Grondwettelijk Hof (Arbitragehof): Arrest aus 5 Oktober 2017 (België). RG 108/2017

Datum :
05-10-2017
Taal :
Duits Frans Nederlands
Grootte :
18 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel D-20171005-3
Rolnummer :
108/2017

Samenvatting :

Der Gerichtshof weist die Klage vorbehaltlich des in B.11.4 und B.15.3 Erwähnten zurück.

Arrest :

Selecteer tekst om te onderstrepen of annotaties te maken bij het document

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters E. De Groot en J. Spreutels, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter E. De Groot,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 6 juni 2016 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 7 juni 2016, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 8 tot 17, 123 en 126 van de wet van 4 mei 2016 houdende internering en diverse bepalingen inzake Justitie (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 mei 2016) door de vzw « Ademloos », de vzw « Straatego », P.M., G.L., C.S., M. V.K., J.C., D.M., F.B. en J.W., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Vande Casteele, advocaat bij de balie te Antwerpen.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden bepalingen

B.1.1. De bestreden bepalingen wijzigen het Gerechtelijk Wetboek teneinde de betekening van akten op elektronische wijze mogelijk te maken.

De betekening is « de afgifte van een origineel of een afschrift van de akte ». Zij gebeurt in de regel bij deurwaardersexploot (artikel 32, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek). De betekening moet worden onderscheiden van de kennisgeving, zijnde « de toezending van een akte van rechtspleging in origineel of in afschrift ». Zij gebeurt in de regel « langs de postdiensten of per elektronische post aan het gerechtelijk elektronisch adres » (artikel 32, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek).

B.1.2. De bestreden bepalingen voorzien in de juridische basis voor de elektronische betekening door de gerechtsdeurwaarders, enerzijds, en voor een geïnformatiseerde gegevensbank die de betekeningsdossiers zal bevatten, anderzijds (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1590/006, p. 13).

De betekening op elektronische wijze vormt « een bijkomende betekeningswijze met specifieke waarborgen, zonder dat evenwel wordt geraakt aan de bestaande manieren van betekening met hun bijhorende waarborgen » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1590/001, p. 9). Indien geen betekening op elektronische wijze mogelijk is, gebeurt de betekening aan de persoon (artikel 32quater/3, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek).

De invoering van de mogelijkheid om op elektronische wijze te betekenen is « een belangrijke nieuwe stap in het realiseren van een elektronische procesvoering. De geplande hervorming vertaalt zich onder meer in een aanzienlijke tijdswinst, een verhoogde kostenefficiëntie en verbeterde informatie-uitwisseling, een vereenvoudiging van een aantal handelingen evenals in een vermindering van de geproduceerde papierberg » (ibid.).

B.1.3. De bestreden artikelen van de wet van 4 mei 2016 houdende internering en diverse bepalingen inzake Justitie bepalen :

« Art. 8. Artikel 32 van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij de wet van 5 augustus 2006, wordt aangevuld met de bepalingen onder 3°, 4°, 5° en 6°, luidende :

' 3° " woonplaats " : de plaats waar de persoon in de bevolkingsregisters is ingeschreven als hebbende aldaar zijn hoofdverblijf;

4° " verblijfplaats " : iedere andere vestiging, zoals de plaats waar de persoon kantoor houdt of een handels- of nijverheidszaak drijft;

5° " gerechtelijk elektronisch adres " : het unieke, door de bevoegde overheid aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon toegekende elektronisch adres;

6° " adres van elektronische woonstkeuze " : elk ander elektronisch adres waarop een betekening overeenkomstig artikel 32quater/1 kan gebeuren na de uitdrukkelijke en voorafgaande toestemming door de geadresseerde telkens voor die bepaalde betekening '.

Art. 9. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 32quater/1 ingevoegd, luidende :

' Art. 32quater/1. § 1. De betekening geschiedt elektronisch op het gerechtelijk elektronisch adres. Bij gebreke aan een gerechtelijk elektronisch adres, kan zij ook geschieden op het adres van elektronische woonstkeuze, op voorwaarde dat de geadresseerde telkens voor die bepaalde betekening, volgens de door de Koning bepaalde nadere regels, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, uitdrukkelijk en voorafgaandelijk zijn toestemming heeft gegeven.

Telkens een betekening op elektronische wijze wordt verricht, wordt de geadresseerde volgens de door de Koning bepaalde nadere regels, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, in kennis gesteld van :

1° de gegevens die hem betreffen en die in het in artikel 32quater/2 bedoelde register worden opgeslagen;

2° de categorieën van personen die toegang hebben tot de in de bepaling onder 1° bedoelde gegevens;

3° de bewaartermijn van de in de bepaling onder 1° bedoelde gegevens;

4° de in artikel 32quater/2, § 2, bedoelde verantwoordelijke voor de verwerking;

5° de wijze waarop hij inzage kan verkrijgen van de onder 1° bedoelde gegevens.

§ 2. Binnen vierentwintig uur na de verzending van het bericht tot betekening op elektronische wijze of het verzoek tot toestemming tot betekening op elektronische wijze aan de geadresseerde, laat het in artikel 32quater/2 bedoelde register een bericht van bevestiging van betekening aan de gerechtsdeurwaarder toekomen die de akte heeft betekend. De betekening wordt in dat geval geacht te zijn gedaan op de datum van de verzending van het voormelde bericht of verzoek.

Bij gebrek aan een bericht van bevestiging van betekening binnen de termijn vermeld in het eerste lid wordt de betekening op elektronische wijze als niet mogelijk beschouwd zoals bedoeld door artikel 32quater/3, § 3.

