Grondwettelijk Hof (Arbitragehof): Arrest aus 23 Februar 2017 (België). RG 29/2017

Datum :
23-02-2017
Taal :
Duits Frans Nederlands
Grootte :
10 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel D-20170223-3
Rolnummer :
29/2017

Samenvatting :

Der Gerichtshof erkennt für Recht: Die Artikel 568, 602, 608, 1050 und 1073 des Gerichtsgesetzbuches verstoßen nicht gegen die Artikel 10, 11 und 13 der Verfassung, an sich oder in Verbindung mit deren Artikeln 146 und 160, mit den Artikeln 6 und 13 der Europäischen Menschenrechtskonvention, mit Artikel 14 Absatz 1 des Internationalen Paktes über bürgerliche und politische Rechte und mit dem allgemeinen Rechtsgrundsatz der Unabhängigkeit und Unparteilichkeit des Richters.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters E. De Groot en J. Spreutels, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter E. De Groot,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

a. Bij arrest van 21 december 2015 in zake Viviane Goyens en Paul Robben tegen de Belgische Staat en anderen, in zake het Vlaamse Gewest tegen Viviane Goyens en Paul Robben, in aanwezigheid van de stedenbouwkundige inspecteur van het Vlaamse Gewest en anderen en in zake Viviane Goyens en Paul Robben tegen de Belgische Staat en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 31 december 2015, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« 1. Schenden de artikelen 568, 602, 608, 1050 en 1073 uit het Gerechtelijk Wetboek in hun samenhang de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) en met artikel 14.1 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (BUPO) in zoverre een procespartij die een gekwalificeerde fout verwijt aan de Belgische Staat wegens een rechtsprekende handeling van het Hof van Cassatie het geding moet voeren in een rechtsgang waarin het orgaan die de beweerde fout beging zelf de uitlegging van het foutbegrip, toegepast op haar beweerd eigen foutief handelen, decisief kan beïnvloeden, terwijl in alle andere gevallen het orgaan van de Belgische Staat dat de aansprakelijkheid veroorzaakt niet in die beoordeling kan treden ?

2. Schenden de artikelen 568, 602, 608, 1050 en 1073 uit het Gerechtelijk Wetboek in hun samenhang, in het licht van het recht op een eerlijk proces en het recht op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter, artikel 13 van de Grondwet, in samenhang met de artikelen 146 en 160 van de Grondwet, artikel 6.1, van het EVRM en artikel 14.1 van het BUPO-Verdrag en het algemeen rechtsbeginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter, doordat de beslissing van de bodemrechter aan wie een aansprakelijkheidsvordering wegens het rechtsprekend handelen of nalaten van het Hof van Cassatie ter beoordeling kan worden voorgelegd, wordt onderworpen aan het toezicht van die cassatierechter in het algemeen of op het punt van de uitlegging van de voorschriften die de aansprakelijkheidsvordering beheersen ? ».

b. Bij arrest van 23 december 2015 in zake Lucio Aquino tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 31 december 2015, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« 1. Schenden de artikelen 568, 602, 608, 1050 en 1073 uit het Gerechtelijk Wetboek in hun samenhang de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) en met artikel 14.1 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (BUPO) in zoverre een procespartij die een gekwalificeerde fout verwijt aan de Belgische Staat wegens een rechtsprekende handeling van het Hof van Cassatie, het geding moet voeren in een rechtsgang waarin het orgaan die de beweerde fout beging zelf de uitkomst van het geding kan beïnvloeden, terwijl in alle andere gevallen het orgaan van de Belgische Staat dat de aansprakelijkheid veroorzaakt niet in die beoordeling kan treden ?

