Hof van Cassatie - Arrest van 4 maart 2010 (België)

Publicatie datum :
04-03-2010
Taal :
Frans - Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20100304-1
Rolnummer :
P.10.0325.F

Samenvatting

De aan de dienst Voogdij toegekende identificatiebevoegdheid krachtens welke hij, onder meer door middel van een medisch onderzoek kan doen nagaan of de persoon al dan niet jonger is dan achttien jaar, sluit de bevoegdheid van de strafgerechten niet uit om in feite te beoordelen, volgens de bewijsregels in strafzaken, of de door een inverdenkinggestelde of een beklaagde aangevoerde minderjarigheid bewezen is (1). (1) Het openbaar ministerie had tot cassatie van het bestreden arrest geconcludeerd, op grond dat de appelrechters niet hadden geantwoord op de conclusie van de eiser, die aanvoert dat het door de dienst Voogdij aangevraagde medisch onderzoek, dat op een radiologische triple-test berust, vollediger was dan het door het parket bevolen medisch onderzoek, dat alleen op het radiologisch onderzoek van de pols berustte.

Arrest

Nr. P.10.0325.F

M. K., alias M. H.,

Mr. Isabelle Fery, advocaat bij de balie te Luik.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, van 18 februari 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Op de rechtszitting van 3 maart 2010 heeft raadsheer Pierre Cornelis verslag uitgebracht en heeft advocaat-generaal Damien Vandermeersch geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Hoofdstuk VI van titel XIII van de programmawet (I) van 24 december 2002 betreffende de voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen kent aan de dienst Voogdij een identificatiebevoegdheid toe krachtens welke zij door middel van een medisch onderzoek onder meer kan doen nagaan of de persoon al dan niet jonger is dan achttien jaar.

Anders dan het middel aanvoert, sluit deze bevoegdheid die van de strafgerechten niet uit om te oordelen, in feite, of de door een inverdenkinggestelde of een beklaagde aangevoerde minderjarigheid bewezen is. De voormelde rechtscolleges beslissen daarover zonder dat de wet op dat punt een bijzonder bewijsmiddel voorschrijft.

Om over de voormelde exceptie uitspraak te kunnen doen volgens de bewijsregels in strafzaken, dient de strafrechter niet vast te stellen dat betrokkene zich in geen van de situaties bevindt die in artikel 5 van het voormelde hoofdstuk VI zijn bepaald.

Het middel faalt naar recht.

Tweede middel

Op de conclusie van de eiser die aanvoert dat het strafdossier een beslissing van de dienst Voogdij bevat, die besluit dat hij minderjarig is, en dat alleen die dienst gemachtigd is om zich dienaangaande uit te spreken, antwoordt het arrest, enerzijds, dat het gerechtelijk onderzoek, met een medisch deskundigenonderzoek, heeft uitgewezen dat de eiser negentien jaar oud is, anderzijds, dat de wetenschappelijke waarde van het voormelde deskundigenonderzoek tevergeefs wordt betwist, en ten slotte, dat de door de eiser voorgelegde administratieve stukken een diepgaander onderzoek naar de echtheid ervan vergen.

Uit de vordering waarvan het arrest de redenen overneemt, blijkt dat de door de appelrechters in aanmerking genomen medische vaststellingen die zijn welke op 22 december 2009 door de hoofdgeneesheer van de dienst radiologie van het medisch centrum "la Citadelle" zijn verricht. Uit de voormelde vordering blijkt ook dat de administratieve stukken, waarvan de echtheid de kamer van inbeschuldigingstelling twijfelachtig toescheen, het verblijfsattest en de geboorteakte zijn die door de eiser zijn voorgelegd.

De appelrechters hebben aldus de bevindingen verworpen van het geneeskundig onderzoek dat onder toezicht van de dienst Voogdij is verricht, door daar tegenover de ermee strijdige bevindingen te stellen van de dienst radiologie waarnaar het arrest verwijst.

De appelrechters die vermelden dat de leeftijd van de eiser bewezen is door het gerechtelijk onderzoek, verwerpen hiermee eveneens de aanvoering dat alleen de dienst Voogdij de leeftijd mocht vaststellen.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Derde middel

Om te zeggen dat de eiser negentien jaar oud is, verwijst het arrest niet naar de beslissing van de dienst Voogdij. Het kan aldus de bewijskracht van dat stuk niet miskennen.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 4 maart 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean-Marie Genicot, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,