Grondwettelijk Hof (Arbitragehof): Arrest van 1 Oktober 2015 (België). RG 137/2015

Datum :
01-10-2015
Taal :
Duits Frans Nederlands
Grootte :
9 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-20151001-8
Rolnummer :
137/2015

Samenvatting :

Het Hof verwerpt het beroep.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, en de rechters E. De Groot, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 oktober 2014 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 29 oktober 2014, is beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 27 maart 2014 houdende invoeging van de bepalingen die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet, in boek XVII « Bijzondere rechtsprocedures » van het Wetboek van economisch recht en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek teneinde de hoven en rechtbanken te Brussel een exclusieve bevoegdheid toe te kennen om kennis te nemen van de rechtsvordering tot collectief herstel, bedoeld in boek XVII, titel 2 van het Wetboek van economisch recht (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 april 2014) door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » en de vzw « Verbraucherschutzzentrale », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Gosselin, advocaat bij de balie te Brussel.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden wet

B.1.1. Het beroep tot vernietiging is gericht tegen de wet van 27 maart 2014 « houdende invoeging van de bepalingen die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet, in boek XVII ' Bijzondere rechtsprocedures ' van het Wetboek van economisch recht en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek teneinde de hoven en rechtbanken te Brussel een exclusieve bevoegdheid toe te kennen om kennis te nemen van de rechtsvordering tot collectief herstel, bedoeld in boek XVII, titel 2 van het Wetboek van economisch recht » (hierna : de wet van 27 maart 2014).

B.1.2. Bij de wet van 27 maart 2014 wordt aan de hoven en rechtbanken te Brussel een exclusieve bevoegdheid toegekend om kennis te nemen van de in boek XVII van het Wetboek van economisch recht (hierna : WER) geregelde rechtsvordering tot collectief herstel; zij bepaalt :

« HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling

Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

HOOFDSTUK 2. - Het Wetboek van economisch recht

Art. 2. In boek XVII van het Wetboek van economisch recht, titel 2, hoofdstuk 1, afdeling 1, wordt een artikel XVII.35 ingevoegd, luidende :

' Art. XVII.35. De hoven en rechtbanken te Brussel zijn bevoegd om kennis te nemen van de rechtsvorderingen tot collectief herstel '.

HOOFDSTUK 3. - Het Gerechtelijk wetboek

Art. 3. Artikel 633ter van het Gerechtelijk Wetboek, opgeheven bij de wet van 31 juli 2013 wordt hersteld als volgt :

' Art. 633ter. De rechtbank van eerste aanleg, desgevallend de rechtbank van koophandel, te Brussel en, in graad van beroep, het hof van beroep te Brussel, zijn als enige bevoegd voor de rechtsvorderingen tot collectief herstel bedoeld in Titel 2, van Boek XVII van het Wetboek van economisch recht '.

HOOFDSTUK 4. - Bevoegdheidstoewijzing

Art. 4. De Koning kan de bepaling van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet, coördineren met de bepalingen die daarin uitdrukkelijk of stilzwijgend wijzigingen hebben aangebracht tot het tijdstip van de coördinatie.

Daartoe kan Hij :

1° de volgorde en de nummering van de te coördineren bepalingen veranderen en in het algemeen de teksten naar de vorm wijzigen;

2° de verwijzingen die voorkomen in de te coördineren bepalingen met de nieuwe nummering doen overeenstemmen;

3° zonder afbreuk te doen aan de beginselen die in de te coördineren bepalingen vervat zijn, de redactie ervan wijzigen om ze onderling te doen overeenstemmen en eenheid in de terminologie te brengen.

HOOFDSTUK 5. - Inwerkingtreding

Art. 5. De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van elke bepaling van deze wet en van de bepaling ingevoegd door deze wet in het Wetboek van economisch recht ».

