Grondwettelijk Hof (Arbitragehof): Arrest van 16 Juli 2015 (België). RG 108/2015

Datum :
16-07-2015
Taal :
Duits Frans Nederlands
Grootte :
16 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-20150716-6
Rolnummer :
108/2015

Samenvatting :

Het Hof verwerpt de beroepen.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging

Bij verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 5, 9 en 30 juli 2014 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 7, 11 en 31 juli 2014, zijn beroepen tot vernietiging ingesteld van de artikelen 25 tot 28, 31 en 50 van de wet van 14 februari 2014 met betrekking tot de rechtspleging voor het Hof van Cassatie in strafzaken (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 27 februari 2014, tweede editie) respectievelijk door Michel Forges, Pierre-François Van Den Driessche, Pascal Mallien en Matthias Storme, door D.M., D.D., P.K., H.V., A.T., M.A., G. V.D.W. en M.V, en door de vzw « Aktiekomitee Red de Voorkempen », de vzw « Ademloos » en de vzw « Straatego », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Vande Casteele, advocaat bij de balie te Antwerpen.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5953, 5956 en 6015 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan

B.1.1. De beroepen tot vernietiging zijn gericht tegen de artikelen 25 tot 28, 31 en 50 van de wet van 14 februari 2014 met betrekking tot de rechtspleging voor het Hof van Cassatie in strafzaken (hierna : de wet van 14 februari 2014), die het Wetboek van strafvordering wijzigen.

B.1.2. Artikel 423 van het Wetboek van strafvordering, zoals vervangen bij artikel 25 van de wet van 14 februari 2014, bepaalt :

« Behoudens wanneer de wet een andere termijn bepaalt, moet de verklaring van cassatieberoep worden gedaan binnen vijftien dagen na de uitspraak van de bestreden beslissing ».

Artikel 424 van hetzelfde Wetboek, zoals vervangen bij artikel 26 van de wet van 14 februari 2014, bepaalt :

« Wanneer de beslissing bij verstek is gewezen en vatbaar is voor verzet, neemt de termijn om beroep in cassatie in te stellen een aanvang bij het verstrijken van de termijn voor verzet of, wanneer de beslissing bij verstek is gewezen ten aanzien van de beklaagde of de beschuldigde, na het verstrijken van de gewone termijnen van verzet. Het beroep in cassatie moet worden ingesteld binnen vijftien dagen na het verstrijken van die termijnen ».

Artikel 425 van hetzelfde Wetboek, zoals vervangen bij artikel 27 van de wet van 14 februari 2014, bepaalt :

« § 1. Onverminderd § 2, wordt de verklaring van cassatieberoep gedaan door het openbaar ministerie of de advocaat op de griffie van het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gewezen. Zij wordt getekend door het openbaar ministerie of de advocaat en door de griffier en ingeschreven in het daartoe bestemd register.

De advocaat moet houder zijn van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures als bedoeld in boek II, titel III. De Koning bepaalt de vereisten waaraan de opleiding moet voldoen.

§ 2. Indien in een zelfde zaak een partij tegelijkertijd cassatieberoep instelt tegen een eindbeslissing en tegen een of meer voorbereidende beslissingen en beslissingen van onderzoek, gewezen door andere gerechten dan het gerecht dat de eindbeslissing nam, worden de verklaringen van cassatieberoep gedaan op de griffie van dit laatste gerecht.

De griffier die van de verklaringen van cassatieberoep akte verleend heeft, bezorgt, binnen vierentwintig uur, een uitgifte van de verklaringen van cassatieberoep tegen de voorbereidende beslissingen en beslissingen van onderzoek, aan de griffiers van die andere gerechten, die deze onverwijld overschrijven in de daartoe bestemde registers.

§ 3. Het register waarin de verklaring wordt ingeschreven, is openbaar en eenieder die een rechtmatig belang heeft, heeft het recht zich daaruit uittreksels te doen afgeven ».

Artikel 426 van hetzelfde Wetboek, zoals vervangen bij artikel 28 van de wet van 14 februari 2014, bepaalt :

« De verklaring van cassatieberoep door de advocaat die houder is van het in artikel 425, § 1, tweede lid, bedoelde getuigschrift, voor personen die opgesloten zijn in een strafinrichting of geïnterneerd zijn in een inrichting bepaald in de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis, kan gedaan worden bij de bestuurder van deze instelling of hun gemachtigde. Zij is getekend door de advocaat.

Deze verklaring heeft dezelfde uitwerking als die gedaan ter griffie. Daarvan wordt proces-verbaal opgemaakt in een daartoe bestemd register.

De bestuurder bericht hiervan onmiddellijk de bevoegde griffier en bezorgt hem binnen vierentwintig uur een uitgifte van het proces-verbaal.

De griffier schrijft het bericht en het proces-verbaal onverwijld over in het daartoe bestemd register.

Dit artikel is niet van toepassing op het cassatieberoep ingesteld overeenkomstig artikel 31 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis ».

Artikel 429 van hetzelfde Wetboek, zoals vervangen bij artikel 31 van de wet van 14 februari 2014, bepaalt :

« Behalve het openbaar ministerie kan de eiser in cassatie zijn middelen slechts aanvoeren in een memorie die ondertekend is door een advocaat die houder is van het in artikel 425, § 1, tweede lid, bedoelde getuigschrift en die hij uiterlijk vijftien dagen voor de terechtzitting ter griffie van het Hof van Cassatie doet toekomen.

Na verloop van twee maanden die volgen op de verklaring van cassatieberoep, mag hij evenwel geen memories of stukken meer indienen, met uitzondering van akten van afstand of hervatting van het geding, akten waaruit blijkt dat het cassatieberoep doelloos is geworden en de noten bedoeld in artikel 1107 van het Gerechtelijk Wetboek.

De verweerder in cassatie kan zijn antwoord slechts aanvoeren in een memorie die ondertekend is door een advocaat die houder is van het in artikel 425, § 1, tweede lid, bedoelde getuigschrift en die hij uiterlijk acht dagen voor de terechtzitting ter griffie van het Hof van Cassatie doet toekomen.

