Hof van Cassatie - Arrest van 27 mei 2010 (België)

Publicatie datum :
27-05-2010
Taal :
Frans - Nederlands
Grootte :
9 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20100527-19
Rolnummer :
C.09.0293.N

Samenvatting

De stedenbouwkundige inspecteurs hebben de bevoegdheid om ter plaatse de onmiddellijke staking van het werk te bevelen indien zij vaststellen dat het werk een inbreuk vormt zoals bedoeld in artikel 146 van het Stedenbouwdecreet 1999 of wanneer niet voldaan is aan de verplichting van artikel 114, § 2, van dit decreet.

Arrest

Nr. C.09.0293.N

1. W. AUTO, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 8480 Ichtegem, Torhoutbaan 235,

2. W.A.,

3. W.C.

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eisers woonplaats kiezen,

tegen

VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Ruimtelijke Ordening, met kantoor te 1210 Brussel, Phoenixgebouw, Koning Albert II-laan,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerder woonplaats kiest,

en ten aanzien van

V.P.,

tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerder en de inbindendverklaring van het arrest opgeroepen partij woonplaats kiezen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 28 september 2007 gewezen door het hof van beroep te Gent.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren in hun verzoekschrift twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 148, eerste lid en 154, eerste lid, vierde lid en vijfde lid, van het Decreet van het Vlaams Parlement van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: decreet van 18 mei 1999);

- het algemeen rechtsbeginsel van onpartijdigheid van het bestuur.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest wijst het hoger beroep van de eisers af en, met de bevestiging van de beroepen beschikking a quo, verklaart de vordering van de eisers tegen de verweerder ongegrond. Deze vordering strekte ertoe de opheffing te horen bevelen van het litigieuze stakingsbevel van 27 maart 2007 en van het litigieuze bekrachtigingsbesluit van 29 maart 2007.

De bestreden beslissing steunt op de volgende redengeving:

"De gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur is een ambtenaar.

Artikel 148, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening vermeldt de stedenbouwkundige inspecteurs uitdrukkelijk naast de andere door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaren alsmede de door de gouverneur aangewezen ambtenaren van de provincie, als zijnde bevoegd om de stedenbouwmisdrijven op te sporen en vast te stellen, onverminderd de bevoegdheden van de agenten en officieren van gerechtelijke politie.

De stedenbouwkundige inspecteurs krijgen luidens artikel 148, laatste lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening daartoe bovendien de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings.

Wanneer vervolgens artikel 154 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening aan de in artikel 148 bedoelde ambtenaren, agenten of officieren van gerechtelijke politie de bevoegdheid geeft om de onmiddellijke staking van het werk, van de handelingen of van het gebruik te bevelen, dan betreft dit ongetwijfeld ook de stedenbouwkundige inspecteurs. Zij zijn immers zowel ambtenaar als officier van gerechtelijke politie in de zin van artikel 148, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening.

Het gegeven dat artikel 154, vierde en vijfde lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening tevens voorziet dat bij aangetekende brief een afschrift van het proces-verbaal van de vaststelling wordt verstuurd naar de burgemeester van de gemeente op wier grondgebied deze werken of handelingen werden uitgevoerd en naar de stedenbouwkundige inspecteur en dat deze laatste binnen de 8 dagen na de kennisgeving het (desgevallend eigen) bevel moet bekrachtigen doet aan het voorgaande geen afbreuk en maakt dit geenszins zinloos, laat staan onwettig.

Immers, de kwestieuze ‘bekrachtiging' volgt enkel doch noodzakelijk uit het feit dat het stakingsbevel in principe mondeling wordt gegeven.

De latere schriftelijke bevestiging door middel van een proces-verbaal is slechts een modaliteit en is niet te aanzien als het stakingsbevel en evenmin als de bekrachtiging.

Het betreft hier dus uitsluitend het officieel bekrachtigen van een mondeling bevel en niet een vorm van administratief toezicht of goedkeuring door de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur als een soort administratief ‘voogdijbestuur'.

Dit laatste wordt in de kwestieuze decretale bepalingen trouwens nergens voorzien, integendeel wordt er door artikel 154, laatste lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening een specifiek verhaal bij de kortgedingrechter voorzien, wat ten volle de rechten van de rechtsonderhorigen garandeert.

