Arbeidshof: Arrest van 20 April 2004 (Antwerpen). RG 2020178

Datum :
20-04-2004
Taal :
Nederlands
Grootte :
8 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-20040420-4
Rolnummer :
2020178

Samenvatting :

De correctionele vrijspraak van de werkloze voor het met bedrieglijk inzicht niet afleggen van een verplichte verklaring in verband met zijn gezinstoestand impliceert niet dat de strafrechter zeker en noodzakelijk beslist heeft over het al dan niet samenwonen.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
A.R. 2020178
OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWINTIG APRIL TWEEDUI-ZEND EN VIER
In de zaak van:
de RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING,
gevestigd te 1000 Brussel, Keizerslaan 7,
appellant,
vertegenwoordigd door mr. L.D.G. loco mr. L.V., advocaat te Herselt,
tegen :
de heer Y.V.,
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door mr. H.V., advocaat te Herentals.
Na over de zaak beraadslaagd te hebben, heeft de vierde kamer van het Arbeids-hof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het volgende arrest uitgesproken.
Gelet op de zittingsbladen d.d. 10 april 2002, 17 februari 2004 en 2 maart 2004.
Rekening houdend met de akten van de rechtspleging, onder meer:
x het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op 8 februari 2002 uitge-sproken door de tweede kamer van de Arbeidsrechtbank te Turnhout, over-eenkomstig artikel 792 Ger. W. aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening ter kennis gebracht bij gerechtsbrief op 12 februari 2002;
x het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit Hof op 12 maart 2002 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 Ger. W. op 12 maart 2002;
x de conclusies voor Y.V., neergelegd ter griffie van het Arbeidshof op 14 oktober 2003;
x het afschrift van het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd ter zitting van 2 maart 2004, bij gerechtsbrief overeenkomstig artikel 767, ,§3, eerste lid, Ger. W., aan partijen ter kennis gebracht op 3 maart 2004.
Partijen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 17 februari 2004.
1. Ontvankelijkheid
Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 12 maart 2002, tekende Y.V. hoger beroep aan tegen een vonnis van 8 februari 2002 (A.R.V. 21.040) van de Arbeidsrechtbank te Turnhout.
Het vonnis werd aan Y.V. ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 792 Ger. W. bij gerechtsbrief op 12 februari 2002.
Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvan-kelijk.
2. Feiten en voorafgaande procedure
De directeur van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening van het werkloos-heidsbureau Turnhout besliste op 9 juli 1996, op grond van de artikelen 50, 110, 114, 134, 139, 142, 143, 144, 153, 158, 169, 170 en 175 van het K.B. van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, en op grond van ar-tikel 96 van het M.B. van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering, Y.V. vanaf 15 juli 1996 uit te sluiten van het genot van de werkloosheidsuitkeringen gedurende 13 weken (art. 153, tweede lid, en 158, eerste lid, K.B.). De duur van eventuele ziekte tijdens de sanctieperiode schorst de uitwerking van de administratieve sanctie (art. 158, tweede lid, en 159 K.B.).
In hoofdorde:
x hem het recht op uitkeringen te ontzeggen tijdens de periode van 26 oktober 1994 tot en met 28 november 1995 (art. 50 K.B.).
In ondergeschikte orde:
x hem tijdens de periode van 26 oktober 1994 tot en met 28 november 1995 het recht op uitkeringen te ontzeggen als alleenwonend werknemer aan een dagbedrag code 1/13 N2 en hem slechts uitkeringen toe te kennen als samen-wonende werknemer aan een dagbedrag code 1/P (art. 110 en 114 K.B.);
x de uitkeringen die hij tijdens de periode van 26 oktober 1994 tot en met 28 november 1995 onrechtmatig ontving, terug te vorderen (art. 169 en 170 K.B.);
x het dossier over te maken aan de Arbeidsauditeur (art. 175 K.B.).
De directeur nam deze beslissing op grond van volgende overwegingen:
"Er werd U op 19.03.1996 een afschrift van het Proces-Verbaal van Ver-hoor dd. 03.01.1996 en van het Pro-Justitia dd. 06.03.1996 overgemaakt.
