Hof van Cassatie - Arrest van 10 mei 2010 (België)

Publicatie datum :
10-05-2010
Taal :
Frans - Nederlands
Grootte :
4 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20100510-2
Rolnummer :
S.08.0072.F

Samenvatting

Het Hof van Cassatie is bevoegd om na te gaan of de feitenrechter uit de door hem vastgestelde feiten wettig heeft kunnen afleiden dat de werknemer een normaal traject had afgelegd (1) (Impliciet). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2010, nr. ...

Arrest

Nr. S.08.0072.F

MENSURA, gemeenschappelijke kas voor verzekeringen tegen arbeids-ongevallen, voorheen Assubel,

Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. O. M.,

2. D. S.,

3. D. C.,

4. D. P..

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten, op 13 juni 2001 en 4 maart 2008 gewezen door het arbeidshof te Bergen.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepaling

- artikel 8, § 1, tweede lid, van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, zoals het van kracht was op 1 december 1992, d.i. op de datum van het litigieuze ongeval (en zoals het dus is gewijzigd bij de wet van 12 juli 1991 tot wijziging van artikel 8, § 1, tweede lid, van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, maar vóór de wijziging ervan bij de wet van 13 juli 2006 houdende diverse bepalingen inzake beroepsziekten en arbeidsongevallen en inzake beroepsherinschakeling).

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest stelt in substantie vast dat W.D., een arbeider in dienst bij de "Compagnie des Ciments belges", waarvan de eiseres de arbeidsongevallenverzekeraar is, op 1 december 1992 door een arbeidsongeval werd getroffen; dat hij die dag "zijn werkgever gevraagd had of hij zijn werk vroeger mocht stopzetten om ter ere van het feest van Sint-Elooi met zijn werkmakkers een glas te gaan drinken" ; dat "hij zijn werk heeft stopgezet om 14.25 uur en de onderneming heeft verlaten om 15.05 uur ; (dat hij) naar een etablissement is gegaan, het café ‘Le Central', dat in de buurt van de onderneming is gelegen ; (dat hij) er drie glazen bier heeft gedronken in het gezelschap van een collega en het etablissement verlaten heeft om 15.50 uur om naar huis te gaan; (dat) hij rond 16.45 uur - 17 uur, terwijl hij in Velaines rondreed, is uitgegleden, tegen een kantsteen is gebotst en zich heeft verwond" ; dat "de normale duur om het traject van 12,4 kilometer met de bromfiets af te leggen 25 minuten bedraagt" en dat de getroffene, na het café "Le Central" te hebben verlaten, zijn traject een tweede en een derde keer heeft onderbroken om de etalages van de winkels te bekijken met het oog op de naderende eindejaars-feesten",

en beslist vervolgens, met bevestiging van de beslissing van de eerste rechter, dat W. D. "getroffen is door een ongeval op de weg van en naar het werk" en de eiseres veroordeelt "tot schadeloosstelling overeenkomstig de bepalingen van de wet van 10 april 1971".

Het arrest grondt die beslissing hierop dat, "zoals de eerste rechter erop gewezen heeft, ‘gelet op de omstandigheden (wijdverbreide traditie, binnen bepaalde beroepen en in het arbeidersmilieu, en meer bepaald in het Doornikse, om het feest van Sint-Elooi te vieren, geen drankmisbruik, redelijk gedrag van de getroffene, en de wens om zijn rusturen te besteden aan de voorbereiding van zijn aankopen voor de eindejaarsfeesten), (...) was die onderbreking van het traject van ongeveer één uur en 40 minuten onbelangrijk en werd zij door een wettige reden verantwoord".

Grieven

Eerste onderdeel

Luidens artikel 8, §1, tweede lid, van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, "wordt onder de weg naar en van het werk verstaan het normale traject dat de werknemer moet afleggen om zich van zijn verblijfplaats te begeven naar de plaats waar hij werkt, en omgekeerd". Een traject dat in de tijd onderbroken wordt, kan in de zin van die bepaling als normaal worden aangemerkt indien de onderbreking onbelangrijk is en door een wettige reden verantwoord wordt. Het traject is echter niet meer normaal indien de onderbreking belangrijk is, tenzij zij verantwoord wordt door overmacht.

Om na te gaan of de weg die de werknemer aflegt van de plaats waar hij werkt naar zijn verblijfplaats, als normaal kan worden aangemerkt in de zin van voormeld artikel 8, §1, tweede lid, moet de rechter beoordelen 1° of de onderbreking van het traject belangrijk is en 2° of zij verantwoord wordt door een wettige reden.

Om te beoordelen of de onderbreking belangrijk was, moet de rechter rekening houden met de objectieve duur van die onderbreking. Daarenboven kan hij uit de redenen van de onderbreking niet afleiden dat die onderbreking onbelangrijk was, zelfs als die redenen gewettigd waren.

