Grondwettelijk Hof (Arbitragehof): Arrest aus 17 September 2015 (België). RG 121/2015

Datum :
17-09-2015
Taal :
Duits Frans Nederlands
Grootte :
7 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel D-20150917-1
Rolnummer :
121/2015

Samenvatting :

Der Gerichtshof erkennt für Recht: Artikel 42quater § 4 Nr. 4 des Gesetzes vom 15. Dezember 1980 über die Einreise ins Staatsgebiet, den Aufenthalt, die Niederlassung und das Entfernen von Ausländern, an sich oder in Verbindung mit Artikel 11 desselben Gesetzes, verstößt nicht gegen die Artikel 10, 11 und 22 der Verfassung, an sich oder in Verbindung mit den Artikeln 8 und 14 der Europäischen Menschenrechtskonvention.

Arrest :

Selecteer tekst om te onderstrepen of annotaties te maken bij het document

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest nr. 130.877 van 6 oktober 2014 in zake F. E.Y. tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 8 oktober 2014, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 42quater, § 4, 4°, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 11 van diezelfde wet van 15 december 1980, zoals het van toepassing was op het ogenblik van de bestreden handeling, de artikelen 10, 11, 22 en 191 van de Grondwet en/of de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in die zin dat de echtgenoot of de partner, onderdaan van een derde land, die een recht heeft genoten op gezinshereniging met een onderdaan van een derde land die tot het verblijf in België is toegelaten of gemachtigd, en die het slachtoffer is van huiselijk geweld, wanneer de gezamenlijke vestiging zou zijn beëindigd, zijn verblijfsrecht kan behouden op beslissing van de minister, zelfs indien niet meer wordt voldaan aan de verblijfsvoorwaarden (artikel 11, laatste lid, van de wet van 15 december 1980), terwijl de echtgenoot of partner, onderdaan van een derde land, van een Europese burger of van een Belgische burger die een recht heeft genoten op de gezinshereniging met een Europese onderdaan of met een Belgische burger, en die het slachtoffer van huiselijk geweld is, wanneer de gezamenlijke vestiging is beëindigd en naast het bewijs van het huiselijk geweld, moet aantonen dat hij werknemer of zelfstandige in België is of dat hij over voldoende bestaansmiddelen beschikt, zoals bedoeld in artikel 40, § 4, tweede lid, voor hemzelf en voor zijn familieleden, om te voorkomen dat hij tijdens zijn verblijf ten laste komt van het socialebijstandsstelsel van het Rijk, alsook over een ziektekostenverzekering die alle risico's in het Rijk dekt, of dat hij lid is van een reeds in het Rijk gevormde familie van een persoon die aan die voorwaarden voldoet (artikel 42quater, § 4, 4°, van de wet van 15 december 1980), zodat die laatstgenoemde zonder objectieve, redelijke noch evenredige verantwoording anders wordt behandeld ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Zoals het van toepassing is op het voor de verwijzende rechter hangende geschil bepaalt artikel 42quater van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » :

« § 1. Er kan gedurende de eerste twee jaar van hun verblijf in de hoedanigheid van familielid van de burger van de Unie een einde gesteld worden aan het verblijfsrecht van de familieleden van een burger van de Unie die zelf geen burger van de Unie zijn, door de minister of zijn gemachtigde in de volgende gevallen :

1° er wordt, op basis van artikel 42bis, § 1, een einde gesteld aan het verblijfsrecht van de burger van de Unie die zij begeleid of vervoegd hebben;

2° de burger van de Unie die zij begeleid of vervoegd hebben, vertrekt uit het Rijk;

3° de burger van de Unie die zij begeleid of vervoegd hebben, overlijdt;

4° het huwelijk met de burger van de Unie die zij begeleid of vervoegd hebben, wordt ontbonden of nietig verklaard, het geregistreerd partnerschap dat aangegaan werd, zoals bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° of 2°, wordt beëindigd, of er is geen gezamenlijke vestiging meer;

5° de familieleden van een burger van de Unie, bedoeld in artikel 40, § 4, eerste lid, 2° of 3°, vormen een onredelijke belasting voor het sociale bijstandsstelsel van het Rijk.