Hier is dus in de gegeven omstandigheden in hoofde van de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur geen sprake van ‘het rechter en partij zijn in administratieve zaken' noch van een ‘cumulatie van bevoegdheid' die het ‘onpartijdigheidsbeginsel' zou schenden.

(De eisers) beroepen zich dan ook tevergeefs daarop voor de vermeende onwettigheid van het stakingsbevel en de bekrachtiging.

De dienaangaande geformuleerde grieven en in hoger beroep herhaalde middelen falen naar recht.

De bestreden beschikking is ook op dit punt en in die zin te bevestigen (...)."

Grieven

Schending van de artikelen 148, eerste lid en 154, eerste, vierde en vijfde lid, van het decreet van 18 mei 1999 en van het algemeen rechtsbeginsel van onpartijdigheid van het bestuur.

1.1. Te dezen zijn de volgende bepalingen van het decreet van 18 mei 1999 toepasselijk.

Artikel 148, eerste lid, bepaalt dat onverminderd de bevoegdheden van de agenten en de officieren van gerechtelijke politie, de stedenbouwkundige inspecteurs, de andere door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaren, alsmede de door de gouverneur aangewezen ambtenaren van de provincie en van de gemeenten in zijn provincie, bevoegd zijn om de in deze titel omschreven misdrijven op te sporen en vast te stellen door een proces-verbaal.

Naar luid van artikel 154, eerste lid, kunnen de in artikel 148 bedoelde ambtenaren, agenten of officieren van gerechtelijke politie mondeling ter plaatse de onmiddellijke staking van het werk, van de handelingen of van het gebruik bevelen indien zij vaststellen dat het werk, de handelingen of de wijzigingen een inbreuk vormen zoals bedoeld in artikel 146 of wanneer niet voldaan is aan de verplichting van artikel 114, §2.

Op grond van artikel 154, vierde en vijfde lid, wordt een afschrift van het navolgende proces-verbaal verzonden naar de bevoegde stedenbouwkundig inspecteur en moet op straffe van verval het bevel tot staking door hem worden bekrachtigd.

1.2. Het beginsel van onpartijdigheid van het bestuur als beginsel van behoorlijk bestuur is een algemeen rechtsbeginsel dat te dezen van toepassing is vermits de stedenbouwkundige inspecteur P.V. als actief bestuursorgaan het litigieuze stakingsbevel en het litigieuze bekrachtigingsbesluit heeft getroffen.

De miskenning van het beginsel van onpartijdigheid van het bestuur vereist niet dat het bewijs van partijdigheid geleverd wordt, maar dat een schijn van partijdigheid volstaat.

2.1. Het hierboven geciteerde artikel 148, eerste lid, maakt een duidelijk onderscheid tussen, enerzijds, "de stedenbouwkundige inspecteurs" en, anderzijds, "de andere door de Vlaamse regering aangewezen ambtenaren".

Het hierboven weergegeven artikel 154, eerste lid, doelt met de bewoordingen "de in artikel 148 bedoelde ambtenaren" op "de andere door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaren alsmede de door de gouverneur aangewezen ambtenaren" van artikel 148, eerste lid, en niet op "de stedenbouwkundige inspecteurs". Anders uitgedrukt de stedenbouwkundige inspecteurs behoren niet tot de personen die op grond van artikel 154, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999 de staking kunnen bevelen, in tegenstelling tot wat het bestreden arrest met schending van deze bepalingen beslist.

(...)

Dit blijkt bovendien uit de context van gezegd artikel 154 dat onder andere bepaalt, in het vierde lid, dat een afschrift van het proces-verbaal dat volgt op het bevel tot staking naar de stedenbouwkundige inspecteur moet worden verzonden en, in het vijfde lid, dat de stedenbouwkundige inspecteur op straffe van verval het bevel tot staking moet bekrachtigen.

De stedenbouwkundige inspecteur is met andere woorden niet bevoegd om de staking te bevelen doch hij is wel bevoegd om het stakingsbevel al dan niet te bekrachtigen.

Het appelgerecht dat oordeelt dat de stedenbouwkundige inspecteur niettemin bevoegd is om de staking te bevelen schendt bijgevolg artikel 151 (lees: 154), eerste, vierde en vijfde lid, van het decreet van 18 mei 1999 (...).