Bij de opening door de geadresseerde van de akte laat het register een bericht van opening door de geadresseerde toekomen aan de gerechtsdeurwaarder die de akte heeft betekend.

Bij gebrek aan ontvangst van een bericht van opening door de geadresseerde binnen vierentwintig uur na de verzending van het in het eerste lid bedoelde bericht of verzoek aan de geadresseerde, verstuurt de gerechtsdeurwaarder de eerstvolgende werkdag, een gewone brief van melding van de betekening op elektronische wijze aan de geadresseerde. '.

Art. 10. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 32quater/2 ingevoegd, luidende :

' Art. 32quater/2. § 1. Bij de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders wordt een geïnformatiseerde gegevensbank opgericht, " Centraal register van gedematerialiseerde authentieke akten van gerechtsdeurwaarders " geheten. Hierin worden de door de Koning aangeduide gegevens en digitale documenten, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, verzameld die nodig zijn om de rechtsgeldigheid van een betekening na te gaan en in rechte vast te stellen. Dit register geldt als authentieke bron voor alle akten die erin zijn opgenomen.

De Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders houdt in dit register een lijst bij van de adressen van elektronische woonstkeuze waarvoor de titularis de in artikel 32quater/1, § 1, bedoelde toestemming heeft gegeven. Deze lijst en de daarin opgenomen gegevens zullen, onder toezicht van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders, uitsluitend door gerechtsdeurwaarders kunnen geraadpleegd worden in uitvoering van hun wettelijke opdrachten en mogen niet aan derden worden verstrekt. De Koning bepaalt, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de nadere regels voor de opstelling, de bewaring en de raadpleging van deze lijst.

§ 2. De Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders wordt met betrekking tot het in paragraaf 1 bedoelde register beschouwd als de verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van artikel 1, § 4, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.

Het is de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders verboden om de in paragraaf 1 bedoelde gegevens te verstrekken aan andere dan de in paragraaf 3 bedoelde personen.

De bewaartermijn van de gegevens opgenomen in het in paragraaf 1 bedoelde register bedraagt dertig jaar.

De Koning stelt, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, een procedure vast op grond waarvan de gegevens van een betekening op elektronische wijze onder de door Hem bepaalde voorwaarden op een eerder tijdstip uit het register kunnen worden verwijderd.

§ 3. De magistraten van de rechterlijke orde bedoeld in artikel 58bis, de griffiers en de parketsecretarissen, voor zover de raadpleging betrekking heeft op betekeningen die onder hun bevoegdheid vallen, en de gerechtsdeurwaarders, voor zover de raadpleging betrekking heeft op betekeningen die door hun tussenkomst werden verricht, kunnen de gegevens van het in paragraaf 1 bedoelde register rechtstreeks raadplegen.

§ 4. Hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de verzameling, de verwerking of de mededeling van de in het in paragraaf 1 bedoelde register geregistreerde gegevens of kennis heeft van die gegevens, moet het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen. Artikel 458 van het Strafwetboek is op hem toepasselijk.

§ 5. De Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders staat in voor de controle op de werking en het gebruik van het in paragraaf 1 bedoelde register. In voorkomend geval is hoofdstuk VII van boek IV van deel II van dit Wetboek van toepassing.

§ 6. De Koning bepaalt, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de nadere regels voor de inrichting en werking van het in paragraaf 1 bedoelde register en de gegevens die erin zullen worden opgenomen.

§ 7. Binnen de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders stelt de voorzitter van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders een aangestelde voor de gegevensbescherming aan.

De aangestelde voor de gegevensbescherming is meer bepaald belast met :

1. het verstrekken van deskundige adviezen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging van persoonsgegevens en informatie en inzake hun verwerking;

2. het informeren en adviseren van de voorzitter en de medewerkers die de persoonsgegevens behandelen over hun verplichtingen binnen het kader van deze wet en binnen het algemeen kader van de bescherming van de gegevens en de privacy;

3. het opstellen, het toepassen, het bijwerken en het controleren van een beleid inzake de beveiliging en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;

4. het vormen van het contactpunt voor de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;

5. de uitvoering van de andere opdrachten inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging die door de Koning worden bepaald, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Bij het uitoefenen van zijn opdrachten handelt de aangestelde voor de gegevensbescherming volledig onafhankelijk en brengt hij rechtstreeks verslag uit aan de voorzitter van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders.

De Koning bepaalt, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de nadere regels volgens welke de aangestelde voor de gegevensbescherming zijn opdrachten uitvoert. '.

Art. 11. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 32quater/3 ingevoegd, luidende :

' Art. 32quater/3. § 1. In strafzaken gebeurt de betekening op elektronische wijze of aan de persoon, naar keuze van de gerechtsdeurwaarder en afhankelijk van de specifieke omstandigheden van de zaak, tenzij het openbaar ministerie eist dat de betekening aan de persoon gebeurt.

§ 2. In andere dan in strafzaken geschiedt de betekening op elektronische wijze of aan de persoon, naar keuze van de gerechtsdeurwaarder, afhankelijk van de omstandigheden eigen aan de zaak.

§ 3. Indien geen betekening op elektronische wijze mogelijk is, geschiedt de betekening aan de persoon. '.

Art. 12. Artikel 36 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.

Art. 13. Artikel 38, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 24 mei 1985 en gewijzigd bij de wet van 19 oktober 2015, wordt aangevuld met de volgende zinnen :

' De betekening aan de procureur des Konings geschiedt bij voorrang op elektronische wijze overeenkomstig artikel 32quater/1. In dat geval is artikel 32quater/1, § 2, vierde lid, niet van toepassing. '.