Hieruit is het volgende gebleken:
1° uw ouders werden tijdens de periode van 26.10.1994 tot en met 28.11.1995, ingevolge een beslissing van het Ministerie van Binnenlandse Zaken dd. 10.10.1995 - medegedeeld aan de Stad Geel op 25.10.1995 - ambtshalve ingeschreven op uw woonadres, omdat vastgesteld werd dat zij wel degelijk op uw adres verbleven en niet op het door hen opgegeven adres.
2° uw moeder J.R. is sedert 01.04.1989 zaakvoerder van C.V. R. - foornijveraar, kleinhandel sportartikelen.
3° uw ouders wonen sedert 29.11.1995 op het adres ... te Geel, zodat U sedert 29.11.1995 terug alleen woont op uw adres.
Voor verdere argumentatie om U als samenwonende met een zelfstandige te beschouwen, verwijs ik naar de inhoud van voormelde beslissing van het Ministerie van Binnenlandse zaken, naar de inhoud van voormeld Proces-Verbaal van Verhoor en voormeld Pro-Justitia.
Bij nazicht van uw dossier is gebleken dat U o.a. tijdens de periode van 26.10.1994 tot en met 28.11.1995 als volledige werkloze uitkeringen geniet als alleenwonend werknemer aan een dagbedrag code 1/13 N2, aangezien U zich opgaf als alleenwonend op het adres ... te Geel (toepassing van de artikelen 110 en 114 van (het K.B. van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering)).
Tevens is bij dit nazicht gebleken dat U een onjuiste aangifte hebt gedaan van uw gezinstoestand. U hebt verder geen aangifte gedaan van uw sa-menwoonst met een zelfstandige.
Wat de toekenningsvoorwaarden in de zin van artikel 50 betreft:
De werkloze die met een zelfstandige samenwoont kan slechts uitkeringen genieten indien hij hiervan aangifte doet op het tijdstip van de uitkerings-aanvraag of bij de aanvang van het samenwonen. Deze aangifte is even-wel niet vereist wanneer de werkloze niet in staat is de zelfstandige met wie hij samenwoont aanmerkelijk te helpen.
Artikel 48 van (het K.B. van 25 november 1991 houdende de werkloos-heidsreglementering) is van toepassing op de werkloze die enigerlei hulp verleent aan de zelfstandige met wie hij samenwoont (artikel 50 van (het K.B. van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering)).
U dient hierdoor tijdens de periode van 26.10.1994 tot en met 28.11.1995 als samenwonende werknemer en niet als alleenwonend werknemer be-schouwd, zodat U tijdens voormelde periode geen aanspraak kan maken op uitkeringen als alleenwonend werknemer, doch slechts op uitkeringen als samenwonende werknemer (toepassing van de artikelen 110 en 114 van (het K.B. van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsregle-mentering)).
U hebt derhalve tijdens de periode van 26.10.1994 tot en met 28.11.1995 uitkeringen genoten aan een dagbedrag hoger dan hetgene waarop U recht hebt.
Het verschil dient terugbetaald te worden (toepassing van de artikelen 169 en 170 van (het K.B. van 25 november 1991 houdende de werkloos-heidsreglementering)).
U bewijst niet dat U niet in staat bent uw moeder, met wie U tijdens de periode van 26.10.1994 tot en met 28.11.1995 samenwoonde, aanmerke-lijk te helpen.
U kan hierdoor tijdens de periode van 26.10.1994 tot en met 28.11.1995 geen aanspraak maken op uitkeringen, aangezien U niet voldoet aan de toekenningsvoorwaarden, zoals bepaald bij artikel 50 van (het K.B. van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering).
U hebt derhalve tijdens de periode van 26.10.1994 tot en met 28.11.1995 uitkeringen genoten waarop U geen recht hebt. De ten onrechte genoten uitkeringen dienen terugbetaald te worden (toepassing van de artikelen 169 en 170 van (het K.B. van 25 november 1991 houdende de werkloos-heidsreglementering)).
Wat de administratieve sanctie in de zin van artikel 153 betreft:
Wordt van het genot van de uitkeringen uitgesloten gedurende ten minste één week en ten hoogste 13 weken, de werkloze die onverschuldigde uitke-ringen heeft of kan ontvangen, doordat hij:
1° een onjuiste of onvolledige verklaring heeft afgelegd;
2° een verplichte verklaring, anders dan deze bedoeld in artikel 134, ,§3, niet of te laat heeft afgelegd.