2.2. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de decreetgever aan de stedenbouwkundig inspecteur met betrekking tot de bekrachtiging een eigen beoordelingsbevoegdheid heeft verleend met het oog op het verwezenlijken van eenvormigheid in het handhavingsbeleid (A. Desmet en S. Desmet, Het nieuwe decreet ruimtelijke ordening, Parlementaire voorbereiding, Antwerpen, Kluwer, 2000, p. 717, "Commissie, 110-111").

De bekrachtigingsbeslissing is dus een van het stakingsbevel te onderscheiden administratieve rechtshandeling. De stedenbouwkundige inspecteur beschikt over een eigen beoordelingsbevoegdheid in verband met het al dan niet bekrachtigen van het bevel tot staking.

Het bestreden arrest dat anders oordeelt, meer bepaald dat de "bekrachtiging" enkel doch noodzakelijk volgt uit het feit dat het stakingsbevel in principe mondeling wordt gegeven, dat de schriftelijke bevestiging door middel van een proces-verbaal slechts een modaliteit is en dat het hier dus uitsluitend het officieel bekrachtigen betreft van een mondeling bevel en niet een vorm van administratief toezicht of goedkeuring door de gewestelijke stedenbouwkundig inspecteur als een soort administratief "voogdijbestuur", wat in de decretale bepalingen nergens wordt voorzien, is bijgevolg niet naar recht verantwoord (bestreden arrest, p. 5, al. 3-6; schending van artikel 154, eerste, vierde en vijfde lid, van het decreet van 18 mei 1999 jo artikel 148, eerste lid, van hetzelfde decreet).

2.3. De bestreden beslissing die de vordering van de eisers niet gegrond verklaart steunt op de hierboven (supra, nr. 2.1.-2.2.) bestreden overwegingen en schendt bijgevolg artikel 154, eerste, vierde en vijfde lid, van het decreet van 18 mei 1999 jo artikel 148, eerste lid, van hetzelfde decreet.

3.1. Uit het voorgaande, meer bepaald de eigen beoordelingsbevoegdheid van de stedenbouwkundige inspecteur voor het al dan niet nemen van de bekrachtigingsbeslissing, die een van het bevel tot staking te onderscheiden administratieve rechtshandeling is en die gevolgen voor in casu de eisers teweegbrengt, volgt dat bij het nemen van de bekrachtigingsbeslissing het algemeen rechtsbeginsel van onpartijdigheid van het bestuur dient geëerbiedigd te worden. Dit brengt met zich mee dat de bekrachtigingsbeslissing door een andere persoon, handelend als actief bestuursorgaan, dient genomen te worden dan deze die de staking heeft bevolen. In voorliggende zaak kon de stedenbouwkundige inspecteur P.V. , die de staking heeft bevolen, dus niet zonder schending van het algemeen rechtsbeginsel van onpartijdigheid van het bestuur, dit bevel eveneens bekrachtigen, zoals te dezen gebeurde.

Het appelgerecht overweegt echter niet wettig dat in de gegeven omstandigheden in hoofde van de stedenbouwkundig inspecteur geen sprake is van "het rechter en partij zijn in administratieve zaken" noch van een "cumulatie van bevoegdheid" die het "onpartijdigheidsbeginsel" zou schenden en dat de eisers zich dan ook tevergeefs daarop beroepen voor de vermeende onwettigheid van het stakingsbevel en bekrachtiging.

(...)

3.2. De bestreden beslissing, die de vordering van de eisers niet gegrond verklaart, steunt op de hierboven bestreden overweging dat het onpartijdigheidsbeginsel te dezen niet geschonden is en schendt bijgevolg het algemeen rechtsbeginsel van onpartijdigheid van het bestuur.

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 2 en 3, van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: wet van 29 juli 1991);

- artikel 154, vijfde lid, van het Decreet van het Vlaams Parlement van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: decreet van 18 mei 1999).

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest wijst het hoger beroep van de eisers af en, met de bevestiging van de beroepen beschikking a quo, verklaart de vordering van de eisers tegen de verweerder ongegrond. Deze vordering strekte ertoe de opheffing te horen bevelen van het litigieuze stakingsbevel van 27 maart 2007 en van het litigieuze bekrachtigingsbesluit van 29 maart 2007.