Art. 14. Artikel 40, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 19 oktober 2015 en 5 februari 2016, wordt aangevuld met de volgende zinnen :

' De betekening aan de procureur des Konings geschiedt bij voorrang op elektronische wijze overeenkomstig artikel 32quater/1. In dat geval is artikel 32quater/1 § 2, vierde lid, niet van toepassing. '.

Art. 15. Artikel 42, 7°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 19 oktober 2015, wordt aangevuld met de volgende zinnen :

' De betekening aan de procureur des Konings geschiedt bij voorrang op elektronische wijze overeenkomstig artikel 32quater/1. In dat geval is artikel 32quater/1 § 2, vierde lid, niet van toepassing. '.

Art. 16. In artikel 43, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 24 juni 1970 en 24 mei 1985, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

a) de bepaling onder 2° wordt vervangen als volgt :

' 2° de naam, de voornaam, het beroep, de woonplaats en, in voorkomend geval, het gerechtelijk elektronisch adres of het adres van elektronische woonstkeuze, de hoedanigheid en de inschrijving in de Kruispuntbank van ondernemingen van de persoon op wiens verzoek het exploot wordt betekend ';

b) de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt :

' 3° de naam, de voornaam, de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats en, in voorkomend geval, het gerechtelijk elektronisch adres of adres van elektronische woonstkeuze en de hoedanigheid van de persoon voor wie het exploot bestemd is; '.

Art. 17. Artikel 57, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 24 mei 1985 en 6 april 2010, wordt aangevuld met de woorden ' of bij de betekening op elektronische wijze van de beslissing ' ».

« Art. 123. In artikel 555/1 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 januari 2014 en gewijzigd bij de wet van 8 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

a) het eerste lid wordt aangevuld met de bepalingen onder 23° en 24°, luidende :

' 23° het in artikel 32quater/2 bedoelde register op te zetten en de controle te verzekeren op de werking en het gebruik ervan, de in artikel 32quater/2 bedoelde lijst bij te houden en de rol op te stellen van de gerechtsdeurwaarders die belast zijn met de betekening van de akten in strafzaken;

24° de registers of bestanden die bij wet aan de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders worden toegewezen, op te richten, te beheren en er toezicht over te houden. ';

b) in het derde lid worden de woorden ' en 22°' vervangen door de woorden ', 22°, 23° en 24° ' ».

« Art. 126. In artikel 1389bis/6, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 29 mei 2000, worden de woorden ' en door elk ander bestand of register dat bij wet door de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders wordt opgericht ' tussen de woorden ' bedoeld in artikel 1389bis/8 ' en de woorden ', geeft de mededeling ' ingevoegd ».

B.1.4. De bestreden artikelen zijn op 31 december 2016 in werking getreden (artikel 261, zesde lid, van de wet van 4 mei 2016).

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

B.2.1. De Ministerraad betwist het belang van de verzoekende partijen. Zij zouden niet persoonlijk, rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door de bestreden bepalingen die het mogelijk maken voor de gerechtsdeurwaarders om, naast de bestaande manieren van betekening, voortaan elektronisch te betekenen. De verzoekende verenigingen zonder winstoogmerk zouden overigens niet aantonen dat hun maatschappelijk doel door de bestreden bepalingen kan worden geraakt.

B.2.2. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestaande manieren van betekening weliswaar worden behouden, maar dat de dagvaardende partij of diens gerechtsdeurwaarder de vorm van betekening kiest en aldus de elektronische betekening kan opleggen zonder instemming van de gedagvaarde persoon. De bestreden bepalingen zouden niet kunnen waarborgen dat elke verzoekende partij daadwerkelijk via elektronische weg de betekening kan ontvangen van een akte van rechtspleging die op hem betrekking heeft.

B.2.3. Aangezien de exceptie van niet-ontvankelijkheid verband houdt met de draagwijdte van de bestreden bepalingen, valt het onderzoek ervan samen met dat van de grond van de zaak.

Ten gronde

B.3. Het enige middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 10 tot 13, 23 en 32 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met andere grondwetsbepalingen, bepalingen van internationaal recht en algemene rechtsbeginselen.

B.4. Krachtens de bestreden bepalingen gebeurt de betekening op elektronische wijze of aan de persoon, naar keuze van de gerechtsdeurwaarder en afhankelijk van de specifieke omstandigheden van de zaak. In strafzaken kan het openbaar ministerie eisen dat de betekening aan de persoon gebeurt (artikel 32quater/3, § § 1 en 2, van het Gerechtelijk Wetboek).

De elektronische betekening gebeurt in beginsel op het gerechtelijk elektronisch adres. Dat is « het elektronisch postadres dat in de toekomst door de bevoegde overheidsdiensten (bv. rijksregister en Kruispuntbank voor de ondernemingen) op unieke wijze zal worden toegekend aan elke natuurlijke en rechtspersoon en waarop die persoon geacht zal worden de communicatie te hebben ontvangen, zoals thans ook geldt voor de fysieke adressen » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1590/001, p. 23).

De elektronische betekening kan echter ook gebeuren op het adres van elektronische woonstkeuze, op voorwaarde dat de geadresseerde daarvoor uitdrukkelijk en voorafgaandelijk zijn toestemming heeft gegeven. Die toestemming moet voor elke betekening opnieuw worden verleend (artikel 32quater/1, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek). Zolang de bevoegde overheid geen uniek gerechtelijk elektronisch adres heeft toegekend, kan enkel elektronisch worden betekend op het adres van elektronische woonstkeuze.