Te dezen kunnen de vaststellingen van de feitenrechters met betrekking tot de duur van de drie opeenvolgende trajectonderbrekingen van de getroffene op twee verschillende manieren worden begrepen: a) de totaalduur van de trajectonderbrekingen bedroeg ongeveer één uur en veertig minuten, dit is viermaal de gewone duur van het traject als dusdanig of b) de tijd tussen het vertrek uit de fabriek en het ongeval bedroeg één uur een veertig minuten, wat betekent dat de totaalduur van de trajectonderbrekingen ongeveer één uur en vijftien minuten bedroeg (daar het ongeval plaatsvond toen de getroffene reeds in de gemeente Velaines had bereikt en de feitenrechters schatten dat de getroffene vijfentwintig minuten nodig heeft om de afstand tussen de fabriek en zijn verblijfplaats te Velaines af te leggen), dit is driemaal de gewone duur van het traject als dusdanig. De vraag of de duur van de trajectonderbrekingen één uur en vijftien minuten dan wel één uur en veertig minuten bedroeg, beïnvloedt de wettigheid van de beroepen beslissing niet.

In de voormelde redengeving grondt het bestreden arrest zijn beslissing dat de onderbreking van meer dan een uur onbelangrijk was, immers uitsluitend op de reden dat die onderbreking door een wettige reden verantwoord werd.

Zo blijkt uit de voormelde redenen dat het (arbeids)hof de objectieve duur - één uur en veertig minuten, d.w.z. viermaal de normale duur van het traject van vijfentwintig minuten of één uur en vijftien minuten, d.w.z. driemaal die gewone duur - van de drie trajectonderbrekingen van de getroffene niet als een afzonderlijk feit beoordeeld heeft, maar zijn beslissing dat die onderbrekingen onbelangrijk waren gegrond heeft op de omstandigheden daarrond en op de redenen die ze hebben veroorzaakt. Het arrest verwart met andere woorden de twee kenmerken die de trajectonderbreking moet vertonen om te beantwoorden aan het begrip normaal traject in de zin van de toepasselijke wetsbepaling.

Het bestreden arrest, dat zijn beslissing grondt op de voormelde redenen, zonder rekening te houden met de objectieve duur van de verschillende trajectonderbrekingen van de getroffene, en zonder vast te stellen dat die onderbrekingen verantwoord werden door overmacht, miskent het begrip normaal traject in de zin van artikel 8, §1, tweede lid, van de in de aanhef van het middel bedoelde wet van 8 april 1971.

Tweede onderdeel

Een traject dat in de tijd onderbroken wordt, kan in de zin van artikel 8, §1, van de wet van 10 april 1971 als normaal worden beschouwd indien de onderbreking onbelangrijk is en door een wettige reden verantwoord wordt. Het traject is echter niet meer normaal wanneer de onbelangrijke onderbreking is ingegeven door redenen van persoonlijke aard.

Uit de voormelde redenen van het bestreden arrest blijkt te dezen dat het arrest het traject, tijdens hetwelk het litigieuze ongeval heeft plaatsgevonden, als "normaal" aanmerkt op grond dat de drie opeenvolgende trajectonderbrekingen van de getroffene verantwoord werden door omstandigheden die het als "een wettige reden" aanmerkt, terwijl uit de vaststellingen van de eerste rechter, die het arrest overneemt, blijkt dat die omstandigheden op zijn minst gedeeltelijk waren ingegeven door redenen van persoonlijke aard, aangezien de bedoeling ervan was "zijn rusturen te besteden aan de voorbereiding van zijn aankopen voor de eindejaarsfeesten".

Het bestreden arrest, dat zijn beslissing op de voormelde redenen grondt, miskent bijgevolg het wettelijk begrip normaal traject in de zin van artikel 8, §1, tweede lid, van de in de aanhef van het middel bedoelde wet van 10 april 1971.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Het arrest van 13 juni 2001 beslist dat de onderbreking, door de getroffene, van zijn traject om het feest van Sint-Elooi te vieren en zijn aankopen voor de eindejaarsfeesten voor te bereiden, met aanneming van de redenen van het beroepen vonnis onbelangrijk was, op grond dat die onderbreking één uur en veertig minuten geduurd heeft, dat er "geen drankmisbruik" was en dat de getroffene "een redelijk gedrag" vertoonde.

Het onderdeel, volgens hetwelk het arrest die beoordeling van de duur van de onderbreking uitsluitend hierop grondt dat die onderbreking verantwoord werd door een wettige reden, mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

Het onderdeel verwijt het voormelde arrest dat het de daarin vastgestelde omstandigheden aanmerkt als "een wettige reden", terwijl zij op zijn minst gedeeltelijk waren ingegeven door redenen van persoonlijke aard.

Het onderdeel, dat erop neerkomt het Hof te verzoeken om zijn eigen beoordeling van de feitelijke omstandigheden in de plaats te stellen van die van de feitenrechter, is niet ontvankelijk.

De eiseres voert tegen het bestreden arrest van 4 maart 2008 geen enkel middel aan.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Christine Matray, Martine Regout en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 10 mei 2010 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Robert Boes en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,