Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders: Beslissing van 15 Februari 2000 (België). RG 384/224

Datum :
15-02-2000
Taal :
Nederlands
Grootte :
1 pagina
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-20000215-1
Rolnummer :
384/224

Samenvatting :

Samenvatting 1

Beslissing :

Selecteer tekst om te onderstrepen of annotaties te maken bij het document
De Commissie nam kennis van de stukken, onder meer van:
- de beslissing van de Eerste Kamer van de Commissie van 6 juli 1995, waarbij het verzoek onontvankelijk werd verklaard;
- het arrest van de Raad van State van 29 maart 1999 dat de beslissing van de Commissie vernietigde en de zaak verwees naar een uit andere leden samengestelde kamer van de Commissie;
- het bevel van de Voorzitter van de Commissie van 26 april 1999, waarbij de zaak werd overgeheveld naar de Derde Kamer;
Uit de stukken blijkt dat de echtgenoot van verzoekster, de heer D. Luc, op 24 december 1990 in het door hem uitgebate agentschap SPAARKREDIET te ... werd neergeschoten tijdens een bankoverval. Hij overleed op 20 februari 1991, na 58 dagen in coma te hebben gelegen.
Verzoekster legde op 12 september 1994 klacht neer met burgerlijke partijstelling voor de onderzoeksrechter.
Het gerechtelijk onderzoek leidde evenwel niet tot een spoor naar de daders.
Bij beschikking van de Raadkamer van de Rechtbank van eerste aanleg te ... dd. 8 november 1994 werd de burgerlijke partijstelling onontvankelijk verklaard, omdat de hervatting van het gerechtelijk onderzoek enkel kan geschieden op vordering van de Procureur des Konings, die als enige bevoegde mag oordelen over het al dan niet bestaan van nieuwe bezwaren.
Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig ingediend. Aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden werd voldaan. Aangezien de dader(s) tot op heden onbekend is (zijn) gebleven, zijn de kansen op verhaal jegens hem (hen) uiteraard onbestaande.
Verzoekster heeft door het gewelddadig overlijden van haar echtgenoot op zeer jeugdige leeftijd ongetwijfeld zwaar geleden, zeker omdat tussen de datum van de feiten en de datum van het overlijden er een periode van bijna twee maanden coma is geweest; de morele schade is ongetwijfeld zeer ernstig.
Bovendien verliest verzoekster levensonderhoud; in de voorgelegde stukken wordt dit verlies - volgens de gebruikelijke berekeningsmethodes - geraamd op meer dan 12 miljoen frank. De Commissie erkent dat de schade van verzoekster door verlies aan levensonderhoud zeer hoog is.
De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 32 en 33 van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.
Gelet op de zeer hoge schade door verzoekster geleden, is de Commissie van oordeel de maximale door de wet toegestane hulp te moeten toekennen.
OP DIE GRONDEN,
De Commissie,
Gelet op de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken, de artikelen 31 tot 37 van de wet van 1 augustus 1985, zoals gewijzigd door de wetten van 17 en 18 februari 1997, en de artikelen 28 tot 34 van het K.B. van 18 december 1986,
Verklaart het verzoek ontvankelijk,
Kent de verzoekster een hulp toe van 2.500.000 frank.