Wanneer de gerechtsdeurwaarder een bericht tot elektronische betekening verzendt, krijgt hij binnen de vierentwintig uur « de bevestiging vanwege het register dat de akte daadwerkelijk werd betekend op voormeld adres » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1590/001, p. 26). De betekening wordt in dat geval geacht te zijn gedaan op de datum van de verzending van het voormelde bericht. Als de gerechtsdeurwaarder binnen die termijn geen bericht van bevestiging krijgt, wordt de elektronische betekening als niet mogelijk beschouwd (artikel 32quater/1, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek) en dient de betekening aan de persoon te gebeuren (artikel 32quater/3, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek).

Een bericht van bevestiging houdt in dat « de betekening op rechtsgeldige wijze werd verricht en rechtsgevolgen sorteert » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1590/001, p. 26). Om de betekende akte te consulteren - of om zijn toestemming te verlenen om te laten betekenen op het adres van elektronische woonstkeuze - dient de geadresseerde vervolgens een link naar het beveiligd digitaal platform aan te klikken. Bij het aanklikken van deze link wordt de geadresseerde gevraagd zich « te identificeren en te authentificeren op basis van e-ID en pincode of een technisch evenwaardige manier (authentieke bron). Enkel na een correcte en volledige identificatie is de toestemming tot betekenen op het adres van elektronische woonstkeuze geldig en wordt toegang verleend tot de inhoud van de akte » (ibid., p. 24).

Als bijkomende waarborg ontvangt de gerechtsdeurwaarder een bericht zodra de geadresseerde het bericht tot elektronische betekening - of het verzoek tot toestemming om elektronisch te betekenen - daadwerkelijk heeft geopend. Als hij geen dergelijk bericht heeft ontvangen binnen vierentwintig uur na verzending van het bericht of verzoek, dient hij de eerstvolgende werkdag een gewone brief aan de geadresseerde te sturen waarin hij meldt dat een elektronische betekening werd gedaan.

B.5. Het enige middel omvat tal van uiteenlopende grieven. Het Hof onderzoekt die grieven in zoverre de verzoekende partijen verduidelijken in welk opzicht de bestreden bepalingen de in het middel aangevoerde bepalingen en beginselen schenden.

De grieven van de verzoekende partijen hebben betrekking op het recht op eerbiediging van het privéleven, het wettigheidsbeginsel, het recht op een behoorlijke rechtsbedeling, het gelijkheidsbeginsel en de standstill-verplichting.

Wat betreft het recht op eerbiediging van het privéleven

B.6.1. Artikel 22 van de Grondwet bepaalt :

« Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald.

De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ».

Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ».

De draagwijdte van de voormelde verdragsbepaling is analoog aan die van de voormelde grondwetsbepaling, zodat de waarborgen die beide bepalingen bieden, een onlosmakelijk geheel vormen.

B.6.2. Het recht op eerbiediging van het privéleven, zoals gewaarborgd in de grondwets- en verdragsbepalingen, beoogt in wezen de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven. Dat recht heeft een ruime draagwijdte en omvat onder meer de bescherming van persoonsgegevens en van persoonlijke informatie.

B.6.3. De rechten die bij artikel 22 van de Grondwet en bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens worden gewaarborgd, zijn evenwel niet absoluut.

Zij sluiten een overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven niet uit, maar vereisen dat zij wordt toegestaan door een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte in een democratische samenleving en dat zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. Die bepalingen houden voor de overheid bovendien de positieve verplichting in om maatregelen te nemen die een daadwerkelijke eerbiediging van het privéleven verzekeren, zelfs in de sfeer van de onderlinge verhoudingen tussen individuen.

B.6.4. Doordat artikel 22 van de Grondwet aan de bevoegde wetgever de bevoegdheid voorbehoudt om vast te stellen in welke gevallen en onder welke voorwaarden afbreuk kan worden gedaan aan het recht op eerbiediging van het privéleven, waarborgt het aan elke burger dat geen enkele inmenging in dat recht kan plaatsvinden dan krachtens regels die zijn aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering.

Een delegatie aan een andere macht is evenwel niet in strijd met het wettigheidsbeginsel voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld.

Naast de formele wettigheidsvereiste legt artikel 22 van de Grondwet eveneens de verplichting op dat de inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven in duidelijke en voldoende nauwkeurige bewoordingen wordt geformuleerd die het mogelijk maken de hypothesen te voorzien waarin de wetgever een dergelijke inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven toestaat.

B.7.1. De verzoekende partijen voeren in de eerste plaats aan dat de bestreden bepalingen het recht op eerbiediging van het privéleven schenden doordat de overheid een uniek gerechtelijk elektronisch adres toekent aan natuurlijke personen en rechtspersonen, doordat zij de geadresseerde zouden verplichten een aansluiting op een openbaar communicatienetwerk te nemen en thuis te blijven teneinde de elektronische betekening te ontvangen, doordat de gebruikte infrastructuur de veiligheid en betrouwbaarheid van de elektronische betekening niet zou waarborgen en doordat de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders een lijst van adressen van elektronische woonstkeuze mag bijhouden die de gerechtsdeurwaarders in uitvoering van hun opdracht kunnen raadplegen, terwijl de uitdrukkelijke en voorafgaande toestemming van de geadresseerden uitsluitend een welbepaalde betekening betreft.

B.7.2. Anders dan de verzoekende partijen aanvoeren, kennen de bestreden bepalingen geen uniek gerechtelijk elektronisch adres toe, maar voorzien zij in de mogelijkheid tot betekening op het gerechtelijke elektronisch adres of, bij gebrek daaraan, op het adres van elektronische woonstkeuze. Zij houden geen verplichting in voor de geadresseerden van een elektronische betekening om een aansluiting op een openbaar communicatienetwerk te nemen noch om thuis te blijven teneinde de elektronische betekening te ontvangen.

