Hof van Cassatie - Arrest van 3 oktober 2012 (België)

Publicatie datum :
03-10-2012
Taal :
Frans - Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20121003-3
Rolnummer :
P.12.0709.F

Samenvatting

De bepalingen van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie zijn alleen voor de Lidstaten bestemd wanneer zij toepassing maken van het EU-recht (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2012, nr. …

Arrest

Nr. P.12.0709.F

I. N. D.,

Mr. Pascal Rodeyns, advocaat bij de balie te Luik,

tegen

1. T. D.,

2. F. C.,

3. M. S.,

4. D. M.,

II. 1. Y. H.,

2. T. H.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, correctionele kamer, van 14 maart 2012.

De eerste eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Françoise Roggen heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Cassatieberoep van N. D.

Er is geen aanleiding om de middelen te onderzoeken die voor en namens N. D. en M. K. in een memorie worden uiteengezet, aangezien zij tegen het bestreden arrest geen cassatieberoep hebben ingesteld en voor het Hof geen partij zijn in de zaak.

1. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de strafvor-dering

Eerste middel

In zoverre het middel de schending aanvoert van artikel 5 EVRM, dat betrekking heeft op de redelijke termijn van een vrijheidsberoving, en van artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, waarvan de bepalingen voor de Lidstaten enkel van toepassing zijn wanneer het recht van de Europese Unie ten uitvoer wordt gebracht, faalt het naar recht.

Het arrest, dat vaststelt dat de redelijke termijn bepaald in artikel 6 van het voor-melde Verdrag overschreden is, wordt verweten dat het daaruit niet afleidt dat de strafvordering niet ontvankelijk is.

Een dergelijke sanctie dringt zich evenwel alleen op wanneer de overschrijding tot de onherroepelijke miskenning van het recht van verdediging leidt, wat de appel-rechters niet vaststellen. Zij oordelen integendeel dat de eiser herhaaldelijk door de speurders van bij de aanvang van hun onderzoek werd ondervraagd en dat hij voor hen het geheel van de gegevens kon tegenspreken waarop de strafvordering is gegrond.

De veroordeling van de eiser door eenvoudige schuldigverklaring is aldus naar recht verantwoord, met toepassing van artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en zonder dat artikel 6 van het Verdrag daardoor geschonden wordt.

Het middel kan wat dat betreft niet worden aangenomen.

Tweede middel

Het middel voert de miskenning aan van het vermoeden van onschuld en van het recht op een eerlijke behandeling van de zaak, wegens de beschouwingen die twee speurders in een proces-verbaal hebben gemaakt.

Het recht op een eerlijke behandeling van de zaak wordt beoordeeld op grond van de rechtspleging in haar geheel, door na te gaan of het recht van verdediging is geëerbiedigd, door te onderzoeken of de vervolgde persoon de kans heeft gekre-gen de authenticiteit van het bewijsmateriaal te betwisten en zich tegen het ge-bruik ervan te verzetten, door na te gaan of de omstandigheden waarin de gege-vens ten laste zijn verkregen twijfel doen rijzen over de geloofwaardigheid of de juistheid ervan, en door de invloed in te schatten van het onregelmatig verkregen bewijsmateriaal op de afloop van de strafvordering.

Het arrest oordeelt dat de uitlatingen van een speurder, ook al zijn ze foutief, kwaadwillig of strafbaar, alleen genomen, de berechting van de zaak niet aantas-ten met een schending van artikel 6 EVRM. Het oordeelt verder dat die overwe-ging de politieambtenaren niet ontslaat van de verplichting het vermoeden van on-schuld te eerbiedigen maar dat opmerkingen van speurders die op geen enkel ob-jectief gegeven gegrond zijn, geen bewijskracht hebben, zodat zij niet kunnen die-nen om tot een overtuiging te komen.

Volgens de appelrechters zijn diezelfde overwegingen van de politie geen onher-roepelijke miskenning van het vermoeden van onschuld, aangezien zij de be-klaagden het recht niet ontzeggen om al hun verweermiddelen aan te voeren tegen gegevens zonder bewijskracht. Het arrest wijst er ook op dat niet is aangetoond dat de speurders, die niet aan het strikte beginsel van onpartijdigheid zijn gehou-den, tijdens het onderzoek onder leiding van de onderzoeksmagistraat een deloya-le of vooringenomen houding zouden hebben aangenomen, waardoor de beklaag-den geen eerlijk proces zouden hebben genoten.

De appelrechters die de gevolgen onderzoeken van het gebrek aan objectiviteit dat de speurders ten laste is gelegd, verduidelijken dat de eerste speurder slechts de verklaring van een burgerlijke partij had overgenomen en de tweede enkel een op-zoeking in een woordenboek had verricht. Uit die overwegingen heeft het hof van beroep kunnen afleiden dat het vermoeden van onschuld niet werd miskend.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

2. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissingen op de burger-lijke rechtsvorderingen van de vier verweerders tegen de eiser

De eiser voert geen bijzonder middel aan.

B. Cassatieberoepen van Y. H. en T. H.

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 3 oktober 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Bloch en overge-schreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,