Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders: Beslissing van 22 Juni 1995 (België). RG 721302

Datum :
22-06-1995
Taal :
Nederlands
Grootte :
1 pagina
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19950622-1
Rolnummer :
721302

Samenvatting :

(Uit het strafdossier blijkt dat aan verzoekster op 16 juli 1989 aan de ouderlijke woning te Oostende een messteek werd toegebracht ter hoogte van de linker nekstreek waarna zij diende gehospitaliseerd. Mevrouw G. legde op ... 1993 in handen van de onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Brugge klacht met burgerlijke partijstelling neer. Aangezien de feiten niet konden ten laste gelegd worden van een of meer bepaalde personen, wees de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge op ... 1993 een beschikking van buitenvervolgingstelling (lees : " geen reden tot vervolging "). Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd. Aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden werd voldaan. De kansen op verhaal tegenover een niet-geïdentificeerde dader zijn uiteraard onbestaande. De gedeeltelijke lichaamsverlamming die verzoekster had opgelopen was eind 1992 grotendeels opgeklaard, maar nog niet de ongevoeligheid voor temperatuur en een brandend gevoel ter hoogte van het linker been. Andere klachten betroffen ondermeer spasmen, articulatie- en retentieproblemen en voosheid in de nekstreek. Psychiatrische begeleiding in de nabije toekomst werd noodzakelijk geacht. Volgens Dr. F., neuroloog te Oostende, dient haar invaliditeit geraamd te worden op 60 %. De medische kosten werden gedeeltelijk terugbetaald door het ziekenfonds en een hospitalisatieverzekering. De persoonlijke opleg van verzoekster, ten bedrage van 66 465 frank, wordt gestaafd aan de hand van facturen. Verzoekster was op het ogenblik van de feiten studente en geslaagd voor de 1ste kandidatuur psychologie aan de RUG in juni 1989. In september 1990 slaagde zij, na twee zittijden, voor de 2de kandidatuur. In juni 1991 slaagde zij tijdens de eerste zittijd voor de 1ste licentie psychologie. Zij stelt dat haar toestand verslechterde in het academiejaar 1991-92 waardoor zij niet aan de eerste examenzitting kon deelnemen en na de tweede zittijd voor de 2de licentie slaagde in september 1992. In oktober 1992 werd ten gevolge van het hoger omschreven branderig en pijngevoel aan het linker been een neurostimulator (epidurale electrode) ingeplant. Het effect daarvan bleek eerder negatief zodat de electrode werd verwijderd. Verzoekster verklaart dat zij de 3de licentie onmogelijk in één academiejaar kon afwerken omdat haar gezondheidstoestand niet toeliet aan een thesis te werken en een stage uit te voeren. Derhalve slaagde zij in september 1993 enkel voor de theoretische vakken. In het academiejaar 1993-94 was het de bedoeling dat zij de stage, normaal twee maanden full-time, in vier maanden half-time zou uitvoeren. Alhoewel zij op 27 januari 1994 haar stage diende te onderbreken, werkte zij deze toch af en behaalde in september 1994 haar diploma met grote onderscheiding. Dat zij zes in plaats van vijf nodig had om haar diploma te behalen wijt zij aan de feiten. De materiële schade van dat extra studiejaar berekent zij op 221 000 frank (84 000 fr. huur woning + 17 000 fr. inschrijvingsgeld + 120 000 fr. studiekosten). Uit de stukken blijkt dat zij, niettegenstaande haar beperkt arbeidsvermogen, regelmatig solliciteert met het oog op het bekomen van een betrekking. Wat de morele schade betreft wijst zij ondermeer op : afhankelijkheid van derden, meerinspanning, belemmeringen in de zelfontplooiing, het niet langer kunnen uitoefenen van bepaalde vroeger uitgeoefende hobby's. Zij vraagt hiervoor ex aequo et bono een hulp van 200 000 frank. Samengevat vraagt mevrouw G. een hulp voor : - medische en ziekenhuiskosten 66 465,- fr. - materiële schade verlies academiejaar 221 000,- fr. - morele schade tijdens studieperiode 200 000,- fr. - blijvende schade na studieperiode 1 750 000,- fr. TOTAAL : 2 237 465 fr. Luidens artikel 32, alinéa 1 van de wet van 1 augustus 1985 bestaat het nadeel waarvoor een hulp van de Staat kan worden gevraagd uitsluitend in een verlies of vermindering van inkomsten, een tijdelijke of permanente invaliditeit en de medische- en ziekenhuiskosten. De wet heeft niets bepaald voor de morele schade maar de Commissie aanvaardt dat die schade in aanmerking mag genomen worden tijdens de ziekteperiode. De Commissie aanvaardt eveneens dat verzoekster ingevolge de feiten een studiejaar heeft verloren. Het lijdt evenmin twijfel dat de uit de feiten voortgesproten invaliditeit de kansen van de nog jonge verzoekster op de arbeidsmarkt zwaar en blijvend zullen hypothekeren. De Commissie, rekening houdend met de principes van artikel 33, alinéa 1 en alinéa 2 van de wet, met de neergelegde stukken, de leeftijd van het slachtoffer en met alle omstandigheden, is van oordeel dat de thans reeds opgelopen schade het maximaal toekenbaar bedrag van de hulp overschrijdt. OP DIE GRONDEN, De Commissie, Gelet op de artikelen 17, alinéa 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken, de artikelen 31 tot 37 van de wet van 1 augustus 1985 en de artikelen 28 tot 34 van het K.B. van 18 december 1986, Verklaart het verzoek ontvankelijk. Kent de verzoekster een hulp toe van 2 miljoen frank.)

Beslissing :

De geconsolideerde versie van deze tekst is niet beschikbaar.