(artikel 153, 1ste lid van (het K.B. van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering)).
In afwijking van het voorgaande lid bedraagt de duur van uitsluiting ten minste 13 en ten hoogste 26 weken wanneer het een verklaring betreft op grond waarvan de hoedanigheid van werknemer met gezinslast of van al-leenwonende werknemer ten onrechte werd toegekend of kan toegekend worden.
(artikel 153, 2de lid van (het K.B. van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering))."
Hiertegen tekende Y.V. verhaal aan bij de Arbeidsrechtbank te Turnhout met een verzoekschrift, per aangetekende post ontvangen ter griffie op 2 augustus 1996.
Bij arrest van 22 februari 2001 van het Hof van Beroep te Antwerpen werd hij vrijgesproken van de betichting:
"tussen 26 oktober 1994 en 29 november 1995, meermaals en laatst nog op 28 november 1995;
Bij inbreuk op de artikelen 50, 134 par. 1, 2°, 134 par. 3, 153, 175, 1° e) en 176 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheids-reglementering:
Als werkloze, handelend met bedrieglijk inzicht, een onjuiste of onvolledige ver-klaring te hebben afgelegd of een verplichte verklaring niet of te laat te hebben afgelegd wanneer er zich gedurende de werkloosheid een gewijzigde gebeurte-nis heeft voorgedaan die van invloed is op het recht op uitkeringen of op het bedrag ervan en, meer bepaald, nagelaten te hebben aangifte te doen van zijn samenwoonst met zijn ouders, zelfstandige handelaars."
In zijn vonnis van 8 februari 2002 oordeelde de rechter in de Arbeidsrechtbank te Turnhout dat Y.V. aantoonde dat hij afzonderlijk verbleef, verklaarde hij de vordering ontvankelijk en gegrond en vernietigde de bestreden beslissing van 9 juli 1996.
De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening stelde hiertegen hoger beroep in bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof op 12 maart 2002.
3. Eisen in hoger beroep
De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het vonnis a quo te vernietigen en de administratieve beslissing integraal te bevestigen.
Y.V. vraagt, in hoofdorde, het hoger beroep ongegrond te verklaren en het vonnis a quo te bevestigen;
ondergeschikt, de zaak naar de rol te verzenden teneinde hem toe te laten een vordering tot uitlegging te stellen overeenkomstig artikel 793 e.v. Ger. W. aangaande het arrest van 22 februari 2001 van het Hof van Beroep te Antwerpen; verder ondergeschikt, hem toe te laten om te bewijzen met alle middelen van recht, getuigenbewijs inbegrepen, dat hij alleen woont op het adres te ... Geel; verder ondergeschikt, zeker de sanctie te vernietigen, of een verwittiging te geven, alleszins de sanctie te herleiden tot het minimum van 1 week (nieuwe reglementering) of tot een sanctie die zo dicht mogelijk tegen dit minimum ligt.
4. Ten gronde
4.1. Y.V. werd uitgesloten van het genot van de werkloosheidsuitkeringen voor de periode van 26 oktober 1994 tot en met 28 november 1995 op grond van artikel 50 van het Werkloosheidsbesluit.
Artikel 50 bepaalt dat de werkloze, die met een zelfstandige samenwoont, slechts uitkeringen kan genieten indien hij daarvan aangifte doet op het tijdstip van de uitkeringsaanvraag of bij de aanvang van het samenwonen;
deze aangif-te is evenwel niet vereist wanneer de werkloze niet in staat is de zelfstandige met wie hij samenwoont aanmerkelijk te helpen; artikel 48 is van toepassing op de werkloze die enigerlei hulp verleent aan de zelfstandige met wie hij samen-woont.
Y.V. wordt verweten geen aangifte te hebben gedaan van het feit dat hij samenwoonde met zijn ouders, die een zelfstandige activiteit uitoefenden. Zij baatten met name het "C." uit in het pretpark B. en daarnaast hielden zij een sportwinkel open, eerst op het adres ... en later aan de ... te Geel, gelegen naast het huis van Y.V.
Y.V. woonde en woont nog steeds aan de ... Volgens de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening woonde hij in de betrokken periode samen met zijn ouders op het adres ... te Geel.
4.2. In het vonnis a quo vernietigde de eerste rechter de bestreden beslissing van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening en steunde zich hierbij in hoofd-zaak op het verslag van de bevolkingsinspecteur van 10 november 1994 èn op het hoger omschreven arrest van vrijspraak in hoofde van Y.V. door het Hof van Beroep te Antwerpen op 22 februari 2001.
De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening houdt voor dat uit dit arrest enkel met zekerheid kan afgeleid worden dat de strafrechter het bestaan van het misdrijf, waarvan het bedrieglijk opzet een constitutief element is, als niet bewezen heeft beschouwd, zonder dat daaruit kon afgeleid worden dat de strafrechter uitspraak zou hebben gedaan over het samenwonen.
Y.V. stelt daar tegenover dat uit het in kracht van gewijsde gegane arrest het bewijs voortvloeit dat hij niet met zijn ouders samenwoonde en dat de discussie over het moreel element van het misdrijf, met name het bedrieglijk inzicht, niet relevant is.
4.3. Het arrest van 22 februari 2001 van het Hof van Beroep te Antwerpen is in kracht van gewijsde gegaan, zodat het gezag van gewijsde ervan kan ingeroepen worden.
Een beslissing van vrijspraak, zoals in casu, die een eindbeslissing is, bezit ge-zag van gewijsde erga omnes aangaande alles wat geoordeeld werd ten aanzien van de feiten en wordt niet beperkt tot de door de vervolgende partij aan het feit gegeven kwalificatie.
(WYLLEMAN, A., Het gezag van gewijsde: uitdrukking van het rechterlijk gezag, T.P.R., 1988, nr. 61).
De burgerlijke rechter is gehouden te onderzoeken of de feiten waarop de bur-gerlijke vordering gesteund is, al dan niet dezelfde zijn als deze die reeds aan het oordeel van de strafrechter werden onderworpen;
hij dient na te gaan of hij de burgerlijke vordering kan toestaan zonder in tegenspraak te komen met de strafrechterlijke beslissing.
(WYLLEMAN, A., o.c., nrs. 77 en 81).
Artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het gezag van rechterlijk gewijsde zich niet verder uitstrekt dan tot hetgeen het voorwerp van de beslis-sing heeft uitgemaakt.
Het gezag van gewijsde blijft derhalve niet beperkt tot wat de strafrechter in zijn beschikkend gedeelte van de uitspraak bepaald heeft, maar geldt ook wat de motieven en redenen aangaat waarop het beschikkend gedeelte gesteund wordt.
(CLAEYS BOUAERT, Ph., Algemene beginselen van het recht, vijftien jaar rechtspraak van het Hof van Cassatie, R.W., 1986-87, 926 en de aldaar geciteerde rechtspraak; conclusie van Advocaat-generaal D'Hoore bij Cass., 15 februari 1991, R.W., 1991-92, 16).
Het gezag van gewijsde geldt voor alles waarover de rechter zeker en noodzake-lijk heeft beschikt in de betwisting die hem impliciet of expliciet is voorgelegd.
(Cass., 10 oktober 1975, A.C., 1976, 181).
Om na te gaan wat de strafrechter precies heeft gezegd moet dus niet alleen het beschikkend gedeelte van het arrest worden onderzocht, maar ook het motive-rend gedeelte, dat noodzakelijk en onmisbaar is om dat beschikkend gedeelte te schragen.
4.4. Het dient gezegd dat het betrokken arrest uiterst summier gemotiveerd is.
Het beperkt zich tot de overweging:
"Overwegende dat door de stukken van het dossier en door het onderzoek ter terechtzitting van het Hof de schuld van beklaagde aan het hem ten laste ge-legde feit niet bewezen is gebleven."
Het beschikkend gedeelte stelt als volgt:
"Verklaart beklaagde niet plichtig aan het hem ten laste gelegde feit;
Spreekt dienvolgens beklaagde ervoor vrij en ontslaat hem van elke uit dien hoofde tegen hem ingestelde rechtsvervolging."
Het ten laste gelegde feit werd hierboven integraal weergegeven.
Uit het arrest kan wèl met zekerheid worden afgeleid dat de strafrechter het be-staan van het misdrijf, waarvan overeenkomstig artikel 175 van het Werkloos-heidsbesluit het bedrieglijk inzicht als constitutief element vereist is bij inbreuk op artikel 153 van hetzelfde besluit, als niet bewezen heeft beschouwd.
Y.V. werd vrijgesproken voor het met bedrieglijk inzicht niet afleggen van een verplichte verklaring.
De strafrechter heeft echter niet zeker en noodzakelijk beschikt over het al dan niet samenwonen.
Het is niet omdat volgens de strafrechter de strafbaarheidsvoorwaarden, de we-derrechtelijkheid, de schuld en de strafwaardigheid of één van die constitutieve elementen van het misdrijf ontbreken, dat de directeur van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening geen beslissing meer kan nemen wegens inbreuken op de werkloosheidsreglementering die een andere dimensie voor de strafrechter heb-ben dan voor de arbeidsrechter. Deze laatste moet dan ook de feiten onderzoe-ken in hun relatie tot de specifieke bepalingen van de werkloosheidsreglemen-tering, waarbij het bedrieglijk inzicht niet tot de essentie van de inbreuk be-hoort.
4.5. Samenwoonst
Y.V. draagt de bewijslast van zijn bewering dat hij in de betwiste periode de hoedanigheid bezat van alleenstaande werknemer in de zin van artikel 110, ,§2, van het Werkloosheidsbesluit.
(Cass., 14 september 1998, A.C., 1998, 886).
Dit ontslaat de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening er niet van zijn stelling, dat Y.V. samenwoonde met zijn ouders op het adres ... te Geel, aan te tonen.
Artikel 59 van het M.B. van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering, bepaalt dat onder samenwonen wordt ver-staan, het onder hetzelfde dak samenleven van twee of meer personen die hun huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen.
Een eerste vaststelling bestaat er in dat het administratief dossier van de Rijks-dienst voor Arbeidsvoorziening met betrekking tot de beweerde samenwoonst bijzonder weinig nauwkeurige, met elkaar overeenstemmende elementen bevat op grond waarvan de beslissing van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening kon gerechtvaardigd worden.
Het Openbaar Ministerie merkt ter zake terecht op:
"Het Openbaar Ministerie vraagt zich af hoe de RVA het rationeel kan verantwoorden dat hij pv's en verslagen waarbij slechts oppervlakkige vaststellingen van afwezigheid van bewoning werden vermoed, zwaarder laat doorwegen dan een verslag waarbij de visu (ten huize van...) werd vastgesteld dat er wel bewoning was aan de ... te Geel.
Cultiveert de RVA hier niet de perceptie in plaats van zich te laten leiden door de realiteit?
Kortom, er is te weinig gezonde argwaan geweest bij de RVA over zoveel oppervlakkigheid in pv's en verslagen ten aanzien waarvan de RVA het zelfs niet nodig heeft geacht een diepgaander onderzoek in te stellen.
De heer P.H., bevolkingsinspecteur, is de enige die een grondig plaatsbezoek heeft gedaan in de ... en in de ... dat als resultaat opleverde dat de ouders van geïntimeerde wel degelijk het pand aan de ...
bewoonden en geïntimeerde alleen woonde aan de ... dat maar één slaapkamer bevat en enkel de kledij van geïntimeerde.
Deze vaststellingen stemmen overeen met de niet betwiste feiten dat de ouders van geïntimeerde hun sportwinkeltje in 1989 overbrachten naar de ... (naast de woning van hun zoon), wat hun aanwezigheid aldaar kan verklaren op bepaalde tijdstippen evenals hun lange werkdagen tijdens het seizoen in B. waar zij een cowboydorp exploiteerden en waar zij over een staancaravan beschikten om de nacht door te brengen."
Opvallend is dat meerdere onderzoeken werden gedaan naar de juiste verblijf-plaats van de ouders door de gemeentediensten van Geel, en dat deze uitmunt-ten in oppervlakkigheid en niet gestaafd werden door zinvolle plaatsbezoeken. De zogenaamde vaststelling van het niet kunnen aantreffen van de ouders op het adres ... geeft te denken over de mate van ernst waarmee de onderzoeken gevoerd werden. Het was immers bekend dat de ouders ten laatste om 6 uur 's morgens het huis verlieten en niet voor middernacht huiswaarts keerden, voor zover zij al niet overnachtten in B. in hun caravan. Op basis van deze dubieuze bevindingen werden de ouders ambtshalve ingeschreven op het adres van Y.V. in de betwiste periode.
Uiteindelijk werd in opdracht van het ministerie van binnenlandse zaken de heer P.H., bevolkingsinspecteur, ter plekke gezonden.
In zijn verslag van 10 november 1994 noteerde hij als volgt:
"Onderzoek naar de verblijfstoestand van J.V. en zijn echtgenote J.R.
Op 23.12.1993 vraagt betrokkene tussenkomst van het departement inzake de beslissing van het stadsbestuur van Geel waarbij men het gezin wil inschrijven bij hun zoon Y.V. aan de .... Betrokkene verklaart dat hun adres wel degelijk ... is, adres waar ze ingeschreven staan.
Als argumenten halen ze aan dat
-ze overdag regelmatig te vinden zijn aan de ... vermits ze achter in de tuin een atelier huren
-ze tijdens de zomeravonden een schiettent uitbaatten in B. en op drukke dagen de mogelijkheid aldaar hebben te overnachten
... (plaatsbezoek op 20.06.1994)
Niemand blijkt aanwezig.
... (plaatsbezoek op 26.10.1994)
Aan dit pand is een etalage met schaatsen waar een bordje bij staat: ver-koopadres ....
Ik klop aan. Mevrouw R. doet open en toont me hun woonst en slaapgelegenheid. Het pand is duidelijk bewoond.
Ze verklaart me dat haar man momenteel in het atelier is waar ze in de winter een schaatswinkel uitbaten.
In de zomer staan ze op B. Ze vertelt me van de zware ambras met hun zoon Y.
Ik stel voor eens te gaan kijken aan de .... J.V. is achteraan de tuin hun winkel terug in orde aan het maken voor de winterperiode.
Op mijn vraag gaan we naar het huis van hun zoon die thuis is en zijn moeder duchtig afsnauwt. Ik krijg niettemin een rondleiding. Het huis is een grote rommelhoop. Het dateert van '74 doch is nooit helemaal afge-werkt. Het is duidelijk bewoond. Ik stel vast dat er maar een slaapkamer is en slechts kledij van de zoon.
Volgens mevrouw R. is de affaire i.v.m. hun adres een streek van een politieagent die hun niet welgezind is.
Besluit: Gelet op mijn bevindingen dient de inschrijving van J.V. en J.R. aan de ... te 2440 Geel op datum van 02.05.1986 behouden te blijven."
Aan de hand van dit verslag, dat als enig stuk over de nodige geloofwaardigheid beschikt doordat de bevolkingsinspecteur zich de moeite getroostte de drie be-trokken woonsten persoonlijk te bezoeken, bewijst Y.V. afdoende dat hij alleen woonde op het adres ... De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening toont het tegendeel alleszins niet aan. In hoofde van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening blijkt bovendien verwarring te bestaan tussen de huisnummers ... en ...
Dat het ministerie van binnenlandse zaken toch overging tot (tijdelijke) inschrij-ving van de ouders op het adres van Y.V. doet aan de vaststellingen van het Hof niets af. Dit kan gebeurd zijn om redenen waarvan de opportuniteit alleen het ministerie aanbelangt.
Het hoger beroep is ongegrond.
Op die gronden,
Het Hof,
Heeft kennis genomen van het eensluidend schriftelijk advies, uitgebracht door de heer P. VAN DEN BON, Advocaat-generaal, op de openbare terechtzitting van 2 maart 2004.
Houdt rekening met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalge-bruik in gerechtszaken.
Doet uitspraak op tegenspraak.
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond.
Bevestigt het vonnis van 8 februari 2002 (A.R.V. 21.040) van de Arbeidsrecht-bank te Turnhout.
Legt de kosten van het hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de Rijksdienst voor Arbeidsvoor-ziening, door Y.V. begroot op 273,67 EUR rechtsplegingsvergoeding en door het Hof vereffend op 136,84 EUR rechtsplegingsvergoeding; de kosten van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening worden door het Hof niet vereffend daar geen kostenopgave wordt ingediend.
Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting op twintig april tweeduizend en vier.