Hof van Cassatie - Arrest van 10 mei 2010 (België)

Publicatie datum :
10-05-2010
Taal :
Frans - Nederlands
Grootte :
4 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20100510-1
Rolnummer :
S.08.0061.F

Samenvatting

Het koninklijk besluit van 5 november 1990, dat, voor sommige ziekten, de voordelen beperkt die verleend worden door de gecoördineerde wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, wat betreft de getroffenen die aan het beroepsrisico van die ziekten waren blootgesteld gedurende een periode in de loop waarvan zij niet onder toepassing van de gecoördineerde wetten vielen, is niet van toepassing op een aanvraag die op 9 juni 1986 aan het Fonds van Beroepsziekten is gericht en waarop dat Fonds op 23 februari 1988 geweigerd heeft in te gaan (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2010, nr. ...

Arrest

Nr. S.08.0061.F

L. M.,

Mr. Cécile Draps, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

FONDS VOOR BEROEPSZIEKTEN.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 9 januari 2006 gewezen door het arbeidshof te Bergen.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 2, 32, 48ter, eerste lid (na de wijziging ervan bij de wet van 22 februari 1998 houdende sociale bepalingen die, krachtens artikel 20 van die wet, uitwerking heeft met ingang van 1 januari (lees: 2 december) 1990), 52 en 53 van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 3 juni 1970;

- de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 5 november 1990 tot beperking voor sommige ziekten, van de voordelen verleend door de gecoördineerde wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, wat getroffenen betreft die aan het beroepsrisico van die ziekten waren blootgesteld gedurende een periode in de loop waarvan zij niet onder toepassing van de gecoördineerde wetten vielen;

- de artikelen 1 tot 11 van het koninklijk besluit van 15 juni 1971 tot vaststelling van de wijze waarop de aanvragen om schadeloosstelling of om herziening van reeds toegekende vergoedingen bij het Fonds voor de Beroepsziekten worden ingediend en onderzocht, vóór de opheffing ervan bij het koninklijk besluit van 26 september 1996 tot vaststelling van de wijze waarop de aanvragen om schadeloosstelling en om herziening van reeds toegekende vergoedingen bij het Fonds voor de beroepsziekten worden ingediend en onderzocht.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest, dat eerst het deskundigenverslag goedkeurt waarin besloten wordt dat de eiser, op 9 juni 1986 en in de periode erna, aan een osteoarticulaire ziekte van vibratoire oorsprong leed en de graad van fysieke invaliditeit vaststelt op 11 pct., de socio-economische factoren met ingang van 9 juni 1986 op 5 pct. raamt en het bedrag van het basisloon vaststelt, "zegt vervolgens voor recht dat (de eiser), met toepassing van artikel 48ter van het koninklijk besluit van 3 juni 1970 (ingevoerd bij het koninklijk besluit van 5 november 1990), recht heeft op 8,32 pct. van het bedrag van de vergoedingen en toelagen die hem verschuldigd zijn (...) met ingang van 2 december1990", om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd.

Grieven

Krachtens de artikelen 2 en 32 van de gecoördineerde wetten op de beroepsziekten, is het voordeel van de schadeloosstelling voor beroepsziekten gewaarborgd aan de personen die aan het beroepsrisico van die ziekte blootgesteld zijn geweest gedurende de ganse periode of een deel van de periode in de loop waarvan hij bezoldigd werknemer is geweest.

Artikel 48ter van de in het middel bedoelde gecoördineerde wetten biedt de Koning, bij wijze van uitzondering, de mogelijkheid om "voor de beroepsziekten die Hij met name aanduidt, te voorzien dat, wanneer een door een van deze beroepsziekten getroffene de in artikel 32 gestelde voorwaarden vervult en eveneens aan het beroepsrisico van deze ziekte is blootgesteld geweest gedurende een periode in de loop waarvan hij niet behoorde tot een van de categorieën van personen bedoeld in artikel 2 (...), de vergoedingen en toelagen door het Fonds voor beroepsziekten worden toegekend op basis van de verhouding van de duur van de tijdvakken door hem bepaald, en die berekend wordt en definitief vastgesteld wordt op de begindatum van de eerste vergoeding".

Artikel 1 van het koninklijk besluit van 5 november 1990 voert dat artikel 48ter uit. Wanneer de blootstelling aan het risico zich gedeeltelijk heeft voorgedaan gedurende periodes waarin de getroffene geen werknemer was, wordt de schadeloosstelling pro rata beperkt op de in die bepaling wordt vastgestelde wijze.

Krachtens artikel 2 van het voormelde koninklijk besluit, is dat besluit alleen toepasselijk op alle eerste aanvragen of aanvragen om herziening of herzieningen van ambtswege die op de datum van inwerkingtreding van dat besluit nog niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een beslissing.

Krachtens artikel 52 van de gecoördineerde wetten doet de verweerder uitspraak over iedere aanvraag om schadeloosstelling die tot hem wordt gericht in de vormen en op de wijze die door de Koning wordt bepaald, dit wil zeggen, in dit geval, door het koninklijk besluit van 15 juni 1971, en kan hij op verzoek of ambtshalve zijn beslissing herzien wanneer de gezondheidstoestand van de getroffene is gewijzigd, terwijl artikel 53 van de gecoördineerde wetten bepaalt dat de betwistingen over de beslissingen van de verweerder tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank behoren.