2. Schenden de artikelen 568, 602, 608, 1050 en 1073 uit het Gerechtelijk Wetboek in hun samenhang, in het licht van het recht op een eerlijk proces en het recht op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter, artikel 13 van de Grondwet, in samenhang met de artikelen 146 en 160 van de Grondwet, artikel 6.1, van het EVRM en artikel 14.1 van het BUPO-Verdrag en het algemeen rechtsbeginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter, doordat de beslissing van de bodemrechter aan wie een aansprakelijkheidsvordering wegens het rechtsprekend handelen of nalaten van het Hof van Cassatie ter beoordeling moet worden voorgelegd, wordt onderworpen aan het toezicht van die cassatierechter in het algemeen of op punten van de uitlegging van de voorschriften die de aansprakelijkheidsvordering beheersen ? ».

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 6323 en 6324 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. In de geschillen ten gronde moeten de verwijzende rechters zich uitspreken over een aansprakelijkheidsvordering tegen de Belgische Staat op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, wegens een beweerde fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie door het Hof van Cassatie.

In de zaak nr. 6323 wordt het Hof van Cassatie een fout verweten wegens de weigering een memorie in aanmerking te nemen die in opdracht van de advocaat van een procespartij was ondertekend door een andere advocaat, doch waarbij die laatste haar hoedanigheid van advocaat niet had vermeld. In de zaak nr. 6324 wordt het Hof van Cassatie een fout verweten wegens miskenning van het Europees Unierecht omdat het zonder motivering zou hebben geweigerd een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie, doordat de memorie waarin het verzoek daartoe werd gedaan, laattijdig zou zijn ingediend.

Vooraleer de verwijzende rechters zich uitspreken over de aansprakelijkheidsvorderingen, achten zij het aangewezen het Hof prejudiciële vragen te stellen. De rechter in de zaak nr. 6324 stelt in dezelfde verwijzingsbeslissing ook drie prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

B.2.1. Met betrekking tot de mogelijke aansprakelijkheid van de Staat voor een fout begaan door het Hof van Cassatie in de uitoefening van zijn rechtsprekende functie verwijzen de rechters ten gronde naar het arrest nr. 99/2014 van 30 juni 2014.

B.2.2. Bij dat arrest oordeelde het Hof :

« Artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het belet dat de Staat aansprakelijk kan worden gesteld wegens een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie door een rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak heeft gedaan, zolang die beslissing niet is ingetrokken, herroepen, gewijzigd of vernietigd, zelfs al bestaat die fout in een voldoende gekwalificeerde schending van de toepasselijke rechtsregels en zelfs al maakt die fout, gelet op de beperkte rechtsmiddelen die tegen de genoemde beslissing openstaan, het niet mogelijk de vernietiging ervan te verkrijgen.

Dezelfde bepaling schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, indien zij in die zin wordt geïnterpreteerd dat zij niet belet dat de Staat aansprakelijk kan worden gesteld wegens een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie door een rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak heeft gedaan, zolang die beslissing niet is ingetrokken, herroepen, gewijzigd of vernietigd, wanneer die fout bestaat in een voldoende gekwalificeerde schending van de toepasselijke rechtsregels en wanneer die fout, gelet op de beperkte rechtsmiddelen die tegen de genoemde beslissing openstaan, het niet mogelijk maakt de vernietiging ervan te verkrijgen ».

B.2.3. Volgens de verwijzende rechters kan er, gelet op het voormelde arrest, geen twijfel over bestaan dat een vordering zoals die welke door de partijen in de geschillen ten gronde werd ingesteld, in beginsel zou kunnen leiden tot een vaststelling van de aansprakelijkheid van de Staat op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek voor een fout begaan door het Hof van Cassatie in de uitoefening van zijn rechtsprekende functie. Niettemin rijzen volgens de verwijzende rechters vragen in het licht van het recht op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter, wanneer procespartijen die een dergelijke aansprakelijkheidsvordering instellen, worden geconfronteerd met het gegeven dat, wanneer tegen de beslissing van de burgerlijke rechter een voorziening in cassatie wordt ingesteld, het Hof van Cassatie zelf een beslissende invloed zou kunnen hebben in de beoordeling van zijn beweerde eigen foutieve handelen.