In de loop van het derde jaar van hun verblijf als familielid van de burger van de Unie, vermeld in artikel 40, § 4, eerste lid, 1° en 2°, volstaat de motivering, gebaseerd op een in het eerste lid bedoeld element, enkel indien zij aangevuld wordt met elementen die wijzen op een schijnsituatie. Hetzelfde geldt voor familieleden van de burger van de Unie, bedoeld in artikel 40, § 4, eerste lid, 3°, in de loop van het derde tot het vijfde jaar van hun verblijf.

§ 2. De in § 1, eerste lid, 2° en 3°, bedoelde gevallen zijn niet van toepassing op kinderen van de burger van de Unie die in het Rijk verblijven en aan een onderwijsinstelling zijn ingeschreven alsmede op de ouder die de bewaring heeft van de kinderen, dit tot hun studie voltooid is.

§ 3. Het in § 1, eerste lid, 3°, bedoelde geval is niet van toepassing op de familieleden die ten minste één jaar in het Rijk verbleven hebben in de hoedanigheid van een familielid van de burger van de Unie, en voor zover betrokkenen aantonen werknemer of zelfstandige te zijn in België, of voor zichzelf en hun familieleden te beschikken over voldoende bestaansmiddelen zoals bedoeld in artikel 40, § 4, tweede lid, om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste vallen van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk en te beschikken over een ziektekostenverzekering die alle risico's in België dekt, of lid te zijn van een in het Rijk gevormde familie van een persoon die aan deze voorwaarden voldoet.

§ 4. Onder voorbehoud van het bepaalde in § 5 is het in § 1, eerste lid, 4°, bedoelde geval niet van toepassing indien :

1° hetzij het huwelijk, het geregistreerd partnerschap of de gezamenlijke vestiging bij de aanvang van de gerechtelijke procedure tot ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of bij de beëindiging van het geregistreerd partnerschap of de gezamenlijke vestiging, ten minste drie jaar heeft geduurd, waarvan minstens één jaar in het Rijk;

2° hetzij het recht van bewaring van de kinderen van de burger van de Unie, die in het Rijk verblijven, bij overeenkomst tussen de echtgenoten of de partners, bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° of 2°, dan wel bij gerechtelijke beslissing is toegewezen aan de echtgenoot of partner die geen burger van de Unie is;

3° hetzij het omgangsrecht met een minderjarig kind, bij overeenkomst tussen de echtgenoten of partners als bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° of 2°, dan wel bij gerechtelijke beslissing is toegewezen aan de echtgenoot of partner, bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° en 2°, die geen burger van de Unie is en de rechter heeft bepaald dat dit recht van bewaring moet uitgeoefend worden in het Rijk en dit zolang het nodig is;

4° hetzij bijzonder schrijnende situaties dit rechtvaardigen, bijvoorbeeld indien het familielid tijdens het huwelijk of het geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° en 2°, het slachtoffer is geweest van huiselijk geweld;

en voor zover betrokkenen aantonen werknemer of zelfstandige te zijn in België, of voor zichzelf en hun familieleden te beschikken over voldoende bestaansmiddelen, bedoeld in artikel 40, § 4, tweede lid, om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste vallen van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk en beschikken over een ziektekostenverzekering die alle risico's in België dekt, of lid zijn van een in het Rijk gevormde familie van een persoon die aan deze voorwaarden voldoet.

§ 5. De minister of zijn gemachtigde kan zonodig controleren of aan de naleving van de voorwaarden voor de uitoefening van het verblijfsrecht is voldaan ».

B.1.2. Die bepaling is van toepassing op de vreemdelingen, familieleden van een Belg die zij begeleiden of bij wie zij zich voegen, op grond van artikel 40ter van de in het geding zijnde wet.

