Arbeidshof: Arrest van 28 Juni 2001 (Antwerpen). RG 99/1155
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-20010628-1
- Rolnummer :
- 99/1155
Samenvatting :
De bevoegdheid om namens de instelling op te treden voor de gewone rechtscolleges, waaronder de arbeidsgerechten, behoort toe aan de persoon belast met het dagelijks beheer; deze laatste mag deze bevoegdheid niet overdragen aan één of meer leden van het personeel.
Arrest :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHTENTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN EEN In de zaak:
RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, met zetel gevestigd te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 7, appellant, verschijnend bij mr. M.C. PASSEMIERS, advocaat te 2000 ANTWERPEN, tegen :
S. L., wonende te 2160 WOMMELGEM, Schransweg 50, geïntimeerde, verschijnend bij mr. D. VERGOUWEN loco mr. E. VERVAEKE, advocaat te 2000 ANTWERPEN.
Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgend arrest.
Gelet op de zittingsbladen d.d.2 februari 2000, 25 januari 2001, 8 maart 2001, 26 april 2001 en 10 mei 2001.
Gelet op de stukken van de rechtspleging, onder meer:
het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis d.d. 25 november 1999, op tegenspraak, gewezen door de arbeidsrechtbank te Antwerpen, betekend aan partijen op 30 november 1999;
het verzoekschrift tot hoger beroep, ingediend ter griffie van dit hof op 28 december 1999 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het gerechtelijk wetboek op 28 december 1999;
de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen ter griffie van het hof op 12 december 2000;
de conclusies voor appellant, neergelegd ter griffie van het hof op 7 maart 2001;
de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit hof op 4 april 2001.
Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen op de openbare terechtzitting van 26 april 2001.
Gehoord het schriftelijk advies van het openbaar ministerie op de openbare terechtzitting van 10 mei 2001.
Gelet op de repliek van appellant, neergelegd ter griffie van dit hof op 17 mei 2001.
1. Feiten en Voorgaanden.
De directeur van het Werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Antwerpen besliste op 2 oktober 1998 -op grond van de artikelen 51, 52, 53, 142, 144 en 146 om mevrouw S. L. uit te sluiten van het recht op wachtuitkeringen vanaf 06.07.1998 gedurende een periode van 13 weken.
De Directeur nam deze beslissing op grond van de feiten, die hij als volgt omschrijft:
"Op 06.07.1998 vroeg u wachtuitkeringen aan nadat u op 16.06.1998 werd ontslagen als poetsvrouw voor rekening van Patroba nv te WOMMELGEM.
Volgens gegevens in ons bezit (C4, fax werkgever d.d. 16.09.1998) werd u ontslagen wegens het vroegtijdig verlaten van het bedrijf zonder de leiding te verwittigen (29.05.1998 en 19.06.1998). Uw ontslag is derhalve het redelijk gevolg van uw foutieve houding.
U bent bijgevolg werkloos geworden wegens omstandigheden afhankelijk van uw wil in de zin van het artikel 51 van het bovenvermeld K.B.
De werknemer die aanspraak maakt op wachtuitkeringen en die werkloos wordt ingevolge een ontslag dat het redelijke gevolg is van een foutieve houding van de werknemer wordt uitgesloten van het genot van de uitkeringen gedurende ten minste 13 en ten hoogste 52 weken (artikel 52, §1, eerste lid van bovenvermeld K.B.) Deze uitsluiting heeft uitwerking vanaf 06.07.1998, de datum van uw uitkeringsaanvraag (artikel 53, eerste lid van bovenvermeld K.B.).
Mevrouw S. L. tekende beroep aan tegen de administratieve beslissing bij verzoekschrift ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank op 30 december 1998 en verzocht het beroep ontvankelijk en gegrond te horen verklaren en de beslissing van de R.V.A. d.d. 2 oktober 1998 te vernietigen. De R.V.A. te veroordelen om uit de vernietiging voortspruitende achterstallige werkloosheidsuitkeringen te betalen, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf de datum van het inleidend verzoekschrift en dit tot de dag van de betaling. Tevens de R.V.A. te veroordelen tot de kosten.
2. Het bestreden vonnis.
De eerste rechter verklaarde bij vonnis d.d. 25 november 1999 de oorspronkelijke vordering van S. L.
ontvankelijk en gegrond en vernietigde de administratieve beslissing d.d. 2 oktober 1998.
3. Eisen in hoger beroep.
De R.V.A. tekende beroep aan tegen het vonnis a quo bij verzoekschrift ontvangen ter griffie van het hof op 28 december 1999 en verzoekt het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te horen verklaren, het vonnis a quo te vernietigen en de administratieve beslissing integraal te bevestigen.