De toekenning van een uniek gerechtelijk elektronisch adres vergt een beslissing van de bevoegde overheid (artikel 32, 5°, van het Gerechtelijk Wetboek). Het voorzien in de mogelijkheid tot elektronische betekening houdt op zichzelf geen inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven in.

In zoverre het gerechtelijk elektronisch adres zou worden geacht tot het privéleven te behoren, wordt de toekenning van een dergelijk adres, zoals het vaststellen van de woonplaats (artikel 32, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek), verantwoord door de vooropgestelde doelstellingen van een behoorlijke en efficiënte rechtsbedeling.

B.7.3. De elektronische betekening is aldus opgevat dat enkel na een correcte en volledige identificatie toegang wordt verleend tot de inhoud van de akte. In de parlementaire voorbereiding wordt verduidelijkt dat de gerechtelijke gegevens en akten enkel beschikbaar worden gesteld op een beveiligd digitaal platform. Zij « blijven dus ten allen tijde binnen het speciaal daartoe opgericht en beveiligd register en er worden dus op geen enkel ogenblik akten of gerechtelijke gegevens verstuurd naar een e-mailadres » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1590/001, p. 24).

B.7.4. De gegevens en digitale documenten, die nodig zijn om de rechtsgeldigheid van een betekening na te gaan en in rechte vast te stellen, worden verzameld in het « Centraal register van gedematerialiseerde authentieke akten van gerechtsdeurwaarders » dat als geïnformatiseerde gegevensbank binnen de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders wordt opgericht. De daarin op te nemen gegevens en documenten worden door de Koning aangeduid na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Dit register geldt als authentieke bron voor alle akten die erin zijn opgenomen (artikel 32quater/2, § 1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Het register maakt het niet enkel mogelijk om de betekeningen vanuit technisch oogpunt te verrichten en met de nodige controle te organiseren, maar ook om op snelle wijze alle noodzakelijke informatie op dat vlak ter beschikking te stellen van de betrokken actoren (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1590/001, p. 4).

In de parlementaire voorbereiding zet de bevoegde minister uiteen dat het register « een aanzienlijke werklastvermindering en kostenbesparing voor de parketsecretariaten tot stand [brengt] dankzij de vermindering van de manuele administratieve handelingen : keuze van gerechtsdeurwaarder gebeurt op basis van objectieve criteria door het informaticaplatform, papieren verzending van de dossiers tussen de parketten en van de parketten naar de gerechtsdeurwaarders en terug, komen te vervallen, verwittiging van alle betrokken partijen kan elektronisch aangestuurd worden mede dankzij de e-box waarover de juridische beroepen zullen beschikken en de wettelijke woonstkeuzeregel die reeds werd ingevoerd. Het is ook een stap vooruit [door] de creatie van het elektronisch dossier en een vermindering van de archiefruimte nodig voor de betekeningsdossiers » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1590/006, p. 13).

B.7.5. Een elektronische betekening op het adres van elektronische woonstkeuze is enkel mogelijk wanneer de geadresseerde voor die bepaalde betekening uitdrukkelijk en voorafgaandelijk zijn toestemming heeft gegeven (artikel 32quater/1, § 1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek).

De kostenbesparing, op het vlak van papier, personeel en tijd, die met de elektronische betekening wordt nagestreefd, zou in ruime mate teniet worden gedaan wanneer telkens per brief de toestemming moet worden gevraagd om op het eerder gebruikte adres van elektronische woonstkeuze te betekenen. Het gebruik van dat adres wordt met bijzondere waarborgen omringd.

De Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders houdt in het reeds vermelde register een lijst bij van de adressen van elektronische woonstkeuze waarop reeds met toestemming van de geadresseerde werd betekend. Die lijst en de daarin opgenomen gegevens mogen, onder toezicht van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders, enkel door de gerechtsdeurwaarders worden geraadpleegd voor de uitoefening van hun wettelijke opdrachten en mogen niet aan derden worden doorgegeven. Het komt de Koning toe, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de nadere regels te bepalen voor de opstelling, de bewaring en de raadpleging van die lijst (artikel 32quater/2, § 1, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek).

De gerechtsdeurwaarders oefenen weliswaar een vrij beroep uit maar zijn tegelijk ministeriële ambtenaren, die volgens een geëigende procedure worden benoemd, die hun medewerking verlenen aan de uitvoering van de openbare dienst van het gerecht, die door een beroepsgeheim zijn gehouden en die aan een bijzonder tuchtstelsel zijn onderworpen (zie de artikelen 509 tot 548 van het Gerechtelijk Wetboek).

Ten slotte staat het de geadresseerde vrij het verzoek tot toestemming om op het adres van elektronische woonstkeuze te betekenen af te wijzen en kan hij zich verzetten tegen de registratie van zijn adres van elektronische woonstkeuze met toepassing van artikel 12 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.

B.7.6. De grieven zijn niet gegrond.

B.8.1. De verzoekende partijen voeren voorts aan dat de bestreden bepalingen het recht op eerbieding van het privéleven, de vertrouwelijkheid en het beroepsgeheim schenden doordat het gerechtelijk elektronisch adres of het adres van elektronische woonstkeuze in het exploot moet worden vermeld, zodat het adres ook wordt meegedeeld aan de persoon op wiens verzoek het exploot wordt betekend.