B.3.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de artikelen 568, 602, 608, 1050 en 1073 van het Gerechtelijk Wetboek.

B.3.2. De artikelen 568, 602 en 608, vervat in het derde deel (« Bevoegdheid »), van het Gerechtelijk Wetboek bepalen :

« Art. 568. De rechtbank van eerste aanleg neemt kennis van alle vorderingen, behalve die welke rechtstreeks voor het hof van beroep en het Hof van Cassatie komen.

Indien de verweerder de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg betwist, kan de eiser, vóór de sluiting van de debatten, de verwijzing vorderen van de zaak naar de arrondissementsrechtbank, die uitspraak doet zoals bepaald is in de artikelen 641 en 642.

Wanneer de verweerder de rechtsmacht van de rechtbank van eerste aanleg afwijst, ingevolge de toewijzing van het geschil aan scheidsrechters, geeft de rechtbank de zaak uit handen, zo daartoe grond bestaat ».

« Art. 602. Het hof van beroep neemt kennis van het hoger beroep :

1° tegen beslissingen in eerste aanleg gewezen door de rechtbanken van eerste aanleg en door de rechtbanken van koophandel;

2° tegen uitspraken in eerste aanleg gewezen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en door de voorzitter van de rechtbank van koophandel;

3° tegen beslissingen van het prijsgerecht;

4° tegen beslissingen gegeven door Belgische consuls in het buitenland;

5° tegen beslissingen inzake verkiezingen gegeven door het college van burgemeester en schepenen en door de hoofdbureaus.

In de gevallen van 3° en 4° is alleen het hof van beroep te Brussel bevoegd ».

« Art. 608. Het Hof van Cassatie neemt kennis van de beslissingen in laatste aanleg die voor het hof worden gebracht wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen ».

B.3.3. De artikelen 1050 en 1073, vervat in het boek III (« Rechtsmiddelen ») van het vierde deel (« Burgerlijke rechtspleging »), van het Gerechtelijk Wetboek, bepalen :

« Art. 1050. In alle zaken kan hoger beroep worden ingesteld zodra het vonnis is uitgesproken, zelfs al is dit een verstekvonnis.

Tegen een beslissing inzake bevoegdheid of, tenzij de rechter anders bepaalt, een beslissing alvorens recht te doen kan slechts hoger beroep worden ingesteld samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis ».

« Art. 1073. Behoudens wanneer de wet een kortere termijn bepaalt, is de termijn om zich in cassatie te voorzien drie maanden, te rekenen van de dag waarop de bestreden beslissing is betekend of van de dag van de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid.

Indien de eiser geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats heeft in België, wordt de in het eerste lid bepaalde termijn verlengd overeenkomstig artikel 55.

De termijn wordt met drie maanden verlengd ten behoeve van hen die zich, voor een openbare dienst niet op Belgisch grondgebied en buiten Europa bevinden, en ten behoeve van de zeelieden die afwezig zijn wegens scheepsdienst ».

Ten aanzien van de excepties

B.4.1. Volgens de Ministerraad is het Hof niet bevoegd om de prejudiciële vragen te beantwoorden aangezien het aldus zou worden gevraagd te oordelen over de verdeling van de bevoegdheden binnen de rechterlijke macht, zoals die is vastgelegd in de artikelen 144, 145, 146 en 147 van de Grondwet.

Voorts voert de Ministerraad aan dat de in het geding zijnde bepalingen kennelijk geen betrekking hebben op de geschillen ten gronde. Die bepalingen zouden slechts op algemene wijze de bevoegdheid omschrijven van de rechtbank van eerste aanleg, van het hof van beroep en van het Hof van Cassatie. Ze zouden geen betrekking hebben op de concrete ontvankelijkheids- en toelaatbaarheidsvoorwaarden van de burgerlijke aansprakelijkheidsvordering.