Behoudens de uitzondering bedoeld in artikel 427, eerste lid, wordt de memorie van de eiser per aangetekende brief of, op de door de Koning bepaalde wijze, langs elektronische weg, ter kennis gebracht van de partij waartegen het beroep gericht is en brengt de verweerder hem zijn memorie van antwoord op dezelfde wijze ter kennis. Het bewijs van verzending wordt ter griffie neergelegd binnen de in het eerste tot derde lid bedoelde termijnen. Deze vormvereisten zijn voorgeschreven op straffe van onontvankelijkheid.

De griffier stelt de ontvangst vast van memories of stukken met de vermelding van de datum van ontvangst.

Hij bezorgt de indiener een ontvangstbewijs indien die dit vraagt ».

Artikel 50 van de wet van 14 februari 2014 bepaalt :

« Met uitzondering van artikel 1 en dit artikel, welke in werking treden op de dag van hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, treedt deze wet in werking op de eerste dag van de twaalfde maand na die waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

Het in de artikelen 27, 28 en 31 bedoelde artikel 425, § 1, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, treedt evenwel in werking op de eerste dag van de vierentwintigste maand na die waarin deze wet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

De Koning kan een datum van inwerkingtreding bepalen voorafgaand aan de datum vermeld in het eerste en tweede lid ».

B.1.3. Krachtens het bestreden artikel 50 zijn de bestreden bepalingen in werking getreden op 1 februari 2015, met uitzondering van artikel 425, § 1, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, dat in werking zal treden op 1 februari 2016.

B.1.4. Het koninklijk besluit van 10 oktober 2014 tot vaststelling van de vereisten van de opleiding bepaald in artikel 425, § 1, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering (Belgisch Staatsblad van 20 november 2014) heeft de voorwaarden van die opleiding vastgesteld; krachtens artikel 4, 1°, van dat besluit is artikel 425, § 1, tweede lid, tweede zin, van het Wetboek van strafvordering in werking getreden op 20 november 2014.

B.2. Uit de verzoekschriften blijkt dat de beroepen tot vernietiging zijn gericht tegen artikel 423, artikel 425, § 1, tweede lid, alsook tegen de woorden « die houder is van het in artikel 425, § 1, tweede lid, bedoelde getuigschrift » in de artikelen 426 en 429 van het Wetboek van strafvordering, zoals gewijzigd bij de wet van 14 februari 2014.

B.3.1. Vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen kon het cassatieberoep in strafzaken worden ingesteld door de beklaagde zelf of door de burgerlijke partij, of hun advocaat, middels een verklaring van cassatieberoep ter griffie van het rechtscollege dat de beslissing heeft gewezen, binnen een termijn van vijftien vrije dagen na de uitspraak van de beslissing (artikel 359 van het Wetboek van strafvordering); gedurende die termijn en, indien het beroep is ingesteld, tot het arrest van het Hof van Cassatie wordt de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing geschorst (artikel 359, vierde lid, van hetzelfde Wetboek); binnen vijftien dagen na die verklaring kon de verzoeker een verzoekschrift houdende de middelen van cassatie indienen (artikel 422 van hetzelfde Wetboek), waarna hij beschikte over een termijn van twee maanden na de inschrijving van de zaak op de rol om zelf of via een advocaat een memorie in te dienen waarin zijn middelen van cassatie worden aangegeven (artikel 420bis van hetzelfde Wetboek).

B.3.2. Krachtens het bestreden nieuwe artikel 425, § 1, van het Wetboek van strafvordering zal de verklaring van cassatieberoep alleen nog geldig kunnen worden gedaan door het openbaar ministerie of een advocaat die beschikt over een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures; overeenkomstig het bestreden artikel 429 van hetzelfde Wetboek zal, behalve het openbaar ministerie, alleen de advocaat die houder is van dat getuigschrift eveneens de memorie houdende middelen van cassatie kunnen indienen, binnen twee maanden na de verklaring van cassatieberoep en minstens vijftien dagen vóór de terechtzitting.

Die bepalingen brengen derhalve met zich mee dat de beklaagde of de burgerlijke partij de mogelijkheid wordt ontnomen om zelf cassatieberoep in strafzaken in te stellen, door de tussenkomst te verplichten van een advocaat die houder is van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures.

B.3.3. De termijn om cassatieberoep in te stellen, bedraagt vijftien dagen na de uitspraak van de beslissing (het bestreden artikel 423 van het Wetboek van strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 359 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het niet bestreden artikel 7 van de wet van 14 februari 2014), waarbij die termijn ingaat vanaf het verstrijken van de termijnen voor verzet wanneer de beslissing bij verstek is gewezen (artikel 424 van hetzelfde Wetboek).

B.4. De bestreden maatregelen maken deel uit van een algemene hervorming van de cassatieprocedure in strafzaken, die enerzijds ertoe strekt de materie te verduidelijken die « nu [wordt] geregeld door een reeks verspreide bepalingen, in soms onduidelijke bewoordingen » (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-1832/4, p. 2; zie eveneens Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3065/003, p. 3) en anderzijds « het grootste probleem waarmee het Hof van Cassatie vandaag wordt geconfronteerd, namelijk de aanzienlijke toevloed van cassatieberoepen in criminele en correctionele zaken en in politiezaken, niet buiten beschouwing [kan] laten » (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-1832/1, p. 2; zie eveneens Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3065/003, p. 3).

Die hervorming heeft rekening gehouden met de opmerkingen van de magistraten van het Hof van Cassatie (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-1832/4, p. 2; zie eveneens Kamer, CRIV 53 PLEN 182, vergadering van donderdag 30 januari 2014 namiddag, p. 51), en is met name geïnspireerd op het in Frankrijk ingevoerde procedurele formalisme, « waardoor het voor het Franse Hof van Cassatie mogelijk werd een antwoord te bieden op de cassatieberoepen in strafzaken die er aanhangig werden gemaakt » (ibid., p. 3).

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

B.5.1. De verzoekende partijen verantwoorden hun belang om de vernietiging te vorderen, door hun respectieve hoedanigheid van rechtzoekenden en van advocaten, waarbij de bestreden wet de mogelijkheden van cassatieberoep in strafzaken beperkt en de voorwaarden voor de uitoefening van het beroep van advocaat wijzigt.