Bij conclusies ontvangen ter griffie van dit hof vorderde mevrouw L. het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te horen verklaren, het vonnis a quo integraal te horen bevestigen en de R.V.A. te veroordelen tot de kosten.
Bij conclusies ontvangen ter griffie van dit hof op 4 april 2001 vorderde mevrouw L. het hoger beroep ontoelaatbaar te horen verklaren en in ondergeschikte orde het hoger beroep ongegrond te verklaren en het vonnis a quo integraal te bevestigen. Tevens de R.V.A. te veroordelen tot de kosten.
4. De ontvankelijkheid van het hoger beroep.
Dat het hof ingevolge het arrest van het Hof van Cassatie d.d.20.9.2000 (R.V.A./Vral en Declerq S.00.0004.N) ambtshalve deze probleemstelling in verband met de al dan niet toelaatbaarheid van het hoger beroep opwierp en dat de R.V.A. en mevrouw L. in hun tweede besluiten hierover concludeerden.
Dat samenvattend dan ook dient vastgesteld te worden dat appellant voorhoudt dat het beroep wel toelaatbaar is, terwijl geïntimeerde de niet-toelaatbaarheid van het beroep op grond van de deze exceptie vordert.
Dat aldus aan de vereisten van het tegensprekelijk debat en de rechten van de verdediging voldaan werd.
Dat de probleemstelling de volgende is:
Het verzoekschrift d.d. 24 december 1999 tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 28 december 1999, uitgaande van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, werd ondertekend door de heer "Wouter Langeraert", adjunct-adviseur van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, zou niet toelaatbaar zijn om reden dat deze W. Langeraert, als gedelegeerde van de administrateur van de R.V.A.
mogelijkerwijs niet kan of vermag een akte van rechtsingang te ondertekenen of in rechte optreden, vermits deze problematiek een materie van rechterlijke organisatie en dus van openbare orde is.
Dat voorafgaandelijk dient gesteld te worden dat het duidelijk is dat enkel de materiële procespartij, die partij is geweest in eerste aanleg, hoger beroep kan instellen tegen een vonnis dat haar nadeel toebrengt.
De materiële procespartij is de titularis van het subjectief recht dat aan de beoordeling van de rechter wordt voorgelegd en titularis van de rechtsvordering, zijnde het processuele middel om een aanspraak, die hij jegens een ander heeft of meent te hebben, aan het oordeel van de rechter te onderwerpen (Karen Broeckx, Het recht op hoger beroep en het beginsel der dubbele aanleg in het civiele geding. Maklu 1995, nr. 403; Arbh. Bergen 31 oktober 1991, J.T.T. 1992, 178).
De materiële procespartij kan zich eventueel in rechte laten vertegenwoordigen conform de wettelijke bepalingen.
De grondvoorwaarde voor de procesvertegenwoordiging op basis van artikel 703 Ger.W. is dan ook dat de persoon, die in rechte optreedt de hoedanigheid heeft om de instelling in rechte te vertegenwoordigen ( artikel 17 Ger.W.) Dat aldus wanneer geen vertegenwoordigingsbevoegdheid wordt aangetoond de vereiste hoedanigheid om het rechtsmiddel aan te wenden niet voorhanden is.
(citaat K. Broeckx cfr. Supra) De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening is een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, opgericht door artikel 7 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, die in rechte optreedt door tussenkomst van haar bevoegd orgaan (artikel 703 van het gerechtelijk wetboek).
Krachtens artikel 1 van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg is deze wet van toepassing op de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening en daarin worden de bevoegdheden en de werkwijze van de beheersorganen van deze instellingen, waaronder dus ook de R.V.A. valt, nader omschreven.
Artikel 10 van voornoemde wet voorziet dat de persoon, belast met het dagelijks beheer, volgende bevoegdheden heeft:
- voert de beslissingen van het beheerscomité uit;
- leidt het personeel;
- oefent de bevoegdheden uit inzake het dagelijks beheer;
- vertegenwoordigt de instelling in alle gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen.
Dat hieruit blijkt dat een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de bevoegdheden inzake het dagelijks beheer, die door het beheerscomité in het huishoudelijk reglement bepaald worden en de vertegenwoordiging in rechte.
Dat de delegatie van bevoegdheden m.b.t. het dagelijks beheer wordt voorzien in artikel 10, al. 6, waar evenwel de delegatie m.b.t. de vertegenwoordiging in rechte voorzien is in artikel 10, al. 8 terwijl het duidelijk is dat in artikel 10, de alinea's 7 en 8 samen moeten gelezen worden.
