Arbeidshof: Arrest van 31 Mei 1977 (Antwerpen). RG 1359
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-19770531-3
- Rolnummer :
- 1359
Samenvatting :
Over het hoger beroep van de verzekeraar tegen een vonnis van arbeidsrechtbank Antwerpen, 23 december 1976, beslist het hof: "Overwegende dat de deskundige wegens de noodzakelijkheid van hulp van derde tot het besluit komt dat de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid op 115% bepaald dient te worden; Overwegende dat geintimeerde zich op ondubbelzinnige wijze in zijn conclusie, neergelegd ter zitting van 2 december 1976 van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, akkoord heeft verklaard met de deskundige en aan de rechtbank heeft gevraagd hem akte te verlenen van dit akkoord; Overwegende dat geintimeerde aldus zijn oorspronkelijke vordering, vervat in de dagvaarding en strekkende tot het verkrijgen van de vergoeding op basis van 135% blijvende arbeidsongeschiktheid, had verminderd tot het verkrijgen van de vergoedingen op basis van 115%; dat het, gelet op de bewoordingen van vermelde conclusie van 2 december 1976, niet opgaat te beweren dat het hier niet ging om een echt akkoord maar veeleer om een beslissing zich neer te leggen bij de wijsheid van de eerste rechter; dat deze laatste trouwens eveneens vaststelt dat partijen akkoord waren over een percentage van 115%; Overwegende dat de eerste rechter, niettegenstaande dit akkoord, de overeengekomen 115% heeft opgedreven tot 135%; dat hij in dit verband vooropstelt dat de verplichting om de overeenkomst door de arbeidsrechtbank te laten bekrachtigen inhoudt dat, zelfs indien partijen akkoord gaan, de arbeidsrechtbank behoort te oordelen of het slachtoffer de vergoedingen krijgt waarop het aanspraak heeft en dat, daar de wet van openbare orde is, geen akkoord bekrachtigd kan worden dat klaarblijkelijk aan dit elementair vereiste niet voldoet; Overwegende dat deze redenering en zienswijze van de eerste rechter niet beaamd kunnen worden; Overwegende dat de bepalingen van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, die de aan de getroffene toekomende schadeloosstelling regelen, weliswaar de openbare orde raken (Cass., 9 april 1975, R.W., 1975-76, 95), maar de rechter niet meer kan toestaan dan wat gevraagd wordt, en de toestand van de verzekeraar niet mag verzwaren, onverschillig of de aan het gerecht voorgelegde zaak al dan niet de openbare orde raakt (cf. Cass., 13 oktober 1966, R.W., 1966-67, 1423; Cass., 13 april 1972, Pas., 1972, I, 744; F. Rigaux, "L'objet et la cause de la demande en droit judiciaire privé", R.C.J.B., 1973, 246); Overwegende dat de eerste rechter ter zake dan ook geen 135% voor de berekening der jaarlijkse vergoeding mocht toekennen, nu de partijen akkoord gingen over 115% en geintimeerde zijn oorspronkelijke eis van 135% op 115% had teruggebracht. Overwegende dat echter dient te worden vastgesteld dat geintimeerde in hoger beroep vraagt dat hem 135% wordt toegekend, overeenkomstig het vonnis a quo; Overwegende dat geintimeerde gerechtigd is dit verzoek in hoger beroep te doen dat, zoals hierboven is aangehaald, de bepalingen van de Arbeidsongevallenwet, die de aan de getroffene toekomende schadeloosstelling regelen, de openbare orde raken en geintimeerde niet geacht kan worden, niettegenstaande zijn akkoord over 115% in eerste aanleg, afgezien te hebben van het recht om een hogere vergoeding te vragen in hoger beroep (cf. Cass., 9 april 1975)."
Arrest :
De geconsolideerde versie van deze tekst is niet beschikbaar.