De bestreden beslissing steunt op de volgende redengeving:

"De wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen is op het kwestieuze besluit toepasselijk nu het onmiskenbaar een eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking betreft die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurders of voor een ander bestuur.

Aangezien de bekrachtigingsbeslissing luidens artikel 154, vijfde lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, schriftelijk moet worden genomen valt dit onmiskenbaar onder de motiveringsverplichting.

In de bestreden bekrachtigingsbeslissing van 29 maart 2007 werd uitdrukkelijk verwezen naar de motivering van het proces-verbaal van stillegging van 27 maart 2007, waarvan aan (de eisers W. ) eveneens op 29 maart 2007 een kopie werd overgemaakt.

(...).

Het voormelde proces-verbaal stelt omstandig en nauwkeurig alle overtredingen vast op het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en vermeldt de identiteit van de eigenaar van de grond, van de uitbater en van de betrokkene, (de derde eiseres), die bij afwezigheid van de anderen de verbalisanten heeft te woord gestaan.

Aan de overtreder werd uitdrukkelijk kennis gegeven van wat het stakingsbevel inhoudt en de mogelijke gevolgen op administratief vlak, m.i.v. de bekrachtiging door de inspectie, wat op zich niet wordt betwist.

(De eisers) W. kunnen geenszins ontkennen dat aldus door hen zeer goed en concreet geweten was dat zonder de vereiste stedenbouwkundige vergunning het terrein werd verhard, volledig werd omheind en met een metalen schuifpoort van ongeveer 12 meter werd afgesloten, alsook als autostalplaats/autokerkhof werd aangewend.

Door naar deze stukken te verwijzen en erop te steunen alsook door te melden dat de te staken activiteiten bij ontstentenis van vergunning een misdrijf uitmaken, heeft de verweerder een motivering gegeven die uitdrukkelijk en afdoende is, zodat de beslissing formeel gemotiveerd is.

Immers, de feitelijke en juridische overwegingen die aan de beslissing ten grondslag lagen bleken aldus op afdoende draagkrachtige wijze.

De betrokken bestuurden waren volledig dienaangaande geïnformeerd en konden zich daarop ten volle verdedigen.

Het volstond derhalve voor de bevoegde stedenbouwkundige inspecteur om deze aldus omschreven gegevens te bekrachtigen, zonder daaraan nog verdere of andere beoordelingen of overwegingen te moeten toevoegen.

Ook de in die zin geformuleerde grief faalt derhalve: de bekrachtiging is volkomen rechtsgeldig.

De bestreden beschikking is dus ook wat dit onderdeel betreft en in die zin te bevestigen",

(...),

en:

"Immers, de kwestieuze ‘bekrachtiging' volgt enkel doch noodzakelijk uit het feit dat het stakingsbevel in principe mondeling wordt gegeven.

De latere schriftelijke bevestiging door middel van een proces-verbaal is slechts een modaliteit en is niet te aanzien als het stakingsbevel en evenmin als de bekrachtiging.

Het betreft hier dus uitsluitend het officieel bekrachtigen van een mondeling bevel en niet een vorm van administratief toezicht of goedkeuring door de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur als een soort administratief ‘voogdijbestuur':

Dit laatste wordt in de kwestieuze decretale bepalingen trouwens nergens voorzien, integendeel wordt er door artikel 154, laatste lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening een specifiek verhaal bij de kort gedingrechter voorzien, wat ten volle de rechten van de rechtsonderhorigen garandeert".

(...).

Grieven

Schending van de artikelen 2 en 3, van de wet van 29 juli 1991 en artikel 154, vijfde lid, van het decreet van 18 mei 1999.

1. De volgende rechtsnormen zijn te dezen toepasselijk.

Op grond van artikel 2, van de wet van 29 juli 1991 moeten de bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 1 uitdrukkelijk worden gemotiveerd.

Artikel 3, van de wet van 29 juli 1991 bepaalt:

"De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moet afdoende zijn".

Artikel 154, vijfde lid, van het decreet van 18 mei 1999 luidt als volgt:

"Op straffe van verval moet het bevel tot staking binnen 8 dagen na de kennisgeving van het proces-verbaal aan de bevoegde stedenbouwkundig inspecteur, door hem worden bekrachtigd. Die bekrachtiging wordt binnen twee werkdagen per aangetekende brief verzonden naar de personen, vermeld in het derde lid".