Hieruit volgt dat - ongeacht het geval van herziening die een wijziging van eisers gezondheidstoestand veronderstelt en te dezen dus niet van toepassing is - de verweerder een beroepsziekte volledig moet vergoeden wanneer hij, vóór de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 5 november 1990, uitspraak heeft gedaan over de aanvraag om schadeloosstelling. De omstandigheid dat de verweerder de aanvraag om schadeloosstelling onrechtmatig heeft verworpen en de getroffene zodoende verplicht heeft zijn beslissing voor de arbeidsgerechten aan te vechten, heeft niet tot gevolg dat die gerechten artikel 1 van het koninklijk besluit van 5 november 1990 kunnen toepassen op een schadeloosstelling die de verweerder, gezien de datum van zijn beslissing, volledig had moeten toekennen.

Uit de uiteenzetting van de feiten en de voorafgaande rechtspleging in de zaak die tot het arrest van 16 januari 2002 heeft geleid, blijkt dat de aanvraag om schadeloosstelling is ingediend op 9 juni 1986 en dat de verweerder over die aanvraag uitspraak heeft gedaan door ze op 23 februari 1988 te verwerpen, dus vóór de afkondiging en de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 5 november 1990.

Het bestreden arrest sluit zich aan bij het deskundigenverslag en geeft de eiser zodoende recht op de schadeloosstelling van een beroepsziekte met ingang van de datum van de aanvraag, d.i. 9 juni 1986, op grond van een graad van fysiologische ongeschiktheid van 11 pct. en van socio-economische factoren die het vaststelt op 5 pct. Hieruit blijkt dat de verweerder, toen hij op 23 februari 1988 uitspraak deed, onrechtmatig geweigerd heeft de eiser schadeloos te stellen op een ogenblik dat de vergoedingen niet beperkt werden wanneer de blootstelling aan het risico zich gedeeltelijk voordeed gedurende een periode waarin de getroffene geen werknemer was.

Uit het bestreden arrest blijkt ook dat er in dit geval geen sprake was van een verergering of een verbetering van de gezondheidstoestand van de getroffene en dat er dus geen grond bestond tot herziening.

Het bestreden arrest, dat de schadeloosstelling die de verweerder met ingang van 2 december 1990 verschuldigd is, overeenkomstig artikel 1 van het koninklijk besluit van 5 november 1990 beperkt, schendt alle in het middel weergegeven wettelijke bepalingen.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Artikel 32, eerste lid, van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970, bepaalt dat voor beroepsziekten en voor ziekten zoals bedoeld in artikel 30bis schadeloosstelling verschuldigd is wanneer de door die ziekte getroffen persoon aan het beroepsrisico van die ziekte blootgesteld is geweest gedurende de ganse periode of een deel van de periode in de loop waarvan hij behoorde tot een van de categorieën van personen bedoeld in artikel 2 of gedurende welke hij krachtens artikel 3 verzekerd was.

Artikel 48ter, eerste lid, van die wetten, zoals het van kracht was zowel vóór de wijziging bij de wet van 22 februari 1998 als, overeenkomstig die wet, na de wijziging ervan, biedt de Koning de mogelijkheid om, voor de beroepsziekten die Hij aanduidt, de door het Fonds op de door Hem bepaalde wijze toegekende vergoedingen en toelagen te beperken wanneer de getroffene; die de in artikel 32 gestelde voorwaarden vervult, ook aan het beroepsrisico van die ziekte is blootgesteld gedurende een periode in de loop waarvan hij niet behoorde tot een van de categorieën van personen bedoeld in artikel 2 of niet verzekerd was krachtens artikel 3.

Het koninklijk besluit van 5 november 1990, dat genomen werd ter uitvoering van artikel 48ter en dat, voor sommige ziekten, de voordelen beperkt die verleend worden door de gecoördineerde wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, wat betreft de getroffenen die aan het beroepsrisico van die ziekten waren blootgesteld gedurende een periode in de loop waarvan zij niet onder toepassing van de gecoördineerde wetten vielen, is in werking getreden op 2 december 1990. Luidens artikel 2 van dat koninklijk besluit is het toepasselijk op alle eerste aanvragen, aanvragen om herziening of herzieningen van ambtswege die op de datum van inwerkingtreding van dat besluit nog niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een beslissing.

De door die bepaling bedoelde beslissing is die waarmee het Fonds voor beroepsziekten, overeenkomstig artikel 52 van de voormelde wetten, uitspraak doet over de aanvragen om schadeloosstelling of herziening of uitspraak doet krachtens zijn bevoegdheid om zijn beslissingen ambtshalve te herzien.

Het bestreden arrest stelt vast dat de eiser op 9 juni 1986 een aanvraag om schadeloosstelling heeft ingediend en dat de verweerder op 23 februari 1988 geweigerd heeft om hem die schadeloosstelling toe te kennen.

Aangezien de beslissing van de verweerder is genomen vóór de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 5 november 1990, is de beslissing van het arrest die het bedrag van de aan de eiser toegekende voordelen met ingang van 2 december 1990 beperkt, niet naar recht verantwoord.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het voor recht zegt dat de eiser "recht heeft op 8,32 pct. van het bedrag van de vergoedingen en de uitkeringen die hem toekomen op grond van een graad van fysieke invaliditeit die vastgesteld is op 11 pct. met ingang van 2 december 1990".

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Gelet op artikel 53, tweede lid, van de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970, veroordeelt de verweerder in de kosten.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Christine Matray, Martine Regout en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 10 mei 2010 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Robert Boes en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,