordt aangegeven, ten goede komt aan eenieder die tot het rijdend personeel behoort of heeft behoord, voor de in die hoedanigheid gepresteerde jaren.

Door de in artikel 90 van de wet van 28 december 2011 vervatte vrijwaringsclausule te wijzigen, heeft het bestreden artikel 5 immers niet de draagwijdte van artikel 115 van de wet van 14 februari 1961 gewijzigd.

B.24. Aangezien de middelen steunen op een verkeerde interpretatie van het bestreden artikel 5, zijn ze niet gegrond.

Wat artikel 6 van de wet van 13 december 2012 betreft

B.25. Vóór de wijziging ervan bij het bestreden artikel 6, bepaalde artikel 92 van de wet van 28 december 2011 :

« Deze afdeling treedt in werking op 1 januari 2013 en is uitsluitend van toepassing op de pensioenen die ingaan vanaf die datum ».

B.26. Zoals het bij het bestreden artikel 6 is gewijzigd, bepaalt artikel 92 van de wet van 28 december 2011 voortaan :

« Deze afdeling treedt in werking op 1 januari 2013 ».

B.27. In de parlementaire voorbereiding wordt met betrekking tot het bestreden artikel 6 uiteengezet :

« Dit betreft een technische aanpassing in artikel 92 van de wet van 28 december 2011, gelet [op] de waarborg vervat in artikel 90 van de wet van 28 december 2011 en (zie boven : artikel 5) op de wijzigingen die door artikel 2, 3° werden aangebracht in artikel 46, § 3, van de wet van 15 mei 1984. Krachtens die bepalingen kan een pensioen dat ingaat vanaf 1 januari 2013 in voorkomend geval toch toegekend worden op basis van de wetgeving van toepassing op 31 december 2012.

Deze aanpassing betekent evenwel niet [...] dat de lopende pensioenen worden beoogd. Een pensioenwet vormt immers een algemeen aanvaarde uitzondering op het beginsel van de onmiddellijke toepassingskracht van de wet omdat een lopend pensioen een definitief vastgestelde rechtstoestand betreft. Behoudens uitdrukkelijke afwijking van de wetgever, heeft een nieuwe pensioenbepaling dus geen onmiddellijke uitwerking op de lopende pensioenen. De opening van het recht op een pensioen en de berekening ervan worden uitsluitend beheerst door de wetgeving die van kracht is op de ingangsdatum van het pensioen » (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-2405/001, p. 19).

B.28. Enkel de verzoekers in de zaken nrs. 5655, 5657 en 5658 vorderen de vernietiging van artikel 6 van de wet.

Hun middelen, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, worden evenwel aangevoerd tegen de artikelen 3, 5 en 6 in hun geheel, zonder dat het mogelijk is vast te stellen in welke mate hun kritiek tegen het bestreden artikel 6 is gericht.

B.29. Voor het overige blijkt uit de in B.27 aangehaalde parlementaire voorbereiding dat het bestreden artikel 6 zich beperkt tot het aanbrengen van een technische correctie in artikel 92 van de wet van 28 december 2011. Door de woorden « en is uitsluitend van toepassing op de pensioenen die ingaan vanaf die datum » op te heffen, verleent de beoogde bepaling geen terugwerkende kracht aan de bestreden bepalingen.

B.30. In zoverre zij betrekking hebben op artikel 6 van de wet van 13 december 2012, zijn de middelen niet gegrond.

Om die redenen,

het Hof

- wijst de afstand toe in de zaak nr. 5656;

- rekening houdend met de interpretaties die in B.16.2 en B.23.2 zijn vermeld, verwerpt de beroepen.

Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 8 mei 2014.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

J. Spreutels