B.4.2. De artikelen 144 en 145 van de Grondwet regelen de bevoegdheidsverdeling tussen de hoven en rechtbanken en de administratieve rechtscolleges. Artikel 146 van de Grondwet vereist dat alle rechtsprekende organen worden ingesteld krachtens een wet en verbiedt de oprichting van buitengewone rechtbanken of commissies. Artikel 147 van de Grondwet bepaalt dat het Hof van Cassatie niet in beoordeling van de zaken zelf treedt.

B.4.3. Volgens artikel 144 van de Grondwet behoren de geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken. Het Hof is niet bevoegd om zich uit te spreken over de keuze van de Grondwetgever om dergelijke geschillen aan de burgerlijke rechter voor te behouden, of over een verschil in behandeling of een beperking van een grondrecht voortvloeiende uit die keuze. Het Hof kan zich evenmin uitspreken over de bevoegdheid van het Hof van Cassatie zoals omschreven in artikel 147 van de Grondwet.

B.4.4. Uit de verwijzingsbeslissingen blijkt evenwel dat de rechters ten gronde beogen het Hof te ondervragen over de in de prejudiciële vragen vermelde artikelen van het Gerechtelijk Wetboek in zoverre zij op algemene wijze de bevoegdheid van de betrokken rechtscolleges bepalen, zonder daarbij in specifieke regels te voorzien voor het geval waarin ze kennis dienen te nemen van een vordering tegen de Belgische Staat op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, wegens een fout begaan door het Hof van Cassatie in de uitoefening van de rechtsprekende functie. Hieruit vloeit voort dat het Hof niet wordt ondervraagd over grondwetsbepalingen, noch over keuzes van de Grondwetgever die de in het geding zijnde bepalingen zouden weergeven, zodat het Hof bevoegd is om de prejudiciële vragen te beantwoorden.

B.5.1. Voorts voert de Ministerraad aan dat de prejudiciële vragen geen antwoord behoeven omdat zij een zuiver hypothetisch karakter zouden hebben. De zaken ten gronde zijn nog hangende voor het hof van beroep, zodat niet zou vaststaan dat een cassatieberoep zal worden ingesteld. Bijgevolg zou het antwoord op de vragen niet nuttig zijn voor de oplossing van de geschillen ten gronde.

B.5.2. Het staat in de regel aan het rechtscollege dat een prejudiciële vraag aan het Hof stelt, om te oordelen of het antwoord op die vraag nuttig is voor het oplossen van het geschil dat het moet beslechten. Alleen indien dat klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft.

B.5.3. De verwijzende rechters wensen van het Hof te vernemen of de in het geding zijnde bepalingen, die het verloop van de rechtsgang van de hangende aansprakelijkheidsvorderingen bepalen, bestaanbaar zijn met de in de prejudiciële vraag vermelde referentienormen, in het licht van het voormelde arrest nr. 99/2014. Zij kunnen ervan uitgaan dat hierbij rekening moet worden gehouden met het verloop van de gehele rechtsgang, en inzonderheid met de rol van het Hof van Cassatie daarin (zie EHRM, 16 januari 2007, Warsicka t. Polen, § 34). Wanneer een aansprakelijkheidsvordering wordt ingesteld voor de burgerlijke rechtscolleges, is de voorziening in cassatie één van de rechtsmiddelen die de rechtzoekenden kunnen aanwenden teneinde hun rechten uit te putten. Bijgevolg kan niet worden besloten dat de antwoorden op de prejudiciële vragen klaarblijkelijk niet nuttig zijn voor de oplossing van de geschillen ten gronde.

B.6. De excepties worden verworpen.

Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag

B.7. In beide zaken wensen de verwijzende rechters van het Hof te vernemen of de artikelen 568, 602, 608, 1050 en 1073 van het Gerechtelijk Wetboek bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre een procespartij die een gekwalificeerde fout verwijt aan de Belgische Staat wegens een rechterlijke beslissing van het Hof van Cassatie, het geding moet voeren in een rechtsgang waarin het orgaan dat de beweerde fout beging zelf de uitlegging van het foutbegrip, toegepast op het beweerde eigen foutieve handelen, op beslissende wijze kan beïnvloeden, terwijl in alle andere gevallen het orgaan van de Belgische Staat dat de aansprakelijkheid veroorzaakt niet in die beoordeling kan treden.