2. Uit de wetsgeschiedenis van voornoemd artikel 154, vijfde lid, blijkt dat de decreetgever aan de stedenbouwkundige inspecteur met betrekking tot de bekrachtiging van het stakingsbevel een eigen beoordelingsbevoegdheid heeft verleend met het oog op het verwezenlijken van eenvormigheid in het handhavingsbeleid (A. Desmet en S. Desmet, Het nieuwe decreet ruimtelijke ordening, Parlementaire voorbereiding, Antwerpen, Kluwer, 2000, p. 717, "Commissie, 110-111").

De stedenbouwkundige inspecteur heeft de bevoegdheid om op grond van zijn eigen appreciatie het bevel tot staking al dan niet te bekrachtigen.

De bekrachtigingsbeslissing is dus geen loutere gevolgakte maar een van het stakingsbevel en het navolgende proces-verbaal te onderscheiden administratieve rechtshandeling.

Het bestreden arrest dat anders overweegt is bijgevolg niet naar recht verantwoord, meer bepaald: "Het betreft hier dus uitsluitend het officieel bekrachtigen van een mondeling bevel en niet een vorm van administratief toezicht of goedkeuring door de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur als een soort administratief ‘voogdijbestuur' (bestreden arrest, p. 5, al. 3-6; schending van artikel 154, vijfde lid, van het decreet van 18 mei 1999)".

3. Uit het voorgaande volgt dat de stedenbouwkundig inspecteur op grond van het proces-verbaal dat naar aanleiding van het bevel tot staking werd opgesteld, een nieuwe en andersoortige beoordeling van de erin opgenomen feiten doorvoert. Met andere woorden: de appreciatie bij de bekrachtigingsbeslissing is anders dan die waarop het stakingsbevel zelf gestoeld is.

Op grond van de voornoemde artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 dient de specifieke motivering waarop de bekrachtigingsbeslissing steunt dus uit deze akte te blijken.

Indien de bij voornoemde bepalingen opgelegde motivering kan blijken uit andere stukken waarnaar in de akte wordt verwezen en waarvan de betrokkene voorafgaandelijk in kennis werd gesteld, volstaat het te dezen bijgevolg niet dat de bekrachtigingsbeslissing enkel verwijst naar het bevel tot staking en het navolgende proces-verbaal vermits uit deze stukken niet de specifieke beoordeling blijkt die aan de grondslag van de bekrachtigingsbeslissing dient te liggen.

De andersluidende overwegingen van het hof van beroep zijn bijgevolg niet naar recht verantwoord, meer bepaald: "Door naar (het proces-verbaal van stillegging van 27 maart 2007) te verwijzen en erop te steunen alsook door te melden dat de te staken activiteiten bij ontstentenis van vergunning een misdrijf uitmaken, heeft de verweerder een motivering gegeven die uitdrukkelijk en afdoende is, zodat de beslissing formeel gemotiveerd is" en "Het volstond derhalve voor de bevoegde stedenbouwkundige inspecteur om deze aldus omschreven gegevens te bekrachtigen zonder daaraan nog verdere of andere beoordelingen of overwegingen te moeten toevoegen".

Aldus schendt het appelgerecht:

- het hierboven weergegeven artikel 154, vijfde lid, van het decreet van 18 mei 1999 nu, zoals gezegd, uit deze bepaling volgt dat de bekrachtigingsbeslissing dient te steunen op een eigen specifieke beoordeling, die te onderscheiden is van deze van het stakingsbevel en van het navolgende proces-verbaal;

- de hierboven weergegeven artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 op grond waarvan, zoals gesteld, die eigen andersoortige appreciatie uit de bekrachtigingsbeslissing dient te blijken en het te dezen niet volstaat te verwijzen naar de motivering van het stakingsbevel en het navolgende proces-verbaal.