B.1.3. Op het ogenblik van het aannemen van de voor de verwijzende rechter bestreden beslissing bepaalde artikel 11 van dezelfde wet :

« § 1. De minister of zijn gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die verklaart dat hij zich in één der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, in één van de volgende gevallen niet het recht heeft het Rijk binnen te komen of in het Rijk te verblijven :

1° de vreemdeling voldoet niet of niet meer aan één van de voorwaarden van artikel 10;

2° de vreemdeling en de vreemdeling die vervoegd wordt, onderhouden niet of niet meer een werkelijk huwelijks- of gezinsleven;

3° met uitzondering van afwijkingen, die worden voorzien door een internationaal verdrag, bevindt de vreemdeling zich in één der gevallen voorzien in artikel 3, 5° tot 8°, of hij lijdt aan één van de ziekten die een gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren en die worden opgesomd in de bijlage aan deze wet;

4° de vreemdeling heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt, of heeft fraude gepleegd of onwettige middelen gebruikt die van doorslaggevend belang zijn geweest om te worden toegelaten tot een verblijf, of het staat vast dat het huwelijk, het partnerschap of de adoptie uitsluitend afgesloten werden opdat de betrokken vreemdeling het Rijk zou kunnen binnenkomen of er verblijven.

In het geval van de familieleden van een erkende vluchteling, met wie de bloed- of aanverwantschapsbanden al bestonden vóór hij het Rijk betrad, mag de beslissing niet uitsluitend worden gebaseerd op het ontbreken van de officiële documenten die de bloed- of aanverwantschapsbanden aantonen, overeenkomstig artikel 30 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht of de internationale overeenkomsten betreffende dezelfde materie.

In voorkomend geval vermeldt de beslissing de bepaling van artikel 3 die werd toegepast.

§ 2. De minister of zijn gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die op grond van artikel 10 toegelaten werd tot een verblijf in het Rijk in één van de volgende gevallen niet meer het recht heeft om in het Rijk te verblijven :

1° de vreemdeling voldoet niet meer aan één van de voorwaarden van artikel 10;

2° de vreemdeling en de vreemdeling die vervoegd werd, onderhouden niet of niet meer een werkelijk huwelijks- of gezinsleven;

3° de vreemdeling, die toegelaten werd tot een verblijf in het Rijk in de hoedanigheid van geregistreerde partner op grond van artikel 10, § 1, 4° of 5°, of de vreemdeling die vervoegd werd, is in het huwelijk getreden of heeft een duurzame relatie met een andere persoon;

4° de vreemdeling heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt, of heeft fraude gepleegd of onwettige middelen gebruikt die van doorslaggevend belang zijn geweest voor de erkenning van het recht op verblijf, of het staat vast dat het huwelijk, het partnerschap of de adoptie uitsluitend afgesloten werden opdat de betrokken vreemdeling het Rijk zou kunnen binnenkomen of er verblijven.

De op het punt 1°, 2° of 3° gebaseerde beslissing mag enkel getroffen worden gedurende de periode waarin de vreemdeling toegelaten is tot een verblijf voor beperkte duur. In dit verband vormen de redenen vermeld in het punt 1°, 2° of 3° een voldoende motivering gedurende de eerste twee jaren na de afgifte van de verblijfstitel of, in de gevallen bedoeld in artikel 12bis, §§ 3 of 4, na de afgifte van het document dat bewijst dat de aanvraag werd ingediend. In de loop van het derde jaar na de afgifte van de verblijfstitel of in de gevallen bedoeld in artikel 12bis, §§ 3 of 4, na de afgifte van het document dat bewijst dat de aanvraag werd ingediend, volstaat deze motivering enkel indien zij aangevuld wordt met elementen die wijzen op een schijnsituatie.

