Hof van Cassatie - Arrest van 15 juni 2010 (België)

Publicatie datum :
15-06-2010
Taal :
Frans - Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20100615-5
Rolnummer :
P.10.0278.N

Samenvatting

De kamer van inbeschuldigingstelling die beslist over een verzoek tot herstel in eer en rechten oordeelt op onaantastbare wijze over de moeite, door de veroordeelde gedaan om de uit de misdrijven voortvloeiende schade die niet gerechtelijk mocht zijn vastgesteld, te herstellen (1). (1) Zie Cass., 28 feb. 1978, A.C., 1977-78, 763 betreffende de onaantastbare beoordeling door de kamer van inbeschuldigingstelling van de door de veroordeelde tijdens de proeftijd gegeven blijk van verbetering en goed gedrag.

Arrest

Nr. P.10.0278.N

R. H. D. S.

verzoeker tot herstel in eer en rechten,

eiser,

met als raadsman mr. Alois Peeters, advocaat bij de balie te Antwerpen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 8 januari 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 623 Wetboek van Strafvordering: de verzoeker werd in het vonnis van de correctionele rechtbank van

Mechelen van 8 november 1989 dat het voorwerp uitmaakt van zijn verzoek tot herstel in eer en rechten, veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van één frank provisioneel aan de burgerlijke partij die haar vordering had geraamd op 715.278 frank; deze laatste die daartoe de initiatiefplicht heeft, heeft nooit enige moeite gedaan haar vordering ter zake te begroten in tegenstelling tot de eiser, zoals uit de stukken blijkt; de kamer van inbeschuldigingstelling wijst ten onrechte eisers verzoek af op grond van de vaststelling dat hij zich niet van zijn burgerlijke veroordeling heeft gekweten.

2. Krachtens artikel 624, tweede lid, Wetboek van Strafvordering moet het hof van beroep bij zijn beoordeling van een verzoek tot herstel in eer en rechten inzonderheid rekening houden met de moeite door de verzoeker gedaan om de uit de misdrijven voortvloeiende schade die niet gerechtelijk mocht zijn vastgesteld, te herstellen.

In zoverre het middel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de kamer van inbeschuldigingstelling of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

Het Hof gaat enkel na of de kamer van inbeschuldigingstelling uit de door haar vastgestelde feiten geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.

3. De kamer van inbeschuldigingstelling stelt onaantastbaar vast dat:

- uit de gegevens van het dossier blijkt dat de eiser "geen enkele inspanning heeft geleverd om de door hem veroorzaakte schade te vergoeden, noch om deze schade gerechtelijk te laten vaststellen indien hij ze betwist";

- de eiser duidelijk op de hoogte is van de vordering van de burgerlijke partij, zoals blijkt uit het op tegenspraak gewezen vonnis van de correctionele rechtbank van Mechelen van 8 november 1989 en eisers verklaring dienaangaande naar aanleiding van een eerdere vraag tot eerherstel;

- de verklaringen van de verantwoordelijke van de burgerlijke partij in het kader van de huidige procedure.

Aldus verantwoordt zij haar beslissing dat het verzoek op grond van artikel 624 Wetboek van Strafvordering dient te worden afgewezen, naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

4. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 53,99 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh en Filip Van Volsem, en op de openbare rechtszitting van 15 juni 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.