B.8.1. Zoals is vermeld in B.2 zijn de prejudiciële vragen gerezen ingevolge het arrest nr. 99/2014 van het Hof. Volgens dat arrest « [kan] de Staat aansprakelijk [...] worden gesteld wegens een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie door een rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak heeft gedaan, zolang die beslissing niet is ingetrokken, herroepen, gewijzigd of vernietigd, wanneer die fout bestaat in een voldoende gekwalificeerde schending van de toepasselijke rechtsregels en wanneer die fout, gelet op de beperkte rechtsmiddelen die tegen de genoemde beslissing openstaan, het niet mogelijk maakt de vernietiging ervan te verkrijgen ».

B.8.2. Op die manier wordt rekening gehouden met de beslissende rol die de in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instanties spelen in de interpretatie en de toepassing van het recht en met het bijzondere gezag dat aan hun beslissingen wordt toegekend. Een billijk evenwicht wordt zo gewaarborgd tussen het recht om toegang te hebben tot een rechter teneinde de vergoeding van zijn schade te verkrijgen en de rechtszekerheid (arrest nr. 99/2014, B.20.1).

B.8.3. Tegen de beslissing van een burgerlijke rechter over de aansprakelijkheid van de Staat voor een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie kan een voorziening in cassatie worden ingesteld. Aldus bestaat de mogelijkheid dat het Hof van Cassatie zich moet uitspreken over een beslissing van de burgerlijke rechtscolleges betreffende de aansprakelijkheid van de Staat wegens een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie door het Hof van Cassatie zelf.

B.8.4. Om de prejudiciële vragen te beantwoorden, moet het Hof nagaan of de rechtsgang waarin het Hof van Cassatie een dergelijke beslissing kan nemen, bestaanbaar is met het recht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig rechtscollege.

B.9.1. Het is van fundamenteel belang in een democratische rechtsstaat dat de hoven en rechtbanken het vertrouwen genieten van de rechtsonderhorigen en van de procespartijen in het bijzonder (EHRM, grote kamer, 6 mei 2003, Kleyn e.a. t. Nederland, § 191; 9 november 2006, Sacilor Lormines t. Frankrijk, § 60). Daartoe vereist artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens dat de rechtscolleges waarop die bepaling van toepassing is, onpartijdig zijn.

Die onpartijdigheid dient op twee manieren te worden onderzocht. De subjectieve onpartijdigheid, die wordt vermoed tot het bewijs van het tegendeel, vereist dat de rechter in een zaak waarover hij dient te oordelen, niet vooringenomen is, noch vooroordelen heeft, en dat hij geen belang heeft bij de uitkomst ervan. De objectieve onpartijdigheid vereist dat er voldoende waarborgen zijn om ook een gerechtvaardigde vrees op die punten uit te sluiten (EHRM, grote kamer, 6 mei 2003, Kleyn e.a. t. Nederland, § 191; grote kamer, 15 oktober 2009, Micallef t. Malta, §§ 93-97; grote kamer, 23 april 2015, Morice t. Frankrijk, §§ 73-78).

B.9.2. Wat de objectieve onpartijdigheid betreft, moet worden nagegaan of er, los van het gedrag van de rechters, aantoonbare feiten bestaan die twijfel doen ontstaan omtrent die onpartijdigheid. Een schending van het beginsel van onpartijdigheid veronderstelt geenszins het bewijs van partijdigheid; een schijn van partijdigheid kan volstaan (EHRM, grote kamer, 6 mei 2003, Kleyn e.a. t. Nederland, § 191; grote kamer, 15 oktober 2009, Micallef t. Malta, § 98; grote kamer, 23 april 2015, Morice t. Frankrijk, § 78).