B.8.2. Krachtens artikel 43, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek moet het exploot van betekening op straffe van nietigheid onder meer de naam, de voornaam en de woonplaats vermelden van de persoon op wiens verzoek het exploot wordt betekend alsook van de persoon voor wie het exploot bestemd is. Bij artikel 16 van de bestreden wet heeft de wetgever daaraan toegevoegd dat het exploot ook, in voorkomend geval, het gerechtelijk elektronisch adres of het adres van elektronische woonstkeuze van beide personen moet vermelden.

B.8.3. In zoverre het gerechtelijk elektronisch adres of het adres van elektronische woonstkeuze zou worden geacht tot het privéleven te behoren, wordt de vermelding van een dergelijk adres in het exploot van betekening, zoals het vermelden van de woonplaats, verantwoord door de vooropgestelde doelstellingen van een behoorlijke en efficiënte rechtsbedeling.

B.8.4. De grief is niet gegrond.

B.9.1. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepalingen het gelijkheidsbeginsel en het recht op eerbiediging van het privéleven, zowel van de geadresseerden als van de opdrachtgevers van een betekening, schenden doordat het « Centraal register van gedematerialiseerde authentieke akten van gerechtsdeurwaarders » niet betrouwbaar en beveiligd is, doordat niet voorzien is in toezicht op de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders die het Centraal register opricht en instaat voor de controle op de werking en het gebruik van het Centraal register en doordat het gebruik van het gerechtelijk elektronisch adres en het adres van elektronische woonstkeuze onvoldoende de vertrouwelijkheid van de gegevens waarborgt gedurende het volledige proces van betekening.

B.9.2. Zoals in B.7.3 is vermeld, worden de gerechtelijke gegevens en akten niet rechtstreeks verstuurd naar een e-mailadres maar worden zij enkel beschikbaar gesteld op een beveiligd digitaal platform waar zij door de geadresseerde kunnen worden geraadpleegd na een correcte en volledige identificatie. De wetgever heeft bovendien in bijkomende waarborgen voorzien.

De bestreden bepalingen doen geen afbreuk aan de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. De Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders wordt met betrekking tot het Centraal register beschouwd als de verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van die wet. Zij mag de in het register opgenomen gegevens niet verstrekken aan andere personen dan degene die de wetgever heeft aangeduid (artikel 32quater/2, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek).

De wetgever heeft uitdrukkelijk bepaald dat iedere deelnemer aan de verzameling, de verwerking of de mededeling van de in het register opgenomen gegevens en iedereen die kennis heeft van die gegevens het vertrouwelijk karakter ervan in acht moet nemen en dat artikel 458 van het Strafwetboek, dat de schending van het beroepsgeheim strafbaar stelt, op hen van toepassing is (artikel 32quater/2, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek). De gerechtsdeurwaarders zijn zoals vermeld ook aan een bijzonder tuchtstelsel onderworpen.

Bovendien heeft de wetgever voorzien in de aanwijzing van een aangestelde voor de gegevensbescherming binnen de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders, die volledig onafhankelijk optreedt en die onder meer belast is met het verstrekken van deskundige adviezen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging van persoonsgegevens en met het opstellen, het toepassen, het bijwerken en het controleren van een beleid inzake de beveiliging en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (artikel 32quater/2, § 7, van het Gerechtelijk Wetboek).

Ten slotte komt het de Koning toe de nadere regels voor de inrichting en werking van het Centraal register en de erin opgenomen gegevens te bepalen, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (artikel 32quater/2, § 6, van het Gerechtelijk Wetboek). In de parlementaire voorbereiding heeft de bevoegde minister bevestigd « dat eerlang de nodige besluiten zullen worden uitgevaardigd waarin de noodzakelijke technische specificaties en vereisten bepaald worden. Daarbij zal er uiteraard over gewaakt worden dat de documenten in kwestie voldoende beveiligd zijn » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1590/006, pp. 48-49).

B.9.3. De grieven zijn niet gegrond.

Wat betreft het wettigheidsbeginsel

B.10.1. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepalingen het wettigheidsbeginsel schenden doordat het gerechtelijk elektronisch adres door de « bevoegde overheid » wordt toegekend, zonder dat de wetgever zelf die « bevoegde overheid » bepaalt, en doordat de Koning wordt toegestaan de door de wetgever bepaalde termijn van dertig jaar voor het bewaren van de gegevens van een elektronische betekening te verkorten.

B.10.2. De Grondwet vereist een wetgevend optreden voor het instellen van rechtbanken, voor de organisatie ervan op jurisdictioneel vlak en voor het statuut van de rechters (zie arrest nr. 138/2015, 15 oktober 2015, B.40.1), maar dat vereiste geldt niet voor de gehele regeling van de rechtspleging. Het in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens vervatte vereiste dat een rechtbank dient te worden ingesteld « bij de wet » heeft een soortgelijke draagwijdte (zie o.a. EHRM, 12 januari 2016, Miracle Europe Kft t. Hongarije, §§ 47-52).

Zelfs voor de aspecten van het recht op een behoorlijke rechtsbedeling waarvoor een wetgevend optreden vereist is, staat het wettigheidsbeginsel een delegatie aan de Koning niet in de weg voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld.

B.10.3. De bestreden bepalingen hebben geen betrekking op de inrichting en organisatie van de rechtbanken, noch op het statuut van de rechters.

B.10.4. Zoals blijkt uit B.7.2, houdt de mogelijkheid tot elektronische betekening op zichzelf geen inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven in, zodat de machtiging aan de « bevoegde overheid » om een gerechtelijk elektronisch adres toe te kennen het in artikel 22 van de Grondwet vervatte wettigheidsbeginsel, vermeld in B.6.4, niet kan schenden.