Dat vooreerst artikel 10, al. 7 bepaalt dat de persoon belast met het dagelijks beheer de instelling vertegenwoordigt in de gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen en rechtsgeldig optreedt in haar naam en voor haar rekening, zonder dat deze persoon zulks door een beslissing van het beheerscomité moet staven.
Artikel 10, achtste lid, echter bepaalt verder dat deze persoon, met instemming van het beheerscomité, zijn bevoegdheid om op te treden namens de instelling voor de administratieve rechtscolleges in de geschillen omtrent de rechten, ontstaan uit een regeling van sociale zekerheid, aan één of meer leden van het personeel mag overdragen.
Dat deze alinea derhalve de delegatiebevoegdheid beperkt bij de vertegenwoordiging van de instelling in alle gerechtelijke akten en deze delegatie is dus enkel voorzien ingeval wordt opgetreden voor administratieve rechtscolleges.
Dat uit de conclusies van de R.V.A. blijkt dat hij, verwijzend naar het voornoemd cassatiearrest, niet meer betwist dat deze alinea 8 van het artikel 10 niet van toepassing is vermits in deze alinea enkel wordt verwezen naar de vertegenwoordiging exclusief voor de administratieve rechtscolleges.
Dat echter de R.V.A. thans voorhoudt dat het vertegenwoordigen in rechte behoort tot het dagelijks bestuur en dat aldus de administrateurgeneraal deze bevoegdheid om te vertegenwoordigen in rechte ook kan delegeren, ingevolge de bepalingen van het huishoudelijk reglement.
Aangezien het aantekenen van hoger beroep een akte van rechtsingang is en dus ontegensprekelijk een rechtshandeling is, meer bepaald een maatregel van rechterlijke organisatie en dus van openbare orde is, zodat de ondertekening ervan dient te gebeuren door de daartoe bevoegde persoon (artikel 703 Ger.W.) Dat derhalve, vermits de arbeidsgerechten geen administratieve rechtscolleges zijn, heeft, op grond van voornoemde wetsbepalingen, alleen de persoon belast met het dagelijks beheer van de instelling de bevoegdheid om hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank die uitspraak heeft gedaan in een werkloosheidsgeschil, dat op grond van artikel 580, 2° van het gerechtelijk wetboek tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank behoort.
Dat derhalve, verwijzend naar het reeds hoger omschreven onderscheid naar de bevoegdheid inzake het dagelijks beheer en de vertegenwoordiging in rechte, niet kan aanvaard worden dat de door het huishoudelijk reglement bepaalde delegatiebevoegdheden ook zouden gelden voor de vertegenwoor-diging in rechte vermits deze laatste bevoegdheid niet kan ondergebracht worden onder het begrip "dagelijks bestuur".
Dat zulks immers strijdig is met de wettelijke bepalingen die als vanzelf-sprekend primeren boven het huishoudelijk reglement en er zelfs strijdig mee zijn, omdat het immers slechts op wettelijke basis is dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid kan aangetoond worden om te voldoen aan de hoedanigheid voorgeschreven in artikel 703 Ger.W.
Afgezien van de vraag of de heer Wouter Langeraert de nodige vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft gekregen om hoger beroep in te stellen tegen het bestreden vonnis, staat het vast dat de administrateurgeneraal, belast met het dagelijks beheer van de Rijksdienst, in toepassing van artikel 3 van het K.B. van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, de persoon is die de instelling vertegenwoordigt en enkel hij en hij alleen de in artikel 10 van de wet van 25 april 1963 gestelde gerechtelijke handelingen, zoals in deze het instellen van hoger beroep, kan stellen.
Dat appellant zich verder beroept op de artikelen 11 en 12 van de Wet van 25.4.1963 om de delegatie, toevertrouwd aan de heer W. Langeraert, te verantwoorden.
Dat deze argumentatie steunend op deze artikelen niet van toepassing kan zijn vermits blijkt uit het stuk betreffende de bevoegdheid tot delegatie (neergelegd en aangehecht aan de conclusies van appellant), dat deze gesteund is op artikel 10, 6° lid, waarnaar in de aanhef ervan wordt verwezen en niet naar de specifieke omstandigheid voorzien in artikel 11 waar er spraak is van een delegatie bij verhindering van de persoon belast met het dagelijks beheer.
Dat trouwens de R.V.A. op geen enkel ogenblik bewijst dat in casu deze delegatie diende te gebeuren omdat de administrateurgeneraal verhinderd was en dat bovendien bij diens verhindering de heer Langeraert werd gedelegeerd om op te treden in rechte.