B.5.2. De Ministerraad betwist het belang om in rechte op te treden van de verzoekende partijen in de zaak nr. 6015, daar het beroep tot vernietiging van bepalingen betreffende de cassatieprocedure in strafzaken hun maatschappelijk doel, dat uitsluitend de bescherming van het leefmilieu betreft, niet aantast.

B.5.3. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6015 zijn vzw's die actief zijn op het domein van het leefmilieu; in hun hoedanigheid van rechtzoekenden kunnen zij partij zijn bij een strafproces en kunnen zij derhalve rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door de bestreden bepalingen, die de cassatieprocedure in strafzaken wijzigen.

Zij doen derhalve blijken van het vereiste belang om de vernietiging van die bepalingen te vorderen.

B.5.4. De exceptie wordt verworpen.

Ten gronde

B.6. Het eerste, het tweede en het vierde middel zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 12, 13 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 144 en 145 van de Grondwet en met de rechten van de verdediging en het recht op toegang tot een rechter en het recht op toegang tot een advocaat.

Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 12, 13 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad « betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming », met artikel 4 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en de artikelen 288 en 291 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met de artikelen 6 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de rechten van de verdediging, het recht op toegang tot een rechter en het recht op toegang tot een advocaat in het kader van de strafprocedures, met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie en met het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, inzonderheid de artikelen 1, 3, 6 en 9 ervan.

Wat het eerste en tweede middel betreft

B.7.1. In het eerste middel zijn de verzoekende partijen van mening dat de vereiste van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures voor de advocaat teneinde het cassatieberoep te kunnen instellen of een memorie in strafzaken te kunnen indienen, een overdreven beperking vormt van het recht om te worden vertegenwoordigd door een advocaat naar keuze.

Die vereiste kan de beklaagde immers ertoe verplichten van advocaat te veranderen met het oog op het cassatieberoep (eerste onderdeel), terwijl alle advocaten een cassatieverzoekschrift bij de Raad van State kunnen indienen (tweede onderdeel); die vereiste is niet evenredig, temeer daar zij geldt voor de advocaten die zouden kunnen voldoen aan de voorwaarden inzake opleiding en ervaring om te worden benoemd tot staatsraad, die de administratieve cassatieberoepen moet onderzoeken (derde onderdeel), terwijl die advocaten niet zouden moeten worden onderworpen aan de vereiste van een getuigschrift van een opleiding (vierde onderdeel); ten slotte zouden de bestreden bepalingen, door aan de Koning de vaststelling van de criteria inzake het getuigschrift van een opleiding te delegeren, het wettigheidsbeginsel schenden (vijfde onderdeel).

B.7.2. In hun tweede middel zijn de verzoekende partijen van mening dat de bestreden bepalingen leiden tot een achteruitgang in het recht op de juridische bijstand gewaarborgd bij artikel 23 van de Grondwet : indien de oorspronkelijk door de beklaagde gekozen advocaat niet beschikt over het getuigschrift van een opleiding heeft de beklaagde geen enkele waarborg dat een advocaat die houder is van dat getuigschrift ambtshalve zal kunnen worden aangewezen binnen de opgelegde termijn.

B.7.3. Het Hof onderzoekt die middelen samen.

B.8.1. Het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de aanneming van de bestreden bepalingen voorzag oorspronkelijk in de tussenkomst van een advocaat voor de verklaring van cassatieberoep, alsook voor de indiening van een memorie.

In verband met de verklaring van cassatieberoep werd de maatregel als volgt verantwoord :

« Die regel, die er weliswaar toe bijdraagt dat het recht van elke beschuldigde om zich zelf te verdedigen, zoals vermeld in artikel 6, § 3, c, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, wordt ingeperkt, lijkt niet onredelijk als men de goede werking van justitie beoogt. Hij moet voorkomen dat cassatieberoep lichtzinnig wordt ingesteld. De advocaat kan de betrokken partij wijzen op het specifieke karakter van dat rechtsmiddel, dat niet tot rechtspraak in derde aanleg leidt. Hij is ook beter geplaatst dan de particulier om de partijen te identificeren tegen wie zijn rechtsmiddel gericht is, de partijen die best opgeroepen worden in gemeenverklaring van arrest of de punten van de betreffende beslissing die moeten worden bestreden.

Het is de bedoeling dat de rechten die zijn opgenomen in het Europees Verdrag voor de rechten van de mens concrete rechten zijn en geen abstracte rechten. Het volledig openstellen van het cassatieberoep lijkt op het eerste gezicht een fundamentele waarborg voor de rechten van de rechtzoekenden, maar eigenlijk is dat een illusie. Het maakt een groot aantal onbezonnen beroepen mogelijk, die een bedreiging zijn voor de kwaliteit van het werk van het Hof.

Zelfs het Europees Hof voor de rechten van de mens is geneigd dergelijke logica te steunen : het heeft geoordeeld dat het niet in strijd met artikel 6, §§ 1 en 3, c, van het Verdrag is de rechtzoekende te beletten het woord te nemen op de terechtzitting in een procedure voor de chambre criminelle van het Franse Hof van cassatie, omdat ze schriftelijk verloopt, beperkt is tot de rechtsmiddelen en uiterst technisch is.

Het is ook zo dat de verplichting om een beroep te doen op een advocaat om een rechtsmiddel in te stellen niet nieuw is in ons recht. Nu reeds is het optreden van een advocaat vereist voor het instellen van cassatieberoep tegen een beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank of tegen een beslissing van de Hoge Commissie tot bescherming van de maatschappij die de invrijheidstelling van een geïnterneerde belet. De aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling is dan weer onontvankelijk indien bij het verzoekschrift geen gunstig, met redenen omkleed advies van drie advocaten gevoegd is.

Cassatieberoep tegen de arresten en vonnissen waardoor de preventieve hechtenis gehandhaafd wordt, wat geregeld wordt bij artikel 31 van de wet van 20 juli 1990, valt niet onder de hier geldende verplichting om de verklaring van cassatieberoep van de handtekening van een advocaat te voorzien. Het optreden van een advocaat in die context opleggen kan problemen met zich brengen, vooral voor de verdachte die zich in de gevangenis bevindt : artikel 31 verplicht ertoe het cassatieberoep in te stellen binnen vierentwintig uur vanaf de dag van de betekening van de beslissing aan de betrokkene » (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-1832/1, pp. 13-14).