Het beginsel van onpartijdigheid kan worden geschonden wanneer aan een rechter een zaak ter beoordeling wordt voorgelegd waarvan hij reeds eerder in een andere hoedanigheid kennis heeft genomen. Evenwel is niet elk voorafgaand optreden van de rechter van die aard dat bij de rechtzoekende een gerechtvaardigde vrees van partijdigheid wordt opgewekt. Opdat het beginsel van onpartijdigheid kan zijn geschonden, moet dat optreden van de rechter van die aard zijn dat het de indruk kan wekken dat hij zich reeds een oordeel over de grond van de zaak heeft gevormd.

B.10.1. Wanneer het zich uitspreekt over de kwalificatie door de burgerlijke rechter van de betwiste handeling als een « voldoende gekwalificeerde schending van de toepasselijke rechtsregels », dient het Hof van Cassatie rekening te houden met de criteria uiteengezet in het arrest nr. 99/2014 van het Hof :

« B.20.1. Hoewel een lichte fout even aanzienlijke schade met zich kan meebrengen als een zware fout, dient ten aanzien van de afzonderlijk gelezen artikelen 10 en 11 van de Grondwet rekening te worden gehouden met de beslissende rol die de in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instanties spelen in de interpretatie en de toepassing van het recht en met het bijzondere gezag dat aan hun beslissingen wordt toegekend.

Het nastreven van een billijk evenwicht tussen het rechtszekerheidsbeginsel, enerzijds, en het recht op toegang tot de rechter, anderzijds, kan aldus verantwoorden dat het recht op de volledige vergoeding van de schade veroorzaakt door een fout begaan door een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie in de uitoefening van haar rechtsprekende functie slechts wordt gewaarborgd, zonder de voorafgaande uitwissing van de betwiste rechterlijke beslissing te vereisen, indien de rechterlijke instantie op voldoende gekwalificeerde wijze een toepasselijke rechtsregel heeft geschonden.

B.20.2. Vereisen dat de fout begaan door de in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie, aantoonbaar en ernstig is, maakt het bovendien mogelijk het risico op vergissingen te verminderen bij de rechter die uitspraak doet over de aansprakelijkheid en die ermee is belast de onwettigheid van de beslissing die is genomen, of van de procedure die is gevolgd door een in laatste aanleg uitspraak doende rechterlijke instantie alleen te beoordelen, vergissingen die zelf aanleiding zouden kunnen geven tot een opeenvolging van aansprakelijkheidsvorderingen.

B.21. Rekening houdend met de noodzaak om de waarborgen die zijn toegekend door het recht van de Europese Unie, enerzijds, en door het interne recht, anderzijds, te harmoniseren, houdt het Hof rekening met de rechtspraak van het Hof van Justitie, krachtens welke de in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie die een bepaling van het recht van de Europese Unie op voldoende gekwalificeerde wijze schendt die ten doel heeft aan de particulieren rechten te verlenen, de Staat aansprakelijk maakt tegenover de particulier die aantoont dat die schending hem een nadeel heeft berokkend, waarbij de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een dergelijke vordering, die door de lidstaten kunnen worden bepaald in het kader van hun procedurele autonomie, bovendien de uitoefening van een dergelijk voorrecht niet ' in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk ' mogen maken (zie HvJ, 30 september 2003, Köbler, C-224/01, punten 34, 47 en 53-59, en, over de grenzen van de procedurele autonomie van de lidstaten, HvJ, 12 december 2013, Test Claimants in the Franked Investment Income Group Litigation, C-362/12, punten 31-32).

B.22. Het Hof van Justitie dat moest preciseren wat het verstond onder een voldoende gekwalificeerde schending van de rechtsregels van de Unie, heeft geoordeeld :

' Om te bepalen of aan die voorwaarde is voldaan, dient de nationale rechter bij wie een schadevordering aanhangig is, rekening te houden met alle elementen die de aan hem voorgelegde situatie kenmerken.

Die elementen zijn onder meer : de mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid van de geschonden regel, de vraag of de schending opzettelijk is begaan, de al dan niet verschoonbaarheid van de rechtsdwaling, het eventueel door een gemeenschapsinstelling ingenomen standpunt en de schending door de betrokken rechter van zijn verplichting om op grond van artikel 234, derde alinea, EG, een prejudiciële vraag te stellen.

In ieder geval is een schending van het gemeenschapsrecht voldoende gekwalificeerd, wanneer 's Hofs rechtspraak op het gebied bij het nemen van de betrokken beslissing kennelijk is miskend (zie, in deze zin, arrest Brasserie du pêcheur en Factortame, reeds aangehaald, punt 57) ' (HvJ, 30 september 2003 voormeld, punten 54-56; grote kamer, 13 juni 2006, Traghetti del Mediterraneo, C-173/03, punt 32).

Teneinde het gelijkheidsbeginsel in acht te nemen, staat het aan de aansprakelijkheidsrechter rekening te houden met dergelijke elementen teneinde te bepalen of de door een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie gemaakte fout, buiten de toepassingssfeer van het recht van de Europese Unie, een voldoende gekwalificeerde schending vormt van de toepasselijke rechtsregels ».

B.10.2. Wanneer het Europees Unierecht in het geding is, dient het Hof van Cassatie na te gaan of het aangewezen is om in voorkomend geval een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie, in het bijzonder over de kwestie of een betwiste handeling het Unierecht op voldoende gekwalificeerde wijze heeft geschonden. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie is « een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, gehouden [...] een vraag van Unierecht die voor haar rijst, te verwijzen, tenzij zij heeft vastgesteld dat de opgeworpen vraag niet relevant is of dat de betrokken bepaling van Unierecht reeds door het Hof is uitgelegd of dat de juiste toepassing van het Unierecht zo evident is, dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan » (HvJ, 6 oktober 1982, C-283/81, Cilfit e.a., punt 21; HvJ, grote kamer, 18 oktober 2011, C-128/09, Boxus, punt 31).

B.10.3. Ten slotte dient het Hof van Cassatie, wanneer voldaan is aan de vereisten gesteld in artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, in voorkomend geval een prejudiciële vraag te stellen aan dat Hof, alvorens uitspraak te doen.

B.11. Wanneer het Hof van Cassatie zich uitspreekt over de wettigheid van een beslissing van een burgerlijke rechter betreffende de aansprakelijkheid van de Staat wegens een beweerde fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie door die rechterlijke instantie zelf, kan evenwel twijfel ontstaan over zijn objectieve onpartijdigheid ingevolge de wijze waarop het Hof is samengesteld.

B.12.1. Het zou niet verenigbaar zijn met het recht op een onpartijdige rechter dat raadsheren die hebben deelgenomen aan de totstandkoming van een beslissing die aan de oorsprong ligt van een aansprakelijkheidsvordering op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, zich zouden uitspreken over de wettigheid van de beslissing van de rechter ten gronde over die vordering. In het bijzonder zouden die raadsheren zich mogelijk dienen uit te spreken over de vraag of de burgerlijke rechter hun eigen betwiste handeling al dan niet terecht als een « voldoende gekwalificeerde schending van de toepasselijke rechtsregels » heeft gekwalificeerd (zie EHRM, 29 juli 2004, San Leonard Band Club t. Malta, §§ 61-64; 1 februari 2005, Indra t. Slowakije, §§ 51-53; 24 juli 2012, Toziczka t. Polen, §§ 40-44).

B.12.2. Raadsheren van het Hof van Cassatie kunnen worden gewraakt wegens wettige verdenking (artikel 828, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek). Iedere rechter die weet dat er een reden van wraking tegen hem bestaat, moet zich van de zaak onthouden (artikel 831 van hetzelfde Wetboek; EHRM, grote kamer, 23 april 2015, Morice t. Frankrijk, § 78). Dit laatste is het geval wanneer een raadsheer in het Hof van Cassatie uitspraak moet doen over een beslissing van de burgerlijke rechter waarbij deze uitspraak doet over een vordering op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek waarbij de aansprakelijkheid van de Staat betreffende een rechtsprekende handeling van het voormelde rechtscollege in het geding is en waarbij die raadsheer deel uitmaakte van de zetel die dat arrest had gewezen.

B.12.3. Overigens is het Hof van Cassatie, zoals ieder rechtscollege, ertoe gehouden het algemeen rechtsbeginsel van de subjectieve en objectieve onpartijdigheid van de rechter te eerbiedigen. Dat beginsel impliceert bijgevolg dat het Hof van Cassatie de nodige maatregelen neemt die moeten verhinderen dat de raadsheren wier betwiste rechtsprekende handeling aan de oorsprong ligt van een aansprakelijkheidsvordering tegen de Staat, zich zouden uitspreken over de beslissing van de burgerlijke rechter over die vordering.

B.12.4. Volgens artikel 133 van het Gerechtelijk Wetboek neemt de eerste kamer van het Hof van Cassatie kennis van de voorzieningen in burgerlijke zaken. De eerste voorzitter kan evenwel de zaak naar een andere kamer verwijzen wanneer de behoeften van de dienst dat rechtvaardigen. Aldus kan de onpartijdige samenstelling van het Hof worden gewaarborgd. Het reglement houdende de dienstregeling van het Hof, vastgesteld door de eerste voorzitter, bepaalt het aantal raadsheren aan elke kamer verbonden (artikel 132 van het Gerechtelijk Wetboek). De dienst der terechtzittingen wordt onder de raadsheren verdeeld door de kamervoorzitter (artikel 317 van hetzelfde Wetboek).

B.13. Rekening houdend met het bovenstaande doen de in de prejudiciële vraag vermelde bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek geen discriminatie ontstaan tussen procespartijen naargelang de aansprakelijkheid van de Staat wegens een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie door het Hof van Cassatie, dan wel wegens een fout begaan door een ander orgaan van de Staat in het geding is.

B.14. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag

B.15.1. Met de tweede prejudiciële vraag wensen de verwijzende rechters te vernemen of de artikelen 568, 602, 608, 1050 en 1073 van het Gerechtelijk Wetboek bestaanbaar zijn met artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 146 en 160 ervan, met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 14, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met het algemeen rechtsbeginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter, in zoverre de beslissing van de rechter ten gronde aan wie een aansprakelijkheidsvordering wegens een rechtsprekende handeling van het Hof van Cassatie ter beoordeling kan worden voorgelegd, wordt onderworpen aan het toezicht van het Hof van Cassatie.

B.15.2. Met de Ministerraad dient te worden opgemerkt dat het Hof te dezen wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid van bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de bevoegdheden van de gewone hoven en rechtbanken, zodat niet valt in te zien in welk opzicht de artikelen 146 en 160 van de Grondwet zouden kunnen zijn geschonden.

B.16.1. Het cassatieberoep is een buitengewoon rechtsmiddel waardoor een partij in de mogelijkheid wordt gesteld om, wegens schending van de wet of wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, de vernietiging te vorderen van een in laatste aanleg gewezen beslissing. Dat een vonnis of een arrest kan worden vernietigd, is inherent aan een rechtssysteem met een voorziening in cassatie en brengt de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter ten gronde niet in het geding.

B.16.2. Voor het overige wordt geen afbreuk gedaan aan de in de prejudiciële vraag vermelde bepalingen en beginselen om de redenen die zijn aangegeven in antwoord op de eerste prejudiciële vraag.

B.17. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De artikelen 568, 602, 608, 1050 en 1073 van het Gerechtelijk Wetboek schenden niet de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 146 en 160 ervan, met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 14, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met het algemeen rechtsbeginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter.

Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 23 februari 2017.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

E. De Groot