4. De bestreden beslissing die de vordering van de eisers niet gegrond verklaart steunt op de hierboven (supra, nr. 2 en 3) bestreden overwegingen en is bijgevolg niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 en artikel 154, vijfde lid, van het decreet van 18 mei 1999).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Krachtens artikel 148, eerste lid, van het decreet van het Vlaams Parlement van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zijn, onverminderd de bevoegdheden van de agenten en de officieren van gerechtelijke politie, de stedenbouwkundige inspecteurs, de andere door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaren, alsmede de door de gouverneur aangewezen ambtenaren van de provincie en van de gemeenten in zijn provincie, bevoegd om de in titel V van het decreet omschreven misdrijven op te sporen en vast te stellen door een proces-verbaal.

Krachtens artikel 148, tweede lid, van voormeld decreet, hebben de in het eerste lid bedoelde agenten, officieren van de gerechtelijke politie en ambtenaren toegang tot de bouwplaats en de gebouwen om alle nodige opsporingen en vaststellingen te verrichten.

Krachtens artikel 148, vierde lid, van voormeld decreet, krijgen de stedenbouwkundige inspecteurs om de in titel V omschreven misdrijven op te sporen en vast te stellen in een proces-verbaal de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings.

Krachtens artikel 154, eerste lid, van voormeld decreet, kunnen de in artikel 148 bedoelde ambtenaren, agenten of officieren van gerechtelijke politie mondeling ter plaatse de onmiddellijke staking van het werk, van de handelingen of van het gebruik bevelen indien zij vaststellen dat het werk, de handelingen of de wijzigingen een inbreuk vormen zoals bedoeld in artikel 146 of wanneer niet voldaan is aan de verplichting van artikel 114, §2.

2. Uit deze bepalingen volgt dat de stedenbouwkundige inspecteurs de bevoegdheid hebben om overeenkomstig het artikel 154 van het voormeld decreet ter plaatse de onmiddellijke staking van het werk te bevelen.

In zoverre het middel van de tegenovergestelde rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

3. Krachtens artikel 154, vijfde lid, van het voormeld decreet van 18 mei 1999, moet het bevel tot staking op straffe van verval binnen acht dagen na de kennisgeving van het proces-verbaal aan de bevoegde stedenbouwkundig inspecteur, door hem worden bekrachtigd.

4. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat deze bepaling ertoe strekt eenvormigheid in het handhavingsbeleid te verwezenlijken.

Dit houdt in dat de stedenbouwkundig inspecteur die het bevel tot staking bekrachtigt ter zake een eigen beoordelingsbevoegdheid bezit en derhalve een vorm van administratief toezicht uitoefent, in zoverre het bevel tot staking niet van hemzelf uitgaat.

Zijn tussenkomst als stedenbouwkundig inspecteur bij het geven van het bevel tot staking staat reeds borg voor de eenvormigheid in het handhavingsbeleid.

Wanneer de stedenbouwkundig inspecteur een hemzelf gegeven stakingsbevel bekrachtigt is er geen sprake van enig administratief toezicht, noch derhalve van een schending van het algemeen rechtsbeginsel van de onpartijdigheid.

In zoverre het middel van de tegenovergestelde rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

Tweede middel

5. Krachtens artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, moeten de bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 1 uitdrukkelijk worden gemotiveerd.

Krachtens artikel 3 van voormelde wet moet de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moet afdoende zijn.

6. De schriftelijke bekrachtiging van het bevel tot staking overeenkomstig artikel 154, vijfde lid, van voormeld decreet van 18 mei 1999 moet worden gemotiveerd zoals voorgeschreven door de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991.

7. De omstandigheid dat de stedenbouwkundig inspecteur, zoals vermeld in r.o. 4, hierbij een eigen beoordelingsbevoegdheid bezit en in bepaalde gevallen een vorm van administratief toezicht uitoefent, houdt niet in dat de motivering om te voldoen aan het bepaalde in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, noodzakelijkerwijze verschillend moet zijn van die opgenomen in het proces-verbaal dat naar aanleiding van het bevel tot staking werd opgesteld.

Het middel dat van de tegenovergestelde rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Vordering tot bindendverklaring

8. De verwerping van het cassatieberoep ontneemt alle belang aan de vordering tot bindendverklaring die de eisers hebben ingesteld.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring.

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Bepaalt de kosten op de som van 727,86 euro jegens de eisende partijen en op de som van 108,05 euro jegens de verwerende partij en de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Albert Fettweis, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 27 mei 2010 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.