In verband met de memorie waarin de cassatiemiddelen worden voorgesteld, wordt in de parlementaire voorbereiding uiteengezet :

« Net zoals in Nederland het geval is, moet deze memorie ondertekend worden door een advocaat, behalve indien zij uitgaat van het openbaar ministerie.

Deze vereiste wil de garantie bieden dat de cassatiemiddelen vakkundig worden geformuleerd. Men wil hiermee vermijden dat het Hof van Cassatie verplicht is te antwoorden op irrelevante middelen » (ibid., p. 19).

B.8.2. De verzoekende partijen hebben gepreciseerd dat zij niet de verplichte tussenkomst van een advocaat bekritiseren, tussenkomst die kan worden verantwoord door het doel dat erin bestaat de toevloed van cassatieberoepen te beperken, en die eveneens op andere domeinen bestaat.

B.9.1. De vereiste van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures is ingevoerd via een amendement dat als volgt is verantwoord :

« De toevloed van ongegronde cassatieberoepen die voortvloeien uit een verkeerd begrip van de opdracht van het Hof, kan de goede werking ervan alleen maar in het gedrang brengen. Een onbeperkte toegang tot het Hof is misleidend.

Het Europees Hof heeft aangenomen dat de specifieke kenmerken van de rechtspleging voor het Hof van Cassatie en de beperking van het onderwerp ervan tot louter rechtsaangelegenheden, beperkingen konden verantwoorden, zoals bepalen dat enkel de advocaten mondeling kunnen tussenbeide komen voor het Hof. Aangezien de rechtspleging voor het Hof van Cassatie van België een schriftelijke procedure is, is het redelijk ervan uit te gaan dat dit monopolie ook verantwoord is voor de opstelling van de middelen. De rechtvaardiging is nog gemakkelijker omdat het Hof ambtshalve enig cassatiemiddel kan aanvoeren dat gunstig is voor de veroordeelde. Het gegeven [dat] er geen ontvankelijke memorie is, is voor hem dus maar voor de helft een slechte zaak. De ambtshalve controle kan net zo doeltreffend, en zelfs doeltreffender zijn en vergt minder werk dan de verplichting te antwoorden op middelen die tot misverstanden kunnen leiden omdat ze niet door professionals zijn opgesteld.

Het verplichte optreden van een advocaat voor de verklaring van cassatieberoep zelf is niet alleen verantwoord in het belang van het Hof en de goede uitvoering van de opdracht die het heeft, maar ook in het belang van de rechtzoekende.

In tegenstelling tot het beroep, kan een cassatieberoep de veroordeelde benadelen. Indien de beslissing vernietigd wordt, is het rechtscollege waarnaar de zaak wordt verwezen niet ertoe verplicht een straf op te leggen die lager is dan of gelijk is aan de in het vernietigde arrest uitgesproken straf. Het kan een zwaardere straf opleggen. Een cassatieberoep moet goed worden overdacht aangezien de eiser niet kan vooruitlopen op de eventuele gevolgen van de rechtspleging : gelijk krijgen in cassatie kan neerkomen op een pyrrusoverwinning.

Het optreden van de advocaat is ook noodzakelijk om, indien nodig, de bepalingen van het arrest die moeten worden bestreden, af te bakenen; om na te gaan of het cassatieberoep niet voorbarig is; om er afstand van te doen met het oogmerk een later cassatieberoep mogelijk te maken; om de partijen waaraan het cassatieberoep wordt betekend, te identificeren of om de partijen te bepalen die moeten worden opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest.

Doordat een zodanig technisch rechtsmiddel open staat voor personen die daartoe niet de nodige opleiding hebben gekregen, worden de eisers geconfronteerd met veel teleurstellingen, nutteloze kosten en tijdverlies.

In dat opzicht wordt het noodzakelijk geacht dat de advocaten een opleiding inzake cassatieprocedureprocedures zoals bedoeld in Boek II, Titel III, van het Wetboek van strafvordering hebben gevolgd.

Er is voorzien dat de Koning de vereisten zal bepalen waaraan deze opleiding moet voldoen. Niet enkel is voor het organiseren van dergelijke opleiding overleg met het Hof van Cassatie en met de balies noodzakelijk. Het is bovendien mogelijk dat de opleidingsvereisten gebeurlijk na evaluatie worden aangepast. Hiertoe is een Koninklijk Besluit de meest soepele manier van werken.

[...]

In antwoord op de overwegingen met betrekking tot het recht om zichzelf te verdedigen, kan het volgende worden toegevoegd.

Artikel 6, lid 3, c, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens voorziet dat eenieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd tenminste het recht heeft zichzelf te verdedigen, waarbij dat recht als alternatief wordt voorgesteld van het recht de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze.

Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens blijkt dat de waarborgen genoemd in die bepaling impliciete grenzen kunnen hebben, op voorwaarde dat in wezen niet geraakt wordt aan het desbetreffende recht. Zo heeft het Europees Hof aanvaard dat de specifieke kenmerken van de procedure voor het Hof van Cassatie en het feit dat dit Hof enkel rechtsvraagstukken behandelt een grondige reden konden zijn voor beperkingen (EHRM, Voisine tegen Frankrijk, 8 februari 2000).

In casu zijn de vereisten van de goede werking van het gerecht van aard dat ze beschouwd kunnen worden als een impliciet aanvaarde reden voor de beperking van het recht om zichzelf te verdedigen ook voor het Hof van Cassatie welk recht verantwoord wordt in artikel 6, lid 3, c van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens » (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-1832/3, pp. 21-23).

B.9.2. Het optreden van een gespecialiseerd advocaat, houder van een getuigschrift van een opleiding, werd voorgesteld in het jaarverslag 2012 van het Hof van Cassatie (p. 84).

In verband met die opleiding heeft de minister van Justitie uitgelegd :

« [Met] de gespecialiseerde advocaten [...], [worden] die advocaten [...] bedoeld die een gespecialiseerde opleiding in cassatiezaken hebben gevolgd. Het koninklijk besluit dat de nadere regels van deze opleiding zal bevatten, zal in samenspraak met de ordes van advocaten worden uitgewerkt. Aldus worden betere garanties geboden voor de professionele deskundigheid. Het is dus zeker niet de bedoeling om alle zaken te laten behandelen door de advocaten bij het Hof van Cassatie die aangesloten zijn bij de Orde van advocaten bij het Hof van Cassatie.

