Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders: Arrest van 2 September 2005 (België). RG M40330/3483
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-20050902-8
- Rolnummer :
- M40330/3483
Samenvatting :
*
Arrest :
I. Feiten
1. Op 6 januari 2002 werd Lamia X., het minderjarig dochtertje (° ../../2000) van verzoekster, te ¿ het slachtoffer van een poging tot doodslag, gepleegd door Mohamed X..
2. Op 21 januari 2003 werd verzoekster zelf te ¿ het slachtoffer van stalking door diezelfde dader.
II. Vervolging
Bij arrest van het Hof van Beroep te ¿n d.d. 13 juni 2003 werd Mohamed X. wegens de twee voormelde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar, waarvan één jaar effectief.
Op burgerlijk gebied werd aan verzoekster wegens de sub I vermelde feiten ex aequo et bono een morele schadevergoeding van euro 2.250 meer intresten toegekend.
Blijkens een attest van de griffie bekwam voormeld arrest kracht van gewijsde.
III. Schadeloosstelling
Verzoekster beschikt over een verzekering rechtsbijstand, doch de waarborg ¿onvermogen van derden¿ vergoedt enkel de materiële of lichamelijke schade, niet de morele schade (zie schrijven CIVIS d.d. 23 januari 2004).
De kansen op verhaal tegen de dader zijn nagenoeg onbestaande. Volgens verzoekster verblijft de dader illegaal in België en heeft hij geen vaste woon- of verblijfplaats. Hij zit opgesloten in het Centrum voor illegalen te Merksplas.
IV. Begroting van de schade door de verzoekster
Verzoekster vraagt aan de Commissie om de toekenning van een hulp van euro 2.250 ter dekking van de morele schade.
V. Beoordeling door de Commissie
Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd. Aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden werd voldaan.
De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.
1) feiten d.d. 6 januari 2002 : poging tot doodslag, gepleegd op het minderjarig dochtertje van verzoekster
Luidens artikel 31, 3°, van voormelde wet kan de Commissie een financiële hulp toekennen aan ¿ouders of personen die voorzien in het onderhoud van een minderjarig slachtoffer dat als gevolg van een opzettelijke gewelddaad een langdurige medische of therapeutische behandeling behoeft.¿
Hoewel de raadsman van verzoekster tot tweemaal toe werd uitgenodigd om aan het secretariaat van de Commissie stukken te bezorgen waaruit blijkt dat het minderjarig dochtertje van verzoekster een langdurige medische of therapeutische behandeling behoeft, kwam hierop geen enkele reactie.
Bij gebrek aan stavingsstukken terzake ziet de Commissie zich dan ook genoodzaakt om dit onderdeel van de vordering als ongegrond af te wijzen.
2) feiten d.d. 21 januari 2003 : stalking van verzoekster zelf
Luidens artikel 31, 1°, van de wet van 1 augustus 1985 kan de Commissie een financiële hulp toekennen aan ¿personen die ernstige lichamelijke of psychische schade ondervinden als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad.¿
Volgens de vaste rechtspraak van de Commissie veronderstelt een ¿ernstige lichamelijke of psychische schade¿ als bedoeld in voormeld artikel, een blijvende arbeidsongeschiktheid of invaliditeit, een psychisch trauma, of minstens een langdurige tijdelijke arbeidsongeschiktheid of hoogoplopende medische kosten.
Ook wat dit punt betreft heeft de raadsman van verzoekster nagelaten de nodige stavingsstukken over te maken, zodat ook dit onderdeel van de vordering ongegrond moet worden verklaard.
*
* *
OP DIE GRONDEN,
De Commissie,
Gelet op de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken, de artikelen 31 tot 37bis van de wet van 1 augustus 1985, zoals gewijzigd door de wetten van 26 maart 2003, 22 april 2003 en 27 december 2004, en de artikelen 28 tot 34 van het K.B. van 18 december 1986,
Verklaart het verzoek ontvankelijk doch ongegrond.
Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 2 september 2005.