Dat om dezelfde redenen dan ook artikel 12 in casu niet kan van toepassing zijn, dit artikel heeft namelijk betrekking op handelingen, waarbij de persoon belast met het dagelijks bestuur en de voorzitter gezamenlijk optreden in naam en voor rekening van de instelling, terwijl bij verhindering of afwezigheid deze worden vervangen door een lid van het beheerscomité of door twee leden door het beheerscomité aangewezen.
Dat vervolgens en meer subsidiair de R.V.A. argumenteert dat de instelling niet in persoon verschijnt maar wordt vertegenwoordigd door haar advocaat.
Dat ook deze argumentatie ter zake niet relevant is gezien de betwisting niet handelt over de verschijning in rechte maar over de geldigheid van het ondertekenen en neerleggen van de akte van beroep, wat op zich een rechtshandeling is, omdat het een akte van rechtsingang is, waarvoor alleen de bevoegde persoon tot het stellen van deze rechtshandeling kan overgaan, terwijl in dit geval de akte van beroep niet door een advocaat werd ondertekend.
Dat immers de geldigheid van deze akte van beroep dient te worden beoordeeld op het tijdstip van de neerlegging ter griffie en een eventuele rechtzetting mits ondertekening door een advocaat of de administrateurgeneraal op een later tijdstip niet meer mogelijk is.
Dat weliswaar de R.V.A. terecht stelt dat de akte van beroep niet nietig kan verklaard worden omdat de ondertekening niet op straffe van nietigheid wordt voorgeschreven door artikel 1057 Ger. W. en er niet wordt aangetoond dat er belangenschade optreedt voor één van de litiganten.
Dat echter de problematiek niet handelt over de al dan niet nietigheid van de deze procesakte, doch wel over de toelaatbaarheid ervan, waarvoor geen soepeler vormen kunnen gehanteerd worden vermits het hier gaat om een materie van rechterlijke organisatie, waarvan omwille van het openbare-orde-karakter ervan, niet worden afgeweken.
Dat tenslotte in zijn repliek op het advies van het openbaar ministerie de R.V.A. o.m. aanvoert dat artikel 703 Ger.W alleen stelt dat de rechtspersoon alleen in rechte kan optreden door tussenkomst van hun bevoegde organen, doch dat het gerechtelijk wetboek niets zegt over de vraag welke organen de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigen en dat het gerechtelijk wetboek evenmin uitsluit dat bij een bevolen persoonlijke verschijning van de rechtspersoon deze zich mag bij volmacht laten vertegenwoordigen.
Dat echter een persoonlijke verschijning een onderzoeksmaatregel is, waar aan de vereisten van artikel 703 Ger.W. niet dient te worden voldaan.
Dat bovendien ter zake kan opgemerkt worden dat het om redenen van praktische aard nuttiger kan voorkomen dat de persoon, die in feite het dossier en de problematiek die aanleiding zou hebben gegeven tot deze onderzoeksmaatregel behandelde, wordt gevolmachtigd om ter zake de nodige opheldering te brengen, daar deze persoon, die al dan niet bevoegd dient te zijn om in rechte op treden, desgevallend ter zake met meer kennis van zake de nodige inlichtingen kan verschaffen ter oplossing van de gestelde problematiek.
Dat verder in zijn repliek de R.V.A., opnieuw en eigenlijk ten overvloede, erbij blijft dat de vertegenwoordiging in rechte een daad van dagelijks bestuur is, wat hierboven reeds werd behandeld en weerlegd, zodat dit onderdeel van de repliek geen nieuwe en ter zake dienende argumentatie is.
Dat dus niet kan gesteld worden dat een personeelslid, dat door een orgaan van de rechtspersoon gemachtigd werd, ipso facto ook een orgaan is van deze rechtspersoon dat bevoegd is om in rechte op treden.
Dat aldus en wel ingevolge het voornoemd arrest van het Hof van Cassatie moet besloten worden dat de heer Langeraert, die niet de administrateurgeneraal van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening is, niet over de wettelijk vereiste bevoegdheid beschikte om de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening in rechte te vertegenwoordigen en derhalve niet op regelmatige wijze hoger beroep kon instellen tegen het vonnis uitgesproken door de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 16 juni 2000. (Cass., 18 september 2000, J.T.T., 2000, 449, noot).
OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Gehoord mevrouw R. VAN STRYDONCK, eerste advocaat-generaal, in de lezing van haar gelijkluidend schriftelijk advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 10 mei 2001.
Gelet op de repliek van appellant, neergelegd ter griffie van dit hof op 17 mei 2001.
Recht doende op tegenspraak.
Verklaart het hoger beroep niet- toelaatbaar.
