Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders: Beslissing van 26 Oktober 2005 (België). RG M40858;3705

Datum :
26-10-2005
Taal :
Nederlands
Grootte :
1 pagina
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-20051026-8
Rolnummer :
M40858;3705

Samenvatting :

Samenvatting 1

Beslissing :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
(...)
I. Feiten
Verzoeker werd op 9 november 2001, 31 december 2001, 15 maart 2002, 9 april 2002 en 10 augustus 2002 (samen met zijn echtgenote Aline J.) en op 27 maart 2002 en 24 juni 2002 (alleen) achtervolgd door mevrouw Anja S., de echtgenote van de heer Dominique X. (zoon van verzoeker), met wie zij in een echtscheidingsprocedure verwikkeld was.
Tegen verzoeker werd door S. tevens fysiek geweld gebruikt op 9 november 2001 (steekwonde met schroevedraaier in rechterhand), 27 maart 2002 (stampen, slag op rechterkaak) en 30 oktober 2002.
II. Vervolging
Bij vonnis van de Correctionele rechtbank te ... d.d. 21 januari 2004 werd mevrouw Anja S. wegens onder meer de sub I vermelde feiten, veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden (met probatie-uitstel gedurende een termijn van drie jaar) en een geldboete van EURO 250.
Op burgerlijk gebied werd ze veroordeeld tot betaling van een morele schadevergoeding van EURO 500 meer intresten aan verzoeker (er werd een provisioneel bedrag van EURO 2.500 gevorderd).
Blijkens een attest van de griffie bekwam voormeld vonnis kracht van gewijsde.
III. Medische gevolgen
Het dossier bevat geen medische attesten noch bewijzen van gemaakte medische kosten.
IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling
In een schrijven d.d. 6 april 2005 bevestigt verzoeker dat hij van geen enkele private verzekering enige uitbetaling bekwam in dekking van de door hem geleden schade.
Het sub II vermeld vonnis werd op 12 oktober 2004 betekend aan mevrouw S., met bevel tot betaling.
Uit een schrijven van gerechtsdeurwaarder J. W. d.d. 15 oktober 2004 blijkt evenwel dat S. werkloos is en onderhoudsgelden en huur dient te betalen, zodat er niet veel ruimte meer is om haar schulden aan te zuiveren.
Het voorstel van afbetalingsplan van het OCMW te ... luidt als volgt: EURO 25 in oktober en november 2004 ; EURO 100 per maand vanaf december 2004 (er zou dan een andere schuld afbetaald zijn).
V. Begroting van de schade door de verzoeker
Verzoeker begroot de schade als volgt:
- morele schade (conform vonnis d.d. 21.01.04): EURO 500,00
- intresten: EURO 99.63
Totaal: EURO 599,63
VI. Beoordeling door de Commissie
Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd. Aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden werd voldaan.
De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.
Luidens artikel 31, 1°, van de wet van 1 augustus 1985 kan de Commissie een financiële hulp toekennen aan "personen die ernstige lichamelijke of psychische schade ondervinden als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad."
Volgens de vaste rechtspraak van de Commissie veronderstelt een "ernstige schade" in de zin van de wet van 1 augustus 1985 een blijvende invaliditeit, minstens hoog oplopende medische kosten en langdurige arbeidsongeschiktheid.
In de voorliggende zaak liggen geen attesten voor waaruit blijvende letsels of minstens een langdurige arbeidsongeschiktheid of aanzienlijke medische kosten blijken.
In die omstandigheden meent de Commissie dat het verzoek als ongegrond dient te worden afgewezen.
x
x x
OP DIE GRONDEN,
De Commissie,
Gelet op de artikelen 17 ,§ 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken, de artikelen 31 tot 37bis van de wet van 1 augustus 1985, zoals gewijzigd door de wetten van 26 maart 2003, 22 april 2003 en 27 december 2004, en de artikelen 28 tot 34 van het K.B. van 18 december 1986,
Verklaart het verzoek ontvankelijk doch ongegrond.
Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 26 oktober 2005.