De minister of diens gemachtigde kan met het oog op een verlenging of vernieuwing van de verblijfstitel, controles verrichten of laten verrichten om na te gaan of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden van artikel 10. Hij kan op elk moment specifieke controles verrichten of laten verrichten in geval van gegronde vermoedens van fraude of dat het huwelijk, het partnerschap of de adoptie tot stand is gekomen om voor de betrokken persoon toegang tot of verblijf in het Rijk te bekomen.

De minister of zijn gemachtigde houdt in het bijzonder rekening met de situatie van personen die het slachtoffer zijn van geweld in de familie, die het huishouden verlaten hebben en bescherming nodig hebben. In deze gevallen zal hij de betrokken persoon op de hoogte brengen van zijn beslissing om geen einde te stellen aan zijn verblijf, op basis van het eerste lid, 1°, 2° of 3° ».

B.2.1. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt aan het Hof een vraag over de bestaanbaarheid van artikel 42quater, § 4, 4°, van de in het geding zijnde wet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 11 van diezelfde wet, met de artikelen 10, 11, 22 en 191 van de Grondwet, alsook in voorkomend geval met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in die interpretatie dat de echtgenoot of de partner, niet-Europese vreemdeling, die het recht op gezinshereniging met een andere niet-Europese vreemdeling heeft genoten en het slachtoffer is van huiselijk geweld, op grond van artikel 11 van de in het geding zijnde wet zijn verblijfsrecht kan behouden, ondanks de beëindiging van de gezamenlijke vestiging en zelfs indien niet meer wordt voldaan aan de verblijfsvoorwaarden, terwijl de echtgenoot of de partner, niet-Europese vreemdeling, die het recht op gezinshereniging met een Belg of een Europese vreemdeling heeft genoten en het slachtoffer is van huiselijk geweld, om het behoud van zijn verblijfsrecht in geval van beëindiging van de gezamenlijke vestiging te genieten, moet voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 42quater, § 4, laatste lid.

B.2.2. Het is in die interpretatie dat het Hof de prejudiciële vraag beantwoordt, vraag die uitsluitend betrekking heeft op paragraaf 4 van artikel 42quater van de in het geding zijnde wet.

B.2.3. Het voor de verwijzende rechter hangende geschil betreft de echtgenote van een Belg. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese.

B.3.1. Artikel 191 van de Grondwet bepaalt :

« Iedere vreemdeling die zich op het grondgebied van België bevindt, geniet de bescherming verleend aan personen en aan goederen, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen ».

Artikel 191 van de Grondwet kan enkel zijn geschonden in zoverre de in het geding zijnde bepaling een verschil in behandeling instelt tussen bepaalde vreemdelingen en de Belgen. Vermits de in het geding zijnde bepaling een verschil in behandeling instelt tussen twee categorieën van vreemdelingen, kan enkel de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet worden aangevoerd.

B.3.2. In zoverre de prejudiciële vraag de schending van artikel 191 van de Grondwet aanvoert, is zij niet ontvankelijk.

B.4. Het Hof is overigens niet bevoegd om rechtstreeks toe te zien op de bestaanbaarheid van een wetsbepaling met de bepalingen van internationaal recht, zoals de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het houdt niettemin rekening met die bepalingen bij het toetsen van een wetsbepaling aan de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet.

B.5.1. Op grond van de in het geding zijnde bepaling kan de bevoegde minister of zijn gemachtigde een einde maken aan het verblijfsrecht van de onderdaan van een Staat die geen lid is van de Europese Unie, die ertoe gemachtigd is op het grondgebied te verblijven als echtgenoot van een Belg, wanneer, in de loop van de eerste twee jaren, de gezamenlijke vestiging wordt beëindigd. De bevoegde minister of zijn gemachtigde kan dit evenwel niet wanneer de betrokken vreemdeling het slachtoffer is geweest van huiselijk geweld en wanneer hij werkt of een ziekteverzekering geniet die alle risico's in België dekt en hij beschikt over voldoende bestaansmiddelen voor hem en zijn familieleden teneinde geen last te worden voor het socialebijstandsstelsel in België of wanneer hij lid is van een reeds in België gevormde familie van een persoon die aan die voorwaarden voldoet.