B.10.5. Het bewaren van de gegevens in het register van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders valt daarentegen wel onder het toepassingsgebied van de voormelde grondwetsbepaling. De machtiging aan de Koning is evenwel niet in strijd met het wettigheidsbeginsel. Hij mag de door de wetgever bepaalde termijn van dertig jaar voor het bewaren van de gegevens van een elektronische betekening enkel verkorten, niet verlengen. Een bespoediging van het verwijderen van de gegevens uit het register, vermindert het risico op een schending van het recht op eerbiediging van het privéleven. De Koning kan bovendien de procedure voor een versnelde verwijdering slechts vaststellen na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

B.10.6. Telkens een betekening op elektronische wijze wordt verricht, wordt de geadresseerde op de hoogte gebracht van de hem betreffende gegevens die in het register worden opgeslagen, van de categorieën van personen die toegang hebben tot die gegevens, van de bewaartermijn van die gegevens, van de verantwoordelijke voor de verwerking van die gegevens en van de wijze waarop hij inzage kan krijgen van die gegevens (artikel 32quater/1, § 1, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek).

De wetgever heeft de essentie van die kennisgeving zelf geregeld en hij vermocht de nadere regeling daarvan aan de Koning toe te vertrouwen, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

B.10.7. De grieven zijn niet gegrond.

Wat betreft het recht op een behoorlijke rechtsbedeling

B.11.1. De verzoekende partijen voeren allereerst aan dat de bestreden bepalingen op discriminerende wijze afbreuk doen aan het recht op een behoorlijke rechtsbedeling, doordat zij niet dezelfde waarborgen bieden in geval van een niet geslaagde elektronische betekening als degene die gelden in geval van een niet geslaagde betekening aan de persoon. Zij merken meer bepaald op dat in geval van een niet geslaagde elektronische betekening de gerechtsdeurwaarder enkel een gewone brief moet versturen, zonder een afschrift van de betekende akte, waarin hij meldt dat een elektronische betekening heeft plaatsgevonden.

B.11.2. Indien de betekening niet aan de persoon kan worden gedaan, geschiedt zij aan de woonplaats of, bij gebrek aan woonplaats, aan de verblijfplaats van de geadresseerde en, voor een rechtspersoon, aan de maatschappelijke of de administratieve zetel. Het afschrift van de akte wordt ter hand gesteld aan een bloedverwante, aanverwante, dienstbode of aangestelde van de geadresseerde (artikel 35 van het Gerechtelijk Wetboek).

Als dat laatste niet mogelijk is, bestaat de betekening in het door de gerechtsdeurwaarder achterlaten aan de woonplaats of, bij gebrek aan woonplaats, aan de verblijfplaats van de geadresseerde, van een afschrift van het exploot onder gesloten omslag met vermelding van het kantoor van de gerechtsdeurwaarder, de naam en voornaam van de geadresseerde, de plaats van betekening en de vermelding « Pro Justitia - Dadelijk af te geven » (artikel 38, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek).

B.11.3. Indien de elektronische betekening niet mogelijk is, dient de betekening aan de persoon te gebeuren (artikel 32quater/3, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek). Dat is het geval wanneer de geadresseerde geen gerechtelijk elektronisch adres heeft en hij evenmin heeft toegestemd om op een adres van elektronische woonstkeuze te betekenen. In dat geval zijn de voormelde artikelen 35 en 38 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing indien de betekening niet aan de persoon kan worden gedaan en is er geen sprake van een verschil in behandeling.

B.11.4. Indien de geadresseerde een gerechtelijk elektronisch adres heeft of indien hij heeft toegestemd om op een adres van elektronische woonstkeuze te betekenen, is de elektronische betekening wel mogelijk en krijgt de gerechtsdeurwaarder in beginsel binnen de vierentwintig uur de bevestiging vanwege het register dat de akte daadwerkelijk werd betekend op het betrokken adres. Dat betekent niet dat het bericht van betekening werd gelezen. Daarom ontvangt de gerechtsdeurwaarder een bericht zodra de geadresseerde het bericht tot elektronische betekening heeft geopend. Als hij geen dergelijk bericht heeft ontvangen binnen vierentwintig uur na verzending van het bericht van betekening, dient hij de eerstvolgende werkdag een gewone brief aan de geadresseerde te sturen waarin hij meldt dat een elektronische betekening werd gedaan (artikel 32quater/1, § 2, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek).

Wanneer de betekening gebeurde op een adres van elektronische woonstkeuze, heeft de geadresseerde zijn uitdrukkelijke en voorafgaande toestemming verleend tot de betrokken elektronische betekening en volstaat het dat hij per brief erop wordt geattendeerd dat de elektronische betekening daadwerkelijk heeft plaatsgevonden opdat hij de akte op het beveiligd digitaal platform zal kunnen raadplegen.

Wanneer de betekening gebeurde op het door de bevoegde overheid toegekende gerechtelijk elektronisch adres, is het evenwel mogelijk dat de geadresseerde geen toegang heeft tot dat adres en dus de akte niet zal kunnen raadplegen. De Ministerraad verduidelijkt in dat verband dat « de beslissing om over te gaan tot de daadwerkelijke toewijzing van een gerechtelijk elektronisch adres aan elke burger, zal [...] worden genomen in functie van de maatschappelijke en digitale evolutie » en dat die toewijzing met andere woorden « afhankelijk [zal] zijn van de te verwachten veranderingen inzake beschikbaarheid van de noodzakelijke infrastructuur en van de vaardigheden en kennis die nodig zijn om die infrastructuur te gebruiken ». In de parlementaire voorbereiding beklemtoonde de bevoegde minister « dat de regering inderdaad oog moet hebben voor de digitale kloof. Daarom is het ook nog geen uitgemaakte zaak of en op welk tijdstip men nog uitsluitend op elektronische wijze zal betekenen en aan iedereen een gerechtelijk elektronisch adres zal worden toegekend. Hierover moet nog grondig worden nagedacht en overlegd » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1590/006, p. 49).

B.11.5. Zoals in B.10.6 is vermeld, wordt de geadresseerde op de hoogte gebracht van de hem betreffende gegevens die in het register worden opgeslagen alsook van de wijze waarop hij inzage kan krijgen van die gegevens (artikel 32quater/1, § 1, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek).

Dat recht op inzage van de opgeslagen gegevens is overigens niet afhankelijk van die kennisgeving, maar vloeit rechtstreeks voort uit de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, zoals in de parlementaire voorbereiding werd bevestigd :

« Omwille van de gevoeligheid van de verzamelde informatie wordt de toegang uitdrukkelijk voorbehouden en beperkt tot de beroepsgroepen of personen die betrokken zijn, hetzij bij de betekening, hetzij bij de controle van de rechtsgeldigheid ervan. De toegang voor de procespartij, al dan niet vertegenwoordigd, is gelegen in de bepalingen van de Wet op de Privacy die deze toegang ten allen tijde verzekeren. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1590/001, p. 27).

B.11.6. Onder het in B.11.4 bedoelde voorbehoud, namelijk de zekerheid dat eenieder in staat is zijn elektronisch adres en de hem betekende akte te raadplegen, zijn de grieven niet gegrond.

B.12.1. De verzoekende partijen voeren voorts aan dat de bestreden bepalingen het recht op een eerlijk proces, zowel in strafzaken als in andere zaken, schenden doordat de betekening naar keuze van de gerechtsdeurwaarder en afhankelijk van de specifieke omstandigheden van de zaak zowel aan de persoon als op elektronische wijze kan gebeuren en de geadresseerde dus zowel op zijn woonplaats of verblijfplaats aanwezig moet zijn als zijn gerechtelijk elektronisch adres dagelijks moet raadplegen, wat een bron van rechtsonzekerheid zou zijn. Bovendien zou de geadresseerde zijn gerechtelijk elektronisch adres dagelijks moeten raadplegen, zelfs wanneer hij toestemming heeft verleend voor de betekening op een adres van elektronische woonstkeuze.

B.12.2. Uit de beoordeling van de vorige grieven blijkt dat de wetgever zowel voor de betekening aan de persoon als voor de elektronische betekening in een procedure heeft voorzien voor het geval de betekening niet mogelijk is. Die procedure waarborgt het recht op een behoorlijke rechtsbedeling.

B.12.3. Zoals uit artikel 32quater/1, § 1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek blijkt, is de betekening op het adres van elektronische woonstkeuze maar mogelijk wanneer geen gerechtelijk elektronisch adres bestaat. De wetgever heeft dus uitgesloten dat de geadresseerde twee verschillende elektronische adressen moet raadplegen.

B.12.4. De grieven zijn niet gegrond.

B.13.1. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepalingen het recht op een eerlijk proces, meer bepaald de beginselen van onpartijdigheid en onafhankelijkheid, schenden doordat de wijze van betekening aan de keuze van de gerechtsdeurwaarder wordt overgelaten en doordat de gerechtsdeurwaarders zelf een register kunnen opmaken voor eigen gebruik en daar als enigen toezicht op uitoefenen.

B.13.2. De gerechtsdeurwaarder is weliswaar een ministeriële ambtenaar die zijn medewerking verleent aan de uitvoering van de openbare dienst van het gerecht en die in de ogen van het publiek onafhankelijkheid en onpartijdigheid dient uit te stralen, maar hij neemt niet deel aan de eigenlijke rechtsprekende functie of het daadwerkelijk op gang brengen van een vervolging. De onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het gerecht, die door artikel 151, § 1, van de Grondwet en artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens worden gewaarborgd, hebben enkel betrekking op de magistraten van de zetel en van het openbaar ministerie.

Bijgevolg kan de schending van die bepalingen, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, niet ten aanzien van de gerechtsdeurwaarders worden aangevoerd.

B.13.3. De grieven zijn niet gegrond.

B.14.1. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepalingen het recht op een eerlijk proces en het vermoeden van onschuld schenden doordat zij iedereen verplichten om zich de nodige infrastructuur aan te schaffen om de elektronische betekeningen in strafzaken te ontvangen zonder dat de overheid de kosten daarvan vergoedt.

B.14.2. Krachtens artikel 6.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens wordt eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld volgens de wet wordt bewezen.

B.14.3. De door de bestreden bepalingen ingevoerde regeling inzake de elektronische betekening doet geen vermoeden van schuld ontstaan. Het loutere feit dat de overheid de kosten van de benodigde infrastructuur niet vergoedt, kan onder het in B.11.4 vermelde voorbehoud niet worden geacht het vermoeden van onschuld in het gedrang te brengen.

B.14.4. De grief is niet gegrond.

B.15.1. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepalingen het recht op een eerlijk proces en het recht op juridische bijstand schenden doordat zij niet waarborgen dat de overheid de nodige infrastructuur kosteloos ter beschikking stelt, doordat niet elke geadresseerde de vereiste vaardigheid en kennis beschikt om de betrokken infrastructuur te gebruiken en doordat personen die van hun vrijheid zijn beroofd geen toegang hebben tot de infrastructuur waarmee ze hun gerechtelijk elektronisch adres kunnen raadplegen. De