B.2.1. De wet van 28 maart 2014 « tot invoeging van titel 2 ' Rechtsvordering tot collectief herstel ' in boek XVII ' Bijzondere rechtsprocedures ' van het Wetboek van economisch recht en houdende invoeging van de definities eigen aan boek XVII in boek I van het Wetboek van economisch recht » (hierna : de wet van 28 maart 2014), heeft een rechtsvordering tot collectief herstel in het leven geroepen waarvan de nadere regels in boek XVII van het Wetboek van economisch recht zijn voorzien; die rechtsvordering, « die volkomen nieuw is in het Belgische juridische arsenaal, zou substantieel moeten bijdragen tot een betere naleving en verdediging van de consumentenrechten » (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3300/001 en 3301/001, p. 5).

De rechtsvordering tot collectief herstel « [heeft] tot doel [...] een collectieve schade te herstellen » (artikel I.21, 3°, van het WER, ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 28 maart 2014), waarbij collectieve schade wordt gedefinieerd als « het geheel van alle individuele schade die een gemeenschappelijke oorzaak heeft en die de leden van een groep hebben geleden » (artikel I.21, 1°, van het WER, ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 28 maart 2014).

In artikel XVII.38 van het WER, ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 28 maart 2014, wordt de samenstelling van de groep als volgt omschreven :

« § 1. De groep wordt gevormd door het geheel van de consumenten die, ten persoonlijke titel, schade hebben geleden als gevolg van een gemeenschappelijke oorzaak, zoals die is beschreven in de ontvankelijkheidsbeslissing bedoeld in artikel XVII.43 en die :

1° voor zij die gewoonlijk in België verblijven,

a) in geval van toepassing van het optiesysteem met exclusie, binnen de termijn bepaald in de ontvankelijkheidsbeslissing, niet uitdrukkelijk de wil hebben geuit geen deel uit te maken van de groep;

b) in geval van toepassing van het optiesysteem met inclusie, binnen de termijn bepaald in de ontvankelijkheidsbeslissing, uitdrukkelijk de wil hebben geuit deel uit te maken van de groep;

2° voor zij die niet gewoonlijk in België verblijven, binnen de termijn bepaald in de ontvankelijkheidsbeslissing, uitdrukkelijk de wil hebben geuit om deel uit te maken van de groep.

De consument deelt zijn keuze mee aan de griffie. De Koning kan bepalen op welke wijze de consument zijn keuze aan de griffie kan meedelen.

Het uitoefenen van het keuzerecht is onherroepelijk behoudens de toepassing van de artikelen XVII.49, § 4, en XVII.54, § 5.

§ 2. Met het oog op het collectief herstel kan de groep worden onderverdeeld in subcategorieën ».

B.2.2. De rechtsvordering tot collectief herstel heeft betrekking op een « mogelijke inbreuk door de onderneming op een van haar contractuele verplichtingen, op een van de Europese verordeningen of de wetten bedoeld in artikel XVII.37 of op een van hun uitvoeringsbesluiten » (artikel XVII.36, 1°, van het WER, ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 28 maart 2014), en het beroep op een rechtsvordering tot collectief herstel moet « meer doelmatig [lijken] dan een rechtsvordering van gemeen recht » (artikel XVII.36, 3°, van het WER, ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 28 maart 2014).

De rechtsvordering tot collectief herstel wordt « ingesteld door een verzoeker die voldoet aan de vereisten bedoeld in artikel XVII.39 en door de rechter geschikt wordt bevonden » (artikel XVII.36, 2°, van het WER, ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 28 maart 2014).

B.2.3. Artikel XVII.39 van het WER, ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 28 maart 2014, bepaalt :

« De groep kan slechts worden vertegenwoordigd door een enkele groepsvertegenwoordiger.

Kunnen optreden als groepsvertegenwoordiger :

1° een vereniging ter verdediging van de consumentenbelangen die rechtspersoonlijkheid bezit en voor zover zij in de Raad voor het Verbruik vertegenwoordigd is of door de minister, volgens criteria vast te stellen bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, erkend is;

2° een vereniging met rechtspersoonlijkheid die door de minister erkend is, waarvan het maatschappelijk doel in rechtstreeks verband staat met de collectieve schade die door de groep is geleden en die niet op een duurzame wijze een economisch doel nastreeft. Deze vereniging bezit, op de dag waarop zij de rechtsvordering tot collectief herstel instelt, sedert ten minste drie jaar rechtspersoonlijkheid. Door de voorlegging van haar activiteitenverslagen of van enig ander stuk, bewijst zij dat er een werkelijke bedrijvigheid is die overeenstemt met haar maatschappelijk doel en dat die bedrijvigheid betrekking heeft op het collectief belang dat zij beoogt te beschermen.