[...] [Het] verplichte optreden van een advocaat om zowel de verklaring van cassatieberoep als de memorie in cassatie te ondertekenen, [is] een maatregel [...] die verantwoord is om de verzadiging van het Hof, dat niet is opgericht om als rechtscollege van derde aanleg te dienen, te voorkomen.

[...]

[De] opleiding die bij koninklijk besluit uitgewerkt zal worden, [mag] niet verward [...] worden met de opleiding die de advocaten bij het Hof van Cassatie moeten volgen. Het zal hier gaan over een opleiding van een aantal dagen waarbij in het bijzonder aandacht zal worden besteed aan de functie van het Hof van Cassatie in het rechtsbestel.

[...]

[De] zware en langdurige opleiding van de advocaten bij het Hof van Cassatie [wordt geenszins] bedoeld [...] » (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3065/003, pp. 10-12).

Er is eveneens gepreciseerd :

« Deze opleiding kan worden geïntegreerd in het systeem van permanente opleidingen van de Ordes » (ibid., p. 14).

B.9.3. De inwerkingtreding van artikel 425, § 1, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering is overigens uitgesteld om een termijn van twee jaar te laten « teneinde de advocaten toe te laten het attest van opleiding te verwerven dat noodzakelijk is voor de verklaring van cassatieberoep en de aanduiding van de middelen » (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-1832/3, p. 30).

B.10.1. Het koninklijk besluit van 10 oktober 2014 tot vaststelling van de vereisten van de opleiding bepaald in artikel 425, § 1, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, waarnaar in B.1.4 wordt verwezen, definieert de criteria van die opleiding.

Dat koninklijk besluit bepaalt :

« Artikel 1. De opleiding voorzien in artikel 425, § 1, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering is toegankelijk voor de advocaten die regelmatig ingeschreven zijn op het tableau, op de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie of op de lijst van de stagiairs.

De Ordre des barreaux francophones et germanophone en de Orde van Vlaamse Balies richten een opleidingscommissie op die kan bestaan uit een vertegenwoordiger van elk van die Ordes, een lid van de Orde van advocaten bij het Hof van Cassatie, een magistraat van de zetel van het Hof van Cassatie en een magistraat van het parket bij het Hof van Cassatie.

De opleiding wordt minstens één maal per gerechtelijk jaar in gezamenlijk overleg georganiseerd door de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone.

Art. 2. § 1. De opleiding bestaat uit twee gedeelten : een theoretisch en een praktisch opleidingsgedeelte. Zij duurt ten hoogste twintig uren.

Het theoretische opleidingsonderdeel bestaat uit het volgen van hoorcolleges over verschillende aspecten van de procedure en van de voorziening in cassatie, inzonderheid over :

- de aard van de controle door het Hof van Cassatie;

- de ontvankelijkheid van het cassatieberoep;

- de middelen tot cassatie;

- de ontvankelijkheid van de memorie en het opstellen van de cassatiemiddelen.

Het praktisch opleidingsonderdeel bestaat uit het deelnemen aan een praktijkseminarie gewijd aan de voorziening in strafzaken. Aan de kandidaat wordt gevraagd een memorie tot staving op te stellen en actief deel te nemen aan de bespreking ervan. Enkel advocaten die alle theoretische lessen hebben gevolgd worden toegelaten tot het praktisch opleidingsonderdeel.

§ 2. De overeenkomstig artikel 1, § 2, opgerichte commissie stelt het reglement van de opleiding vast, bepaalt de inhoud en de datum van de lessen en van het seminarie, wijst de lesgevers aan en levert het opleidingsgetuigschrift af aan de kandidaten die de volledige cyclus actief hebben gevolgd.

Art. 3. Advocaten bij het Hof van Cassatie en advocaten die geslaagd zijn voor het examen georganiseerd door de Orde van advocaten bij het Hof van Cassatie, worden geacht te voldoen aan de vereisten van de opleiding bedoeld in artikel 425, § 1, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering.

Art. 4. Treden in werking op de datum van bekendmaking van dit besluit :

1° het in artikel 27 van de wet van 14 februari 2014 met betrekking tot de rechtspleging voor het Hof van Cassatie bedoelde artikel 425, § 1, tweede lid, tweede zin, van het Wetboek van strafvordering;

2° dit besluit.

Art. 5. De minister bevoegd voor Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit ».

B.10.2. Het verslag aan de Koning preciseert :

« Voorafgaandelijk aan de inwerkingtreding van het artikel 425, § 1, tweede lid van het Wetboek van strafvordering, moet derhalve een opleiding worden georganiseerd die het moet mogelijk maken dat voldoende advocaten in staat worden gesteld het getuigschrift te behalen dat vanaf 1 februari 2016 vereist is voor een tussenkomst als advocaat voor het Hof van Cassatie in strafzaken.

Deze opleiding zal voor de eerste keer worden georganiseerd bij het begin van het gerechtelijk jaar 2014-15.

[...]

[Het onderhavige ontwerp] is tot stand gekomen na overleg met en voorafgaand akkoord van de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone. Bij het overleg waren eveneens betrokken : het Hof van Cassatie en de Orde van advocaten bij het Hof van Cassatie » (Belgisch Staatsblad van 20 november 2014, p. 91.288).

B.10.3. Uit het hiervoor aangehaalde koninklijk besluit blijkt dat de opleiding in cassatieprocedures toegankelijk is voor de advocaten die regelmatig zijn ingeschreven op het tableau, op de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie of op de lijst van de stagiairs (artikel 1); de maximumduur ervan bedraagt twintig uur en omvat twee delen, een theoretisch deel dat bestaat in het volgen van hoorcolleges over de procedure en de voorziening in cassatie, en een praktisch deel dat bestaat in het deelnemen aan een seminarie en het opstellen van een memorie (artikel 2); de advocaten bij het Hof van Cassatie en de advocaten die geslaagd zijn voor het examen georganiseerd door de Orde van advocaten bij het Hof van Cassatie over het deel van de opleiding dat is gewijd aan de strafrechtelijke cassatie, zijn vrijgesteld van die opleiding (artikel 3).

De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft geoordeeld dat de regels betreffende de opleiding en de organisatie ervan « kunnen worden gesteund op artikel 108 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 425, § 1, tweede lid, tweede zin, van het Wetboek van strafvordering en, in zoverre de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone belast worden met de organisatie van de opleiding en met het inrichten van de opleidingscommissie, in samenhang met artikel 495, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, waarbij de vorming van de advocaten als één van de taken van die ordes wordt aangemerkt » (advies 56.587/1/V van 28 augustus 2014, Belgisch Staatsblad van 20 november 2014, p. 91.289).

B.11.1. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is van oordeel dat « hoewel het niet absoluut is, het recht van iedere beschuldigde om daadwerkelijk te worden verdedigd door een advocaat, zo nodig ambtshalve aangewezen », deel uitmaakt van de fundamentele elementen van het recht op een eerlijk proces. Hoewel het iedere beschuldigde het recht toekent om « zichzelf te verdedigen of de bijstand van een verdediger te genieten », preciseert artikel 6.3, c), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens « echter niet de voorwaarden inzake de uitoefening van het daarin verankerde recht », waarbij de Verdragsluitende Staten aldus de middelen kunnen kiezen die hun gerechtelijk systeem toelaten die uitoefening te waarborgen (EHRM, 27 november 2008, Salduz t. Turkije, § 51).

B.11.2. Het recht om door een advocaat te worden bijgestaan, betekent evenwel niet dat geen ontvankelijkheidsvoorwaarden kunnen worden ingevoerd in zeer ingewikkelde materies die de noodzaak van een specifieke ervaring verantwoorden.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft aldus geoordeeld dat de specificiteit van de procedure voor het Hof van Cassatie het monopolie verantwoordde van de advocaten bij het Hof van Cassatie om het woord te nemen (EHRM, 8 februari 2000, Voisine t. Frankrijk, § 33; 26 juli 2002, Meftah e.a. t. Frankrijk, § 47). Het heeft eveneens geoordeeld dat, bij een burgerlijke rechtspleging voor een hoger rechtscollege, de verplichting om te worden vertegenwoordigd door een advocaat die tot dat rechtscollege wordt toegelaten, op zich niet onbestaanbaar is met de vereisten van artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EHRM., Emma Vogl t. Duitsland, 5 december 2002, rolnr. 65.863/01).

B.11.3. Hoewel het recht op toegang tot een rechter fundamenteel is in een rechtsstaat, is het evenwel niet absoluut (EHRM, 21 februari 1975, Golder t. Verenigd Koninkrijk, § 38).

Het recht op toegang tot de rechter kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden (EHRM, 19 juni 2001, Kreuz t. Polen, § 54; EHRM, 11 oktober 2001, Rodriguez Valin t. Spanje, § 22; EHRM, 10 januari 2006, Teltronic CATV t. Polen, § 47), voor zover ze voorspelbaar zijn en ze niet ertoe leiden dat dit recht op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern ervan wordt aangetast en de rechtsonderhorige wordt verhinderd gebruik te maken van een beschikbaar rechtsmiddel (EHRM, 12 november 2002, Zvolská en Zvolskss t. Tsjechische Republiek, § 47).

B.12.1. Zoals in de parlementaire voorbereiding van de wet van 14 februari 2014 werd onderstreept, is « het verplichte optreden van een advocaat om het cassatieberoep te ondertekenen - hij moet speciaal opgeleid zijn in die specifieke techniek - een essentieel gegeven van het wetsvoorstel » (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-1832/4, p. 18).

Het cassatieberoep in strafzaken staat open voor iedere advocaat op voorwaarde dat hij houder is van het vereiste getuigschrift van een opleiding; die regeling onderscheidt zich bijgevolg van de voorziening in burgerlijke zaken, die in principe het beroep op een advocaat bij het Hof van Cassatie vereist, alsook van het cassatieberoep in fiscale zaken, waarvoor het beroep op een advocaat, maar niet een advocaat bij het Hof van Cassatie, vereist is.

Uit de in B.9.2 aangehaalde parlementaire voorbereiding, alsook uit het koninklijk besluit van 10 oktober 2014, waarnaar in B.10 wordt verwezen, blijkt bovendien dat die opleiding, van hoogstens twintig uur, een actieve deelname van de advocaat vergt, waarbij die evenwel wordt beperkt tot de basisaspecten van de cassatieprocedure en kan worden opgenomen in de permanente vorming van de advocaten.

B.12.2. Het cassatieberoep is een buitengewoon rechtsmiddel waardoor een partij in de mogelijkheid wordt gesteld om, wegens schending van de wet of wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, de vernietiging te vorderen van een in laatste aanleg gewezen beslissing.

B.12.3. Door de vereiste van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures op te leggen, heeft de wetgever een maatregel genomen die in verhouding staat met de gewettigde doelstellingen van de hervorming uitgevoerd bij de wet van 14 februari 2014, vermeld in B.9.1, die ertoe strekt een toevloed van kennelijk ongegronde cassatieberoepen in strafzaken te beletten en tegelijk, omwille van de belangen van de rechtzoekende en de goede werking van het gerecht, een hoge kwaliteit te waarborgen van de voor het Hof van Cassatie neergelegde proceduregeschriften : de advocaat die aldus in die zeer specifieke materie is opgeleid, zal de kansen en eventuele negatieve gevolgen van een voorziening immers beter kunnen inschatten, waarbij hij aldus zijn cliënt ten volle kan informeren.

Die maatregel is verantwoord door zowel het buitengewone karakter als de specifieke draagwijdte en de bijzondere gevolgen van dat rechtsmiddel. In plaats van de rechten van de rechtzoekenden te beperken, draagt hij integendeel bij tot de bescherming van hun rechten en belangen.

B.13.1. Die vereiste van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures vormt een relevante maatregel en brengt geen enkele discriminatie met zich mee, noch ten aanzien van de administratieve cassatieprocedure, noch ten aanzien van de advocaten die zouden voldoen aan de ervaringsvoorwaarden om te worden benoemd tot staatsraad, bedoeld in artikel 70, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

Enerzijds, hoewel de cassatieprocedure in strafzaken voor het Hof van Cassatie en de administratieve cassatieprocedure voor de Raad van State in bepaalde opzichten met elkaar kunnen worden vergeleken, bestaan er tussen die procedures evenwel objectieve verschillen die verantwoorden dat de ontvankelijkheidsvoorwaarden verschillend zijn.

Anderzijds staat het feit te voldoen aan de voorwaarden om eventueel te worden benoemd tot staatsraad, los van de regels inzake de ontvankelijkheid van een cassatieberoep in strafzaken.

B.13.2. Het tweede, het derde en het vierde onderdeel van het eerste middel zijn niet gegrond.

B.14.1. Volgens de verzoekende partijen zullen de bestreden bepalingen onevenredige gevolgen hebben door de rechtzoekende ertoe te verplichten van advocaat te veranderen wanneer hij cassatieberoep wenst in te stellen, in de hypothese dat zijn oorspronkelijke advocaat niet beschikt over het vereiste getuigschrift.

B.14.2. Zoals in B.11 erop is gewezen, omvat het recht op een eerlijk proces niet het recht zich te laten bijstaan door een advocaat naar keuze gedurende de hele procedure, met name voor het instellen van buitengewone beroepen, die geen derde aanleg vormen.

Er dient evenwel te worden nagegaan of de vereiste van een getuigschrift voor de advocaat om cassatieberoep te kunnen instellen, niet ertoe leidt het recht op het instellen van cassatieberoep in strafzaken te beperken, in die mate dat het in wezen wordt aangetast. Het is derhalve noodzakelijk dat die ontvankelijkheidsvoorwaarde niet leidt tot een onevenredige beperking van de mogelijkheid om in strafzaken cassatieberoep in te stellen.

Dat zou het geval zijn indien, op het ogenblik van de inwerkingtreding van de vereiste van een getuigschrift van een opleiding, de mogelijkheid om de opleiding te volgen die leidt tot het behalen van het vereiste getuigschrift, dermate beperkt zou zijn dat alle belangstellende advocaten niet de gelegenheid zouden hebben gehad die opleiding te volgen. In een dergelijke hypothese zou het recht van de rechtzoekende om cassatieberoep in strafzaken in te stellen, kunnen worden belemmerd.

B.14.3. Zoals wordt onderstreept in de parlementaire voorbereiding aangehaald in B.9.2, alsook in het Verslag aan de Koning dat voorafgaat aan het koninklijk besluit van 10 oktober 2014, waarnaar in B.10 wordt verwezen, bestond het doel van de wetgever erin het iedere belangstellende advocaat mogelijk te maken de opleiding in cassatieprocedures te volgen die in overleg met de verschillende actoren op dat gebied wordt georganiseerd.

Het is met dat precieze doel dat de inwerkingtreding van de vereiste van het getuigschrift van een opleiding bedoeld in het bestreden artikel 425, § 1, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, is uitgesteld overeenkomstig artikel 50, tweede lid, van de wet van 14 februari 2014.

B.14.4. Gelet op dat doel, maar ook gelet op de doelstellingen die zijn vermeld in B.4, B.9.1 en B.9.2, vermocht de wetgever redelijkerwijs erin te voorzien dat artikel 425, § 1, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering pas op 1 februari 2016 in werking zou treden.

Het staat bijgevolg aan de overheden die zijn belast met de tenuitvoerlegging van de bestreden wet om, onder het toezicht van de bevoegde rechter, de maatregelen te nemen die nodig zijn opdat een voldoende aantal advocaten de vereiste opleiding kunnen volgen.

B.14.5. Het eerste onderdeel van het eerste middel is niet gegrond.

B.15.1. Voor het overige, zonder dat dient te worden nagegaan of het door de verzoekende partijen aangevoerde wettigheidsbeginsel ter zake kan worden toegepast, volstaat het vast te stellen dat dat beginsel niet zover kan gaan dat het vereist dat de wetgever de verschillende aspecten van de opleiding van de advocaten zelf regelt; integendeel, aan de Koning de zorg toevertrouwen om de criteria van die opleiding vast te stellen, in overleg met de betrokken actoren, maakt het mogelijk de organisatie ervan op adequate wijze aan te passen in het licht van de door de wetgever nagestreefde doelstellingen.

B.15.2. Het vijfde onderdeel van het eerste middel is niet gegrond.

B.16.1. Ten slotte beletten de bestreden bepalingen niet dat de personen die voldoen aan de wettelijke voorwaarden om de juridische bijstand te genieten, daarop een beroep te doen, zodat de rechten gewaarborgd bij artikel 23 van de Grondwet niet zijn geschonden. Er is evenmin afbreuk gedaan aan het standstill-beginsel dat die bepaling inzake juridische bijstand bevestigt. Hoewel de bestreden wet een verplichting invoert om een beroep te doen op een advocaat die houder is van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures, doet zij immers geen afbreuk aan het stelsel van de juridische bijstand dat is ingevoerd bij de vroegere wetgeving.

B.16.2. De eventuele praktische moeilijkheden die zouden kunnen voortvloeien uit de onmogelijkheid om ambtshalve een advocaat aan te wijzen die houder is van het vereiste getuigschrift, vallen niet onder de controle van het Hof.

B.16.3. Het tweede middel is niet gegrond.

Wat het vierde middel betreft

B.17. Het vierde middel is gericht tegen de termijn van vijftien dagen na de uitspraak om cassatieberoep in te stellen, in zoverre die zeer korte termijn aanvangt vanaf het ogenblik dat de adressaat niet beschikt over de tekst van de hem betreffende beslissing, terwijl, wanneer de beslissing bij verstek is uitgesproken, de termijn om cassatieberoep in te stellen, ingaat vanaf de betekening van een vonnis of een arrest, overeenkomstig artikel 424 van het Wetboek van strafvordering.

B.18.1. Artikel 423 van het Wetboek van strafvordering stelt het aanvangspunt van de termijn van cassatieberoep vast op de uitspraak van de beslissing.

In de parlementaire voorbereiding van die bepaling wordt uiteengezet :

« Het voorgestelde artikel 423 voorziet in dezelfde termijn als de termijnen bedoeld in de artikelen 251, dat door dit voorstel van wet wordt opgeheven, en 359.

Het gaat om een algemene regel : voor een op tegenspraak gewezen beslissing vormt de uitspraak van de bestreden beslissing het begin van de termijn.

De essentiële wijziging bestaat in de schrapping van de term ' vrije ' termijn.

De berekening van de termijn is in overeenstemming gebracht met het door het Gerechtelijk Wetboek ingevoerde stelsel » (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-1832/3, p. 20).

B.18.2. De termijn van vijftien dagen dient bijgevolg te worden berekend overeenkomstig de artikelen 52 en 53 van het Gerechtelijk Wetboek, namelijk « vanaf de dag na die van de akten die hen doen ingaan en [moet] de vervaldag bevatten » (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-1832/1, p. 12) : « Er is dus een verschil met de termijnen van het huidige artikel 359, die vrije termijnen zijn » (ibid.).

B.18.3. In de parlementaire voorbereiding van artikel 424 van het Wetboek van strafvordering wordt uiteengezet :

« Momenteel behandelt het Wetboek van strafvordering de cassatieberoepen ingesteld tegen de bij verstek gewezen beslissingen slechts ten dele. [...] Het voorgestelde artikel [424] moet het Wetboek wat dat betreft aanvullen.

Het is ook de bedoeling dat de bepaling rekening houdt met de rechtspraak ter zake. Ze voorziet erin dat wanneer de beslissing bij verstek gewezen is en voor verzet in aanmerking komt, een cassatieberoep daartegen slechts kan worden ingesteld wanneer de termijn voor verzet verstreken is, dat wil zeggen op een ogenblik dat verzet niet meer mogelijk is.

Elke andere oplossing zou problemen met zich brengen. De vraag zou rijzen welk van beide rechtsmiddelen - verzet of cassatieberoep - primeert. [...] Het is in het algemeen belangrijk te voorkomen dat gelijktijdig verscheidene rechtsmiddelen tegen eenzelfde beslissing worden uitgeoefend » (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-1832/1, p. 12).

Het verschil tussen het aanvangspunt van de termijn om cassatieberoep in te stellen tegen een op tegenspraak uitgesproken beslissing, en dat van een beslissing die bij verstek is uitgesproken, is bijgevolg verbonden met de mogelijkheid van verzet ten aanzien van een bij verstek gewezen beslissing, en met de zorg om de gelijktijdige uitoefening van verschillende rechtsmiddelen te beletten.

B.19.1. Zoals is vermeld in B.12.2 is het cassatieberoep een buitengewoon rechtsmiddel. In het kader van die opdracht treedt het Hof van Cassatie « niet in de beoordeling van de zaken zelf » (artikel 147 van de Grondwet). Krachtens artikel 359, vierde lid, van het Wetboek van strafvordering wordt de tenuitvoerlegging van de beslissing geschorst gedurende die termijn van vijftien dagen en, indien cassatieberoep is ingesteld, tot de uitspraak van het arrest van het Hof van Cassatie.

B.19.2. Rekening houdend met die schorsende werking van de termijn om de verklaring van cassatieberoep in te dienen, vermocht de wetgever ervan uit te gaan dat de termijn van vijftien dagen na de uitspraak van de beslissing volstond om de opportuniteit van het buitengewone beroep dat het cassatieberoep is, te beoordelen.

De keuze voor een termijn van vijftien dagen na de uitspraak van de beslissing stemt immers overeen met talrijke beroepstermijnen in strafzaken : dat geldt aldus voor de beroepstermijn voor de vonnissen van de politierechtbanken (artikel 172, derde lid, en 174 van het Wetboek van strafvordering) of voor de beroepstermijn voor de vonnissen van de correctionele rechtbank (artikel 203, § 1, van hetzelfde Wetboek).

Die maatregel is bovendien niet onevenredig, aangezien de termijn van vijftien dagen betrekking heeft op de verklaring van cassatieberoep, waarbij de verzoeker vervolgens beschikt over een termijn van twee maanden om de memorie met de cassatiemiddelen in te dienen (artikel 429 van het Wetboek van strafvordering).

Voor het overige is de vereiste van een specifieke opleiding in cassatieprocedures niet van dien aard dat zij die termijn, noch het aanvangspunt van die termijn, die bestonden in de wetgeving vóór de bestreden bepalingen, onevenredig maakt : die vereiste strekt immers ertoe dat de rechtzoekende wordt begeleid door een advocaat die beschikt over een getuigschrift van een opleiding, waarbij advocaten die belangstelling hebben voor het strafrechtelijk contentieux de gelegenheid hebben gehad die opleiding te volgen, gelet op hetgeen is vermeld in B.14.

B.19.3. Het vierde middel is niet gegrond.

Wat het derde middel betreft

B.20. Volgens de verzoekende partijen houden de bestreden bepalingen een discriminerende schending in van de richtlijn 2013/48/EU, dat het recht op toegang tot een advocaat waarborgt, en dat het recht zou inhouden om eenzelfde advocaat voor de hele strafprocedure te kiezen, alsook een verbod van achteruitgang in dat recht ten opzichte van de datum van inwerkingtreding van de richtlijn (eerste onderdeel); de nieuwe regeling zou eveneens, op discriminerende wijze, artikel 9 van het Verdrag van Aarhus schenden, dat een recht op toegang tot het gerecht bevestigt, waarbij moet worden voorkomen dat de kostprijs van de procedures onbetaalbaar is (tweede onderdeel), alsook een schending inhouden van de verplichting om de rechten die ter zake bestonden op het ogenblik van de inwerkingtreding van dat Verdrag, niet te beperken (derde onderdeel).

In hun memorie van antwoord stellen de verzoekende partijen voor vier prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

B.21. Zonder dat dient te worden nagegaan of het cassatieberoep in strafzaken onder het toepassingsgebied valt van de verdragsbepalingen die de verzoekende partijen aanvoeren, volstaat het vast te stellen, om de hiervoor vermelde redenen, dat de bestreden bepalingen noch het recht op toegang tot een rechter, noch het recht op toegang tot een advocaat schenden, en dat zij bijgevolg geen achteruitgang in de erkenning van die rechten kunnen inhouden.

Er dienen dus geen prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te worden gesteld.

B.22. Het derde middel is niet gegrond.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt de beroepen.

Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 16 juli 2015.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

J. Spreutels