Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders: Beslissing van 27 Juli 1999 (België). RG 97049/524

Datum :
27-07-1999
Taal :
Nederlands
Grootte :
1 pagina
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19990727-12
Rolnummer :
97049/524

Samenvatting :

Samenvatting 1

Beslissing :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
(...)
Uit de stukken blijkt dat verzoeker, na een opzettelijk verkeersincident waarbij hij als fietser was betrokken met een vrachtwagen met Nederlandse nummerplaat, zijn wagen heeft genomen om de bewuste vrachtwagen te lokaliseren. Toen hij de bestuurder aansprak kreeg hij van deze laatste alsook van de bijrijder klappen te verwerken.
Bij verstekvonnis dd. 29 april 1996 van de correctionele rechtbank van ... werd de heer ...Z... strafrechtelijk veroordeeld. Aan verzoeker werd als burgerlijke partij tevens een schadevergoeding toegekend van 198.904 frank.
Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd. Aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden werd voldaan. De kansen op verhaal tegenover de daders zijn nagenoeg onbestaande.
In zijn verzoekschrift vermeldt verzoeker bij de begroting van zijn schade ook een post voertuigschade. Materiële schade kan inderdaad luidens de limitatieve opsomming van artikel 32 §1 voor toekenning van hulp in beperkte mate in aanmerking genomen worden. Uit het strafdossier, waarvan de Commissie kennis heeft genomen, blijkt niet onomstootbaar dat deze voertuigschade het rechtstreekse gevolg is van het tegen de persoon van verzoeker uitgeoefend geweld.
De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 32 en 33 van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.
OP DIE GRONDEN,
De Commissie,
Gelet op de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken, de artikelen 31 tot 37 van de wet van 1 augustus 1985, zoals gewijzigd door de wetten van 17 en 18 februari 1997, en de artikelen 28 tot 34 van het K.B. van 18 december 1986,
Verklaart het verzoek ontvankelijk.