3° de autonome openbare dienst als bedoeld in artikel XVI.5 van dit Wetboek, enkel met het oog op het vertegenwoordigen van de groep in de fase van de onderhandeling van een akkoord tot collectief herstel overeenkomstig de artikelen XVII.45 tot XVII.51 ».

De groep wordt gedefinieerd als « het geheel van consumenten die individueel benadeeld zijn door een collectieve schade en worden vertegenwoordigd in de rechtsvordering tot collectief herstel » (artikel I.21, 2°, van het WER, ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 28 maart 2014).

B.2.4. De voormelde wet van 28 maart 2014 « behoudt de rechtsvordering tot herstel van een collectieve schade voor aan bepaalde eisers aan wie ze een bijzondere bevoegdheid toekent om op te treden en de groep van consumenten te vertegenwoordigen zonder dat zij een persoonlijk en direct belang moeten aantonen » (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3300/001 en 3301/001, p. 7); die eisers worden « door de wetgever geselecteerd [...] op basis van het bijzondere maatschappelijke belang of doel dat ze verdedigen en vertegenwoordigen » (ibid., p. 12) : « Het resultaat van deze rechtsvordering zal vervolgens ten goede komen aan een groep consumenten die nog niet geïdentificeerd zijn op het moment dat de rechtsvordering wordt ingesteld » (ibid., p. 7).

B.3. Overeenkomstig artikel 5 van de wet van 27 maart 2014 en artikel 6 van de wet van 28 maart 2014 heeft artikel 4 van het koninklijk besluit van 4 april 2014 « betreffende de inwerkingtreding van bepaalde boeken van het Wetboek van economisch recht » de inwerkingtreding van de bepalingen met betrekking tot de rechtsvordering tot collectief herstel en van de bestreden bepalingen waarbij aan de hoven en rechtbanken te Brussel een exclusieve bevoegdheid wordt toegekend om kennis te nemen van de in het Wetboek van economisch recht in het leven geroepen rechtsvordering tot collectief herstel, vastgesteld op 1 september 2014.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

B.4.1. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van het verzoekschrift, in zoverre het op onleesbare wijze is ondertekend door een andere persoon dan de raadsman van de verzoekende partijen, zonder dat de identiteit of de hoedanigheid van die ondertekenaar kunnen worden bepaald.

B.4.2. Uit de elementen die het Hof vermag in aanmerking te nemen, blijkt dat de persoon die het verzoekschrift tot vernietiging heeft ondertekend, advocaat is en medewerker van het advocatenkantoor waarvan de raadsman van de verzoekende partijen deel uitmaakt. Die handtekening is niet van dien aard dat zij het mogelijk maakt te oordelen dat het verzoekschrift niet aan de bij artikel 5 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vastgestelde vereisten zou beantwoorden.

B.4.3. De exceptie wordt verworpen.

B.5.1. De Ministerraad betwist eveneens het belang van de verzoekende partijen om in rechte te treden.

B.5.2. Zoals in B.2 is uiteengezet, kan de rechtsvordering tot collectief herstel worden ingesteld door een « groepsvertegenwoordiger », die met name een vereniging ter verdediging van de consumentenbelangen kan zijn die in de Raad voor het Verbruik is vertegenwoordigd (artikel XVII.39, tweede lid, 1°, van het WER), waarbij de groep wordt opgevat als het geheel van consumenten die individueel worden benadeeld door een gemeenschappelijke oorzaak.

Als vereniging ter verdediging van de consumentenbelangen die in de Raad voor het Verbruik is vertegenwoordigd, doet de tweede verzoekende partij blijken van het belang om in rechte te treden tegen bepalingen die aan de Brusselse rechtscolleges de exclusieve bevoegdheid toevertrouwen om uitspraak te doen over de rechtsvordering tot collectief herstel.

