Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders: Beslissing van 15 Juni 1999 (België). RG 1158/492

Datum :
15-06-1999
Taal :
Nederlands
Grootte :
1 pagina
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19990615-4
Rolnummer :
1158/492

Samenvatting :

Samenvatting 1

Beslissing :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
(...)
Uit de stukken blijkt dat de verzoeker op 9 december 1994 omstreeks 23 uur in de toiletten van de herberg "'t S..." te ... zonder enige geldige aanleiding werd aangevallen door de genaamde ...Z... . Verzoeker kreeg ernstige klappen en schoppen toegediend en raakte hierdoor ernstig gewond.
Bij vonnis van de Correctionele Rechtbank te ... dd. 9 oktober 1995 werd ...Z.... veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden en een geldboete van 30.000 frank wegens het toebrengen van opzettelijke slagen en verwondingen aan verzoeker, met arbeidsongeschiktheid tot gevolg.
Verzoeker zelf werd veroordeeld tot betaling van een geldboete van 30.000 frank, omwille van het toebrengen van slagen en verwondingen aan Giovanni ...Z... , de neef van ...Z... .
Op burgerlijk gebied werd ...Z... veroordeeld tot betaling aan verzoeker van de provisionele som van 75.000 frank. Tevens werd een geneesheer-deskundige aangesteld.
De Procureur des Konings te ... ging op 29 oktober 1995 in beroep tegen het voormeld vonnis, doch de publieke vordering was vervallen wegens de verjaring van het feit (zie arrest van het Hof van Beroep te ... dd. 20 februari 1996).
Uit artikel 31 § 1, 1° van de wet van 1 augustus 1985 blijkt evenwel duidelijk dat de wetgever het subsidiariteitsbeginsel heeft gehuldigd. Vooraleer het slachtoffer zich tot de Commissie kan richten, dienen alle andere middelen om vergoeding te bekomen uitgeput te worden. Er wordt uitdrukkelijk verwezen naar de rechten die een verzoeker kan laten gelden tegenover een verzekeraar.
De verzoeker betwist niet dat hij ter zake verzekerd is; in zijn memorie van wederantwoord, ontvangen op het secretariaat van de Commissie op 31 maart 1998, schrijft verzoeker: "... doch deze polis voorziet dat er slechts tussenkomst kan verleend worden voor schade die door geen enkele andere instelling ten laste wordt genomen".
De Belgische Staat treft geen fout in wat de verzoeker is overkomen. De Staat is niet aansprakelijk en is ook geen schuldenaar.
Vooraleer zich tot de Commissie te richten behoort het de verzoeker zijn rechten te laten gelden tegenover zijn verzekeraar en desgevallend een gerechtelijke uitspraak uit te lokken. De behandeling van deze zaak voor de Commissie dient inmiddels verdaagd te worden.
OP DIE GRONDEN,
De Commissie,
Gelet op de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken, de artikelen 31 tot 37 van de wet van 1 augustus 1985, zoals gewijzigd door de wetten van 17 en 18 februari 1997, en de artikelen 28 tot 34 van het K.B. van 18 december 1986, Verklaart het verzoek ontvankelijk.
Verdaagt de zaak teneinde verzoeker toe te laten zijn verzekeringsmaatschappij in tussenkomst aan te spreken.