Hof van Cassatie - Arrest van 27 oktober 2003 (België)

Publicatie datum :
27-10-2003
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
1 pagina
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20031027-6
Rolnummer :
S010147F

Samenvatting

De arbeidsrechtbank is gehouden uitspraak te doen over het door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid bij dagvaarding aan haar voorgelegde geschil betreffende het al dan niet bestaan van een arbeidsovereenkomst en betreffende de betaling van de daaruit voortvloeiende sociale-zekerheidsbijdragen (1). (1) Zie concl. O.M. in Bull. en Pas., nr ... .

Arrest

Nr. S.01.0147.F.-
RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID,
Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
1. EUROISOLATION, b.v.b.a.,
Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,
2. B. M.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 18 april 2001 gewezen door het Arbeidshof te Bergen.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Philippe Echement heeft verslag uitgebracht.
Eerste advocaat-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddelen
IV. Beslissing van het Hof
Tweede middel :
Overwegende dat, krachtens artikel 22 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, wanneer geen dan wel een onvolledige of onjuiste aangifte is gedaan, ambtshalve het bedrag van de verschuldigde bijdragen bepaalt en dat van dat bedrag de werkgever bij aangetekende brief kennis wordt gegeven ;
Dat naar luid van artikel 40, eerste lid, van genoemde wet, de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, onverminderd zijn recht om voor de rechter te dagvaarden de bedragen die hem verschuldigd zijn eveneens bij wijze van dwangbevel kan invorderen ;
Dat, krachtens artikel 580, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, de arbeidsrechtbank kennis neemt van geschillen betreffende de verplichtingen van de werkgevers voor de betaling van de bedragen opgelegd door de wetgeving inzake sociale zekerheid ;
Overwegende dat, blijkens de vaststellingen van het arrest, eiser de bedragen niet bij wijze van dwangbevel heeft ingevorderd, maar bij een op 18 juli 1994 betekende dagvaarding, de arbeidsrechtbank gevorderd heeft verweerster te veroordelen tot betaling van de bijdragen, bijdrageopslagen en interest die zij naar zijn mening aan hem verschuldigd is ; dat uit die vaststellingen tevens blijkt dat hij de rechter niet gevorderd heeft uitwerking te verlenen aan een bestuurlijke rechtshandeling ;
Dat het arbeidshof bijgevolg gehouden was over die vordering uitspraak te doen, derhalve de tussen de verweerders bestaande arbeidsverhoudingen te omschrijven en daaruit de gevolgen te trekken ;
Dat het middel gegrond is ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF
Vernietigt het bestreden arrest ;
Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest ;
Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over ;
Verwijst de zaak naar het Arbeidshof te Brussel.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door raadsheer Philippe Echement, waarnemend voorzitter, de raadsheren Christian Storck, Daniel Plas, Christine Matray en Philippe Gosseries, en in openbare terechtzitting van zeventwintig oktober tweeduizend en drie uitgesproken door raadsheer Philippe Echement, waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van adjunct-griffier Christine Danhiez.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Ernest Waûters en overgeschreven met assistentie van griffier-hoofd van dienst Karin Merckx.
De griffier-hoofd van dienst, De raadsheer,