B.5.3. Aangezien het beroep ontvankelijk is wat de tweede verzoekende partij betreft, dient het belang van de eerste verzoekende partij niet te worden onderzocht.

B.5.4. De exceptie wordt verworpen.

Ten gronde

B.6.1. Beide middelen zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 30 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de beginselen van de rechten van de verdediging en van « de goede werking van het gerecht », zoals vastgesteld in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, en met het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met name artikel 6 ervan.

In het eerste middel zijn de verzoekende partijen van mening dat, aangezien de wet van 15 juni 1935 het uitsluitend gebruik van het Frans of het Nederlands voor de Brusselse rechtscolleges oplegt, de exclusieve bevoegdheidstoewijzing voor de rechtsvordering tot collectief herstel aan de Brusselse rechtscolleges tot gevolg heeft dat de Duitstalige consumenten worden gediscrimineerd ten opzichte van de Franstalige en Nederlandstalige rechtzoekenden, die de zekerheid hebben die rechtsvordering in hun taal in te stellen.

In het tweede middel zijn de verzoekende partijen van mening dat de bestreden wet, door de exclusieve bevoegdheid van de Brusselse rechtscolleges op te leggen, tot gevolg heeft dat aan de Duitstalige rechtzoekenden, in tegenstelling tot de Nederlandstalige en Franstalige rechtzoekenden, de mogelijkheid wordt ontzegd om de taalwijziging in onderlinge overeenstemming en de verwijzing naar een rechtscollege waarvoor de rechtspleging in het Duits verloopt, te verkrijgen.

B.6.2. Het Hof onderzoekt de middelen samen.

B.7.1. De Ministerraad voert de niet-ontvankelijkheid van de middelen aan wegens ontstentenis van een voldoende duidelijke uiteenzetting van de wijze waarop de bestreden wet de in de middelen bedoelde bepalingen zou schenden, minstens in zoverre artikel 30 van de Grondwet en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens daarin worden beoogd.

Zowel uit het verzoekschrift als uit de memories van de Ministerraad blijkt dat het verzoekschrift een uiteenzetting van de middelen bevat waardoor is voldaan aan de voorwaarde van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989.

De exceptie wordt verworpen.

B.7.2. De middelen zijn daarentegen onontvankelijk in zoverre daarin een veralgemeende schending van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, wordt aangevoerd.

B.8.1. De bestreden wet strekt niet ertoe het taalgebruik in gerechtszaken te regelen, dat bij de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken (hierna : de wet van 15 juni 1935) wordt geregeld.

B.8.2. Door aan de hoven en rechtbanken te Brussel de exclusieve bevoegdheid toe te vertrouwen om kennis te nemen van de in het WER geregelde rechtsvordering tot collectief herstel, heeft de bestreden wet evenwel tot gevolg dat die rechtsvordering tot collectief herstel wordt onderworpen aan de specifieke taalregeling van de Brusselse rechtscolleges.

Daaruit vloeit voort dat de procedure betreffende die rechtsvordering tot collectief herstel kan worden ingeleid en voortgezet in het Frans of in het Nederlands, maar niet kan worden ingeleid en voortgezet in het Duits.

B.8.3. Het Hof dient te onderzoeken of het verschil in behandeling, met betrekking tot de taal van de rechtspleging betreffende de rechtsvordering tot collectief herstel, die voortvloeit uit de toewijzing van een exclusieve territoriale bevoegdheid aan de hoven en rechtbanken te Brussel, voorzien in de bestreden wet, bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 30 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.9.1. Bij de regeling van het taalgebruik in gerechtszaken of bij de toewijzing van een exclusieve territoriale bevoegdheid die het taalgebruik in gerechtszaken beïnvloedt, dient de wetgever de individuele vrijheid van de rechtsonderhorige om zich van de taal van zijn keuze te bedienen te verzoenen met de goede werking van de rechtsbedeling. Bovendien dient de wetgever daarbij rekening te houden met de taalverscheidenheid die is verankerd in artikel 4 van de Grondwet, dat vier taalgebieden vastlegt, waarvan er één tweetalig is. Hij vermag dan ook de individuele vrijheid van de rechtsonderhorige ondergeschikt te maken aan de goede werking van de rechtsbedeling.

B.9.2. De artikelen 1 tot 3 van de wet van 15 juni 1935 bepalen de taal van de rechtspleging, respectievelijk in het Frans, het Nederlands of het Duits, naar gelang van de territoriale bevoegdheid van de in die bepalingen bedoelde rechtscolleges.

B.9.3. Met betrekking tot de gerechten van eerste aanleg waarvan de zetel in het arrondissement Brussel is gevestigd, bepaalt artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 15 juni 1935 dat de akte tot inleiding van het geding voor een dergelijk rechtscollege in het Frans wordt gesteld indien de verweerder in het Franse taalgebied woont en in het Nederlands indien de verweerder in het Nederlandse taalgebied woont. Zodoende geeft de wetgever « voorrang aan de taal van den verweerder. Deze moet dus vóór alles weten wat men van hem vergt » (Parl. St., Senaat, 1934-1935, nr. 86, p. 14; Hand., Senaat, 11 april 1935, p. 516).

B.9.4. Uit het voorgaande vloeit voort dat er, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen aanvoeren, voor een eiser geen recht bestaat om een procedure in de taal van zijn keuze in te leiden of voort te zetten.

B.10.1. De keuze om de exclusieve bevoegdheid om uitspraak te doen over de rechtsvordering tot collectief herstel aan de Brusselse rechtscolleges toe te vertrouwen, werd opgevat als deel uitmakend van de beginselen die zijn vastgesteld om « de consument een effectieve toegang tot de procedure te garanderen en om elk onrechtmatig gebruik te vermijden » (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3300/001 en 53-3301/001, p. 11) :

« een centralisatie van de rechtsvorderingen tot collectief herstel bij de rechtbank van eerste aanleg (in uitzonderlijke gevallen de rechtbank van koophandel) te Brussel, met in graad van beroep het hof van beroep te Brussel, die alle geschillen groeperen, de deskundigheid op dit vlak bundelen, en zo een eenvormige rechtspraak voor het hele land kunnen ontwikkelen » (ibid., p. 12).

Die keuze werd als volgt verantwoord :

« Deze wet voert een exclusieve materiële bevoegdheid voor de hoven en de rechtbanken te Brussel in om kennis te nemen van de rechtsvorderingen tot collectief herstel. Deze keuze houdt verband met de aard zelf van de rechtsvordering. De rechtsvordering zal immers per definitie ten goede komen aan een groot aantal consumenten die mogelijk verdeeld zijn over verschillende gerechtelijke arrondissementen, over het hele grondgebied van het land of zelfs daarbuiten. In dat geval lijkt de keuze van een rechtscollege dat gesitueerd is in het gerechtelijk arrondissement van de hoofdstad de meest gepaste. De beslissingen van de rechter zijn vatbaar voor hoger beroep bij het hof van beroep te Brussel, waarbij toepassing zal worden gemaakt van de devolutieve werking overeenkomstig artikel 1068 Ger.W., alsook voor cassatieberoep bij het Hof van cassatie » (ibid., p. 16).

Wat betreft de keuze om de exclusieve bevoegdheid om kennis te nemen van de rechtsvorderingen tot collectief herstel voor te behouden aan de hoven en rechtbanken te Brussel, heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State vastgesteld dat « de stellers blijkbaar [opteren] voor de uitbouw van een expertise en specialisatie in hoofde van eenzelfde rechter » (ibid., p. 65).

B.10.2. Aan parlementsleden die vragen stelden bij de rechten van de Duitstalige consumenten, heeft de minister het volgende geantwoord :

« [De] voorkeur voor Brussel [wordt] ingegeven [...] door de noodzaak om een groepsvordering in het recht te introduceren. De vordering op provinciaal niveau behandelen zou immers tot bizarre toestanden leiden. Een geding met een telecommunicatiebedrijf dat drie verschillende uitspraken oplevert naargelang van gewestelijke of communautaire indelingen, is niet beheersbaar. Brussel dient zich aan als een pragmatische keuze en de federale regering gaat de rechtbanken te Brussel met drie nieuwe rechters versterken. De hoven en rechtbanken exclusief in een eentalig taalgebied bevoegdheid toekennen (bijvoorbeeld Antwerpen of Charleroi) terwijl het om een federale bevoegdheid gaat, is niet werkbaar. In Brussel is tweetaligheid in het systeem ingebakken en daarom is Brussel, met een manifeste eenheid van rechtspraak, duidelijk de beste optie » (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3300/004, p. 16).

Hij heeft eveneens geantwoord :

« Eerst zij erop gewezen dat de consumenten die zijn aangesloten bij de groep die door de collectieve rechtsvordering wordt vertegenwoordigd, geen partij zijn in dit geding. Wél formeel partij in het geding zijn de eiser en de verweerder, met name de vertegenwoordiger van de groep en de onderneming tegen wie de rechtsvordering wordt ingesteld.

De consumenten zijn dus geen eisers; daarom is hun hoedanigheid geen criterium voor de toepassing van de wetgeving inzake het gebruik der talen in gerechtszaken. Een groep van consumenten die in het kader van een vordering tot collectief schadeherstel wordt vertegenwoordigd, kan immers uitsluitend uit Duitstalige consumenten bestaan, maar ook uit Nederlandstalige en/of Franstalige consumenten, dan wel uit consumenten die in eender welk gerechtelijk arrondissement van het land wonen, en zelfs daarbuiten. Op het ogenblik dat de zaak voor de rechter wordt gebracht, kan de vertegenwoordiger moeilijk met zekerheid inschatten dat de potentiële slachtoffers voornamelijk in het ene of het andere taalgebied wonen. De consumenten vormen per definitie een open groep. Het gebeurt dat inwoners van Nederlandstalige of Franstalige gerechtelijke arrondissementen gaan winkelen in het Duitse taalgebied...

Overeenkomstig het gemeen recht zijn verscheidene criteria van toepassing om het gerechtelijk arrondissement te bepalen (zoals de woonplaats van de verweerder, de plaats van uitvoering van de overeenkomst enzovoort). Het leek aangewezen de rechtspleging te centraliseren in het gerechtelijk arrondissement Brussel, om de volgende redenen :

- collectieve schade zal, gezien de aard ervan, zelden de exclusieve bevoegdheid zijn van één rechtbank (schade als gevolg van geneesmiddelen, financiële producten enzovoort die zich mogelijkerwijze uitstrekt over het hele Belgische grondgebied, en zelfs daarbuiten);

- rechtsvorderingen tot collectief herstel zijn bijzondere procedures, niet alleen juridisch maar ook qua toepassing, waardoor specialisatie noodzakelijk is. Het zal heel belangrijk zijn dat de rechters gebruik zullen kunnen maken van de diverse ervaringen ' in het veld ', zodat een homogene rechtspraak ontstaat en er geen ruimte is voor forum shopping door de eisers.

Opdat de consumenten die in een ander gewest wonen dan dat van de gebruikte taal correct worden ingelicht over hun rechten en over het verloop van een rechtsvordering tot collectief herstel die op hen betrekking kan hebben, kunnen de rechter en de partijen voorzien in aanvullende maatregelen van openbaarheid die de vorm kunnen aannemen van informatie in het Duits (of in een andere taal) over de beslissing tot toelating, het akkoord of de uitspraak ten gronde » (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3300/004, pp. 29-30; zie eveneens ibid., p. 77).

De minister heeft eveneens in herinnering gebracht :

« Centralisatie biedt volgende voordelen : ervaring, eenvormige rechtspraak, efficiënte oplossing in geval van diffuse schade over heel het land en daarbuiten. De toegang tot de rechter voor de consumenten, die geen rechtstreekse partij zijn bij het geding, maar als groep worden vertegenwoordigd door een (ter zake onderlegde) groepsvertegenwoordiger, wordt hierdoor niet beperkt.

Er werden onder deze legislatuur extra middelen voorzien voor de hoven en rechtbanken te Brussel, waaronder de aanwerving van drie extra rechters bij het Hof van Beroep en een kaderuitbreiding bij de rechtbank van eerste aanleg » (ibid., p. 40).

B.10.3. Uit het voorgaande vloeit voort dat de toewijzing van een exclusieve bevoegdheid aan de rechtscolleges te Brussel om kennis te nemen van de rechtsvordering tot collectief herstel een maatregel vormt die pertinent is ten aanzien van de aard zelf van de collectieve rechtsvordering, die een groot aantal consumenten ten goede komt en waarvan de territoriale gevolgen mogelijk verreikend zijn, alsook van de wil van de wetgever om geschillen die een deskundigheid op economisch en technisch gebied vereisen, te centraliseren en aldus het ontstaan van eenvormige rechtspraak inzake rechtsvorderingen tot collectief herstel te bevorderen. De eenvormigheid van de rechtspraak ter zake blijkt immers bijzonder wenselijk te zijn, rekening houdend met het onderwerp van de rechtsvordering tot collectief herstel, met de moeilijkheid om een aanknopingspunt van die rechtsvordering met een gerechtelijk arrondissement te bepalen en met de bekommernis om eventuele « forum shopping » door de eisers te vermijden.

B.11. De bestreden regeling brengt bovendien geen onevenredige aantasting teweeg van de rechten van de groepsvertegenwoordiger die een rechtsvordering tot collectief herstel instelt.

Zoals in B.2 is uiteengezet, is de rechtsvordering tot collectief herstel geen rechtsvordering die is ingesteld door een alleenstaande rechtzoekende die individueel in rechte treedt, maar door een vereniging die een consumentengroep vertegenwoordigt, die lid is van de Raad voor het Verbruik of onder bepaalde voorwaarden door de minister is erkend; de vereniging die op ontvankelijke wijze een rechtsvordering tot collectief herstel kan instellen, wordt dan ook geacht de belangen van een niet nader bepaalde consumentengroep te vertegenwoordigen, en zij kan zich beroepen op collectieve schade, die door alle leden van de groep is geleden.

Rekening houdend met de kenmerken van de rechtsvordering tot collectief herstel, maakt het feit dat een vereniging die een « groepsvertegenwoordiger » in de zin van artikel XVII.39 van het WER is, haar maatschappelijke zetel in het Duitse taalgebied heeft, het niet mogelijk te veronderstellen dat zij als vereniging voor consumentenbescherming enkel de belangen vertegenwoordigt van rechtzoekenden die in het Duitse taalgebied wonen, noch dat zij enkel in het Duits kan communiceren.

Van een vereniging die lid is van de Raad voor het Verbruik, net zoals de tweede verzoekende partij, kan bovendien op legitieme wijze worden vermoed dat zij over een voldoende kennis van het Frans of het Nederlands beschikt, die de officiële talen van die Raad zijn.

De betrokkenen die stukken zouden neerleggen of zich mondeling zouden uitdrukken in een andere taal dan die van de rechtspleging, beschikken daarenboven over de mogelijkheid om een beroep te doen op beëdigde vertalers of tolken, zoals de artikelen 8 en 30 van de wet van 15 juni 1935 erin voorzien.

B.12. Voor het overige belet de bevoegdheidstoewijzing voor de rechtsvordering tot collectief herstel aan de hoven en rechtbanken te Brussel niet dat door de partijen in onderlinge overeenstemming een wijziging van de taal van de rechtspleging kan worden gevraagd, zoals artikel 7 van de wet van 15 juni 1935 erin voorziet; het feit dat het Duits niet de taal kan zijn die de partijen in onderlinge overeenstemming hebben gekozen, is echter het gevolg van de exclusieve bevoegdheidstoewijzing voor de rechtsvordering tot collectief herstel aan de hoven en rechtbanken te Brussel, en is niet van dien aard, zoals de verzoekende partijen beweren, dat het een onmogelijkheid in het leven roept om recht te spreken.

B.13. De middelen zijn niet gegrond.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt het beroep.

Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 1 oktober 2015.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

J. Spreutels