Legt de kosten van hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het gerechtelijk wetboek, ten laste van de R.V.A. tot op heden begroot aan de zijde van mevrouw L. op 5.160 BEF (rechtsplegingsvergoeding beroep) en aldus door het hof vereffend en de kosten aan de zijde van de R.V.A. niet begroot zijnde.
Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van achtentwintig juni TWEEDUIZEND EN EEN, waar aanwezig waren:
RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, met zetel gevestigd te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 7, appellant, verschijnend bij mr. M.C. PASSEMIERS, advocaat te 2000 ANTWERPEN, tegen :
S. L., wonende te 2160 WOMMELGEM, Schransweg 50, geïntimeerde, verschijnend bij mr. D. VERGOUWEN loco mr. E. VERVAEKE, advocaat te 2000 ANTWERPEN.
Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgend arrest.
Gelet op de zittingsbladen d.d.2 februari 2000, 25 januari 2001, 8 maart 2001, 26 april 2001 en 10 mei 2001.
Gelet op de stukken van de rechtspleging, onder meer:
het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis d.d. 25 november 1999, op tegenspraak, gewezen door de arbeidsrechtbank te Antwerpen, betekend aan partijen op 30 november 1999;
het verzoekschrift tot hoger beroep, ingediend ter griffie van dit hof op 28 december 1999 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het gerechtelijk wetboek op 28 december 1999;
de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen ter griffie van het hof op 12 december 2000;
de conclusies voor appellant, neergelegd ter griffie van het hof op 7 maart 2001;
de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit hof op 4 april 2001.
Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen op de openbare terechtzitting van 26 april 2001.
Gehoord het schriftelijk advies van het openbaar ministerie op de openbare terechtzitting van 10 mei 2001.
Gelet op de repliek van appellant, neergelegd ter griffie van dit hof op 17 mei 2001.
1. Feiten en Voorgaanden.
De directeur van het Werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Antwerpen besliste op 2 oktober 1998 -op grond van de artikelen 51, 52, 53, 142, 144 en 146 om mevrouw S. L. uit te sluiten van het recht op wachtuitkeringen vanaf 06.07.1998 gedurende een periode van 13 weken.
De Directeur nam deze beslissing op grond van de feiten, die hij als volgt omschrijft:
"Op 06.07.1998 vroeg u wachtuitkeringen aan nadat u op 16.06.1998 werd ontslagen als poetsvrouw voor rekening van Patroba nv te WOMMELGEM.
Volgens gegevens in ons bezit (C4, fax werkgever d.d. 16.09.1998) werd u ontslagen wegens het vroegtijdig verlaten van het bedrijf zonder de leiding te verwittigen (29.05.1998 en 19.06.1998). Uw ontslag is derhalve het redelijk gevolg van uw foutieve houding.
U bent bijgevolg werkloos geworden wegens omstandigheden afhankelijk van uw wil in de zin van het artikel 51 van het bovenvermeld K.B.
De werknemer die aanspraak maakt op wachtuitkeringen en die werkloos wordt ingevolge een ontslag dat het redelijke gevolg is van een foutieve houding van de werknemer wordt uitgesloten van het genot van de uitkeringen gedurende ten minste 13 en ten hoogste 52 weken (artikel 52, §1, eerste lid van bovenvermeld K.B.) Deze uitsluiting heeft uitwerking vanaf 06.07.1998, de datum van uw uitkeringsaanvraag (artikel 53, eerste lid van bovenvermeld K.B.).
Mevrouw S. L. tekende beroep aan tegen de administratieve beslissing bij verzoekschrift ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank op 30 december 1998 en verzocht het beroep ontvankelijk en gegrond te horen verklaren en de beslissing van de R.V.A. d.d. 2 oktober 1998 te vernietigen. De R.V.A. te veroordelen om uit de vernietiging voortspruitende achterstallige werkloosheidsuitkeringen te betalen, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf de datum van het inleidend verzoekschrift en dit tot de dag van de betaling. Tevens de R.V.A. te veroordelen tot de kosten.
2. Het bestreden vonnis.
De eerste rechter verklaarde bij vonnis d.d. 25 november 1999 de oorspronkelijke vordering van S. L.
ontvankelijk en gegrond en vernietigde de administratieve beslissing d.d. 2 oktober 1998.
3. Eisen in hoger beroep.
De R.V.A. tekende beroep aan tegen het vonnis a quo bij verzoekschrift ontvangen ter griffie van het hof op 28 december 1999 en verzoekt het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te horen verklaren, het vonnis a quo te vernietigen en de administratieve beslissing integraal te bevestigen.
Bij conclusies ontvangen ter griffie van dit hof vorderde mevrouw L. het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te horen verklaren, het vonnis a quo integraal te horen bevestigen en de R.V.A. te veroordelen tot de kosten.