B.5.2. Hieruit vloeit voort dat de niet-Europese vreemdeling die niet langer samenwoont met zijn Belgische echtgenoot wegens het huiselijk geweld dat hij heeft ondergaan, doordat hij niet meer beantwoordt aan de voormelde voorwaarden, niet beschikt over een recht op het behoud van zijn verblijf, dat tegenstelbaar is aan de bevoegde overheid. Hij verliest evenwel niet automatisch zijn verblijfsrecht. Het staat immers aan de bevoegde minister of aan zijn gemachtigde om te bepalen of onder dergelijke voorwaarden een einde moet worden gemaakt aan het verblijfsrecht van de betrokkene.

Zoals in de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling wordt opgemerkt, somt paragraaf 1 van artikel 42quater « de gevallen op waarin in principe een einde kan worden gemaakt aan het verblijf » van de familieleden van een Europese burger, onderdanen van een Staat die geen lid is van de Unie, waarbij die bepaling « de minister of diens gemachtigde [toestaat] » om zulks te doen wanneer het familielid van de Europese burger « niet meer voldoet aan de voorwaarden die gesteld zijn aan zijn verblijf, in overeenstemming met de bepalingen van de richtlijn [2004/38/EG] » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2845/001, pp. 53-54).

B.5.3. Door aan de minister of zijn gemachtigde een beoordelingsbevoegdheid te geven, laat de wetgever hem niet toe die op een willekeurige wijze of met overtreding van de grondwettelijke regels uit te oefenen.

De bevoegde minister of zijn gemachtigde beschikt ter zake over een discretionaire bevoegdheid, bij de uitoefening waarvan hij rekening moet houden met alle elementen die hem ter kennis zijn gebracht en met name met de redenen waarom de in het geding zijnde vreemdeling ertoe is gebracht een einde te maken aan de gezamenlijke vestiging met zijn Belgische echtgenoot. In dat opzicht zal de bevoegde minister of zijn gemachtigde ertoe worden gebracht rekening te houden met het huiselijk geweld dat de betrokken vreemdeling heeft geleden, op dezelfde wijze als hij daarmee rekening houdt op grond van artikel 11 van de in het geding zijnde wet.

B.5.4. Hieruit vloeit voort dat het in de prejudiciële vraag aangevoerde verschil in behandeling niet bestaat.

B.6. De in het geding zijnde bepaling is niet onbestaanbaar met artikel 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, om de enige reden, vermeld in de verwijzingsbeslissing, dat de toepassing ervan ertoe kan leiden dat een einde wordt gemaakt aan het verblijfsrecht van de betrokken vreemdeling.

Het recht op de eerbiediging van het privé- en gezinsleven houdt immers geen algemene verplichting in om een verblijfsrecht toe te kennen aan een vreemdeling die met een Belg is gehuwd (zie EHRM, grote kamer, 3 oktober 2014, Jeunesse t. Nederland, § 107) en belet niet dat de gezinshereniging aan voorwaarden wordt onderworpen.

Gelet op hetgeen is vermeld in B.5.3, is de inmenging in het privé- en gezinsleven van de vreemdeling, die gehuwd is met een Belg en het slachtoffer is van huiselijk geweld, inmenging die voortvloeit uit de in het geding zijnde bepaling, redelijk verantwoord. De bevoegde minister of zijn gemachtigde zal immers ook rekening moeten houden met de mogelijke impact van een beslissing waarbij die vreemdeling zijn verblijfsrecht wordt ontnomen, op zijn privéleven of zijn gezinsleven bij de uitoefening van de discretionaire bevoegdheid die hem is toegekend bij artikel 42quater, § 1, van de in het geding zijnde wet.

B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 42quater, § 4, 4°, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 11 van dezelfde wet, schendt niet de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 17 september 2015.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

J. Spreutels