Bij conclusies ontvangen ter griffie van dit hof op 4 april 2001 vorderde mevrouw L. het hoger beroep ontoelaatbaar te horen verklaren en in ondergeschikte orde het hoger beroep ongegrond te verklaren en het vonnis a quo integraal te bevestigen. Tevens de R.V.A. te veroordelen tot de kosten.
4. De ontvankelijkheid van het hoger beroep.
Dat het hof ingevolge het arrest van het Hof van Cassatie d.d.20.9.2000 (R.V.A./Vral en Declerq S.00.0004.N) ambtshalve deze probleemstelling in verband met de al dan niet toelaatbaarheid van het hoger beroep opwierp en dat de R.V.A. en mevrouw L. in hun tweede besluiten hierover concludeerden.
Dat samenvattend dan ook dient vastgesteld te worden dat appellant voorhoudt dat het beroep wel toelaatbaar is, terwijl geïntimeerde de niet-toelaatbaarheid van het beroep op grond van de deze exceptie vordert.
Dat aldus aan de vereisten van het tegensprekelijk debat en de rechten van de verdediging voldaan werd.
Dat de probleemstelling de volgende is:
Het verzoekschrift d.d. 24 december 1999 tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 28 december 1999, uitgaande van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, werd ondertekend door de heer "Wouter Langeraert", adjunct-adviseur van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, zou niet toelaatbaar zijn om reden dat deze W. Langeraert, als gedelegeerde van de administrateur van de R.V.A.
mogelijkerwijs niet kan of vermag een akte van rechtsingang te ondertekenen of in rechte optreden, vermits deze problematiek een materie van rechterlijke organisatie en dus van openbare orde is.
Dat voorafgaandelijk dient gesteld te worden dat het duidelijk is dat enkel de materiële procespartij, die partij is geweest in eerste aanleg, hoger beroep kan instellen tegen een vonnis dat haar nadeel toebrengt.
De materiële procespartij is de titularis van het subjectief recht dat aan de beoordeling van de rechter wordt voorgelegd en titularis van de rechtsvordering, zijnde het processuele middel om een aanspraak, die hij jegens een ander heeft of meent te hebben, aan het oordeel van de rechter te onderwerpen (Karen Broeckx, Het recht op hoger beroep en het beginsel der dubbele aanleg in het civiele geding. Maklu 1995, nr. 403; Arbh. Bergen 31 oktober 1991, J.T.T. 1992, 178).
De materiële procespartij kan zich eventueel in rechte laten vertegenwoordigen conform de wettelijke bepalingen.
De grondvoorwaarde voor de procesvertegenwoordiging op basis van artikel 703 Ger.W. is dan ook dat de persoon, die in rechte optreedt de hoedanigheid heeft om de instelling in rechte te vertegenwoordigen ( artikel 17 Ger.W.) Dat aldus wanneer geen vertegenwoordigingsbevoegdheid wordt aangetoond de vereiste hoedanigheid om het rechtsmiddel aan te wenden niet voorhanden is.
(citaat K. Broeckx cfr. Supra) De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening is een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, opgericht door artikel 7 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, die in rechte optreedt door tussenkomst van haar bevoegd orgaan (artikel 703 van het gerechtelijk wetboek).
Krachtens artikel 1 van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg is deze wet van toepassing op de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening en daarin worden de bevoegdheden en de werkwijze van de beheersorganen van deze instellingen, waaronder dus ook de R.V.A. valt, nader omschreven.
Artikel 10 van voornoemde wet voorziet dat de persoon, belast met het dagelijks beheer, volgende bevoegdheden heeft:
- voert de beslissingen van het beheerscomité uit;
- leidt het personeel;
- oefent de bevoegdheden uit inzake het dagelijks beheer;
- vertegenwoordigt de instelling in alle gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen.
Dat hieruit blijkt dat een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de bevoegdheden inzake het dagelijks beheer, die door het beheerscomité in het huishoudelijk reglement bepaald worden en de vertegenwoordiging in rechte.
Dat de delegatie van bevoegdheden m.b.t. het dagelijks beheer wordt voorzien in artikel 10, al. 6, waar evenwel de delegatie m.b.t. de vertegenwoordiging in rechte voorzien is in artikel 10, al. 8 terwijl het duidelijk is dat in artikel 10, de alinea's 7 en 8 samen moeten gelezen worden.
Dat vooreerst artikel 10, al. 7 bepaalt dat de persoon belast met het dagelijks beheer de instelling vertegenwoordigt in de gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen en rechtsgeldig optreedt in haar naam en voor haar rekening, zonder dat deze persoon zulks door een beslissing van het beheerscomité moet staven.
Artikel 10, achtste lid, echter bepaalt verder dat deze persoon, met instemming van het beheerscomité, zijn bevoegdheid om op te treden namens de instelling voor de administratieve rechtscolleges in de geschillen omtrent de rechten, ontstaan uit een regeling van sociale zekerheid, aan één of meer leden van het personeel mag overdragen.
Dat deze alinea derhalve de delegatiebevoegdheid beperkt bij de vertegenwoordiging van de instelling in alle gerechtelijke akten en deze delegatie is dus enkel voorzien ingeval wordt opgetreden voor administratieve rechtscolleges.
Dat uit de conclusies van de R.V.A. blijkt dat hij, verwijzend naar het voornoemd cassatiearrest, niet meer betwist dat deze alinea 8 van het artikel 10 niet van toepassing is vermits in deze alinea enkel wordt verwezen naar de vertegenwoordiging exclusief voor de administratieve rechtscolleges.
Dat echter de R.V.A. thans voorhoudt dat het vertegenwoordigen in rechte behoort tot het dagelijks bestuur en dat aldus de administrateurgeneraal deze bevoegdheid om te vertegenwoordigen in rechte ook kan delegeren, ingevolge de bepalingen van het huishoudelijk reglement.
Aangezien het aantekenen van hoger beroep een akte van rechtsingang is en dus ontegensprekelijk een rechtshandeling is, meer bepaald een maatregel van rechterlijke organisatie en dus van openbare orde is, zodat de ondertekening ervan dient te gebeuren door de daartoe bevoegde persoon (artikel 703 Ger.W.) Dat derhalve, vermits de arbeidsgerechten geen administratieve rechtscolleges zijn, heeft, op grond van voornoemde wetsbepalingen, alleen de persoon belast met het dagelijks beheer van de instelling de bevoegdheid om hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank die uitspraak heeft gedaan in een werkloosheidsgeschil, dat op grond van artikel 580, 2° van het gerechtelijk wetboek tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank behoort.
Dat derhalve, verwijzend naar het reeds hoger omschreven onderscheid naar de bevoegdheid inzake het dagelijks beheer en de vertegenwoordiging in rechte, niet kan aanvaard worden dat de door het huishoudelijk reglement bepaalde delegatiebevoegdheden ook zouden gelden voor de vertegenwoor-diging in rechte vermits deze laatste bevoegdheid niet kan ondergebracht worden onder het begrip "dagelijks bestuur".
Dat zulks immers strijdig is met de wettelijke bepalingen die als vanzelf-sprekend primeren boven het huishoudelijk reglement en er zelfs strijdig mee zijn, omdat het immers slechts op wettelijke basis is dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid kan aangetoond worden om te voldoen aan de hoedanigheid voorgeschreven in artikel 703 Ger.W.
Afgezien van de vraag of de heer Wouter Langeraert de nodige vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft gekregen om hoger beroep in te stellen tegen het bestreden vonnis, staat het vast dat de administrateurgeneraal, belast met het dagelijks beheer van de Rijksdienst, in toepassing van artikel 3 van het K.B. van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, de persoon is die de instelling vertegenwoordigt en enkel hij en hij alleen de in artikel 10 van de wet van 25 april 1963 gestelde gerechtelijke handelingen, zoals in deze het instellen van hoger beroep, kan stellen.
Dat appellant zich verder beroept op de artikelen 11 en 12 van de Wet van 25.4.1963 om de delegatie, toevertrouwd aan de heer W. Langeraert, te verantwoorden.
Dat deze argumentatie steunend op deze artikelen niet van toepassing kan zijn vermits blijkt uit het stuk betreffende de bevoegdheid tot delegatie (neergelegd en aangehecht aan de conclusies van appellant), dat deze gesteund is op artikel 10, 6° lid, waarnaar in de aanhef ervan wordt verwezen en niet naar de specifieke omstandigheid voorzien in artikel 11 waar er spraak is van een delegatie bij verhindering van de persoon belast met het dagelijks beheer.
Dat trouwens de R.V.A. op geen enkel ogenblik bewijst dat in casu deze delegatie diende te gebeuren omdat de administrateurgeneraal verhinderd was en dat bovendien bij diens verhindering de heer Langeraert werd gedelegeerd om op te treden in rechte.
Dat om dezelfde redenen dan ook artikel 12 in casu niet kan van toepassing zijn, dit artikel heeft namelijk betrekking op handelingen, waarbij de persoon belast met het dagelijks bestuur en de voorzitter gezamenlijk optreden in naam en voor rekening van de instelling, terwijl bij verhindering of afwezigheid deze worden vervangen door een lid van het beheerscomité of door twee leden door het beheerscomité aangewezen.
Dat vervolgens en meer subsidiair de R.V.A. argumenteert dat de instelling niet in persoon verschijnt maar wordt vertegenwoordigd door haar advocaat.
Dat ook deze argumentatie ter zake niet relevant is gezien de betwisting niet handelt over de verschijning in rechte maar over de geldigheid van het ondertekenen en neerleggen van de akte van beroep, wat op zich een rechtshandeling is, omdat het een akte van rechtsingang is, waarvoor alleen de bevoegde persoon tot het stellen van deze rechtshandeling kan overgaan, terwijl in dit geval de akte van beroep niet door een advocaat werd ondertekend.
Dat immers de geldigheid van deze akte van beroep dient te worden beoordeeld op het tijdstip van de neerlegging ter griffie en een eventuele rechtzetting mits ondertekening door een advocaat of de administrateurgeneraal op een later tijdstip niet meer mogelijk is.
Dat weliswaar de R.V.A. terecht stelt dat de akte van beroep niet nietig kan verklaard worden omdat de ondertekening niet op straffe van nietigheid wordt voorgeschreven door artikel 1057 Ger. W. en er niet wordt aangetoond dat er belangenschade optreedt voor één van de litiganten.
Dat echter de problematiek niet handelt over de al dan niet nietigheid van de deze procesakte, doch wel over de toelaatbaarheid ervan, waarvoor geen soepeler vormen kunnen gehanteerd worden vermits het hier gaat om een materie van rechterlijke organisatie, waarvan omwille van het openbare-orde-karakter ervan, niet worden afgeweken.
Dat tenslotte in zijn repliek op het advies van het openbaar ministerie de R.V.A. o.m. aanvoert dat artikel 703 Ger.W alleen stelt dat de rechtspersoon alleen in rechte kan optreden door tussenkomst van hun bevoegde organen, doch dat het gerechtelijk wetboek niets zegt over de vraag welke organen de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigen en dat het gerechtelijk wetboek evenmin uitsluit dat bij een bevolen persoonlijke verschijning van de rechtspersoon deze zich mag bij volmacht laten vertegenwoordigen.
Dat echter een persoonlijke verschijning een onderzoeksmaatregel is, waar aan de vereisten van artikel 703 Ger.W. niet dient te worden voldaan.
Dat bovendien ter zake kan opgemerkt worden dat het om redenen van praktische aard nuttiger kan voorkomen dat de persoon, die in feite het dossier en de problematiek die aanleiding zou hebben gegeven tot deze onderzoeksmaatregel behandelde, wordt gevolmachtigd om ter zake de nodige opheldering te brengen, daar deze persoon, die al dan niet bevoegd dient te zijn om in rechte op treden, desgevallend ter zake met meer kennis van zake de nodige inlichtingen kan verschaffen ter oplossing van de gestelde problematiek.
Dat verder in zijn repliek de R.V.A., opnieuw en eigenlijk ten overvloede, erbij blijft dat de vertegenwoordiging in rechte een daad van dagelijks bestuur is, wat hierboven reeds werd behandeld en weerlegd, zodat dit onderdeel van de repliek geen nieuwe en ter zake dienende argumentatie is.
Dat dus niet kan gesteld worden dat een personeelslid, dat door een orgaan van de rechtspersoon gemachtigd werd, ipso facto ook een orgaan is van deze rechtspersoon dat bevoegd is om in rechte op treden.
Dat aldus en wel ingevolge het voornoemd arrest van het Hof van Cassatie moet besloten worden dat de heer Langeraert, die niet de administrateurgeneraal van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening is, niet over de wettelijk vereiste bevoegdheid beschikte om de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening in rechte te vertegenwoordigen en derhalve niet op regelmatige wijze hoger beroep kon instellen tegen het vonnis uitgesproken door de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 16 juni 2000. (Cass., 18 september 2000, J.T.T., 2000, 449, noot).
OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Gehoord mevrouw R. VAN STRYDONCK, eerste advocaat-generaal, in de lezing van haar gelijkluidend schriftelijk advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 10 mei 2001.
Gelet op de repliek van appellant, neergelegd ter griffie van dit hof op 17 mei 2001.
Recht doende op tegenspraak.
Verklaart het hoger beroep niet- toelaatbaar.
Legt de kosten van hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het gerechtelijk wetboek, ten laste van de R.V.A. tot op heden begroot aan de zijde van mevrouw L. op 5.160 BEF (rechtsplegingsvergoeding beroep) en aldus door het hof vereffend en de kosten aan de zijde van de R.V.A. niet begroot zijnde.
Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van achtentwintig juni TWEEDUIZEND EN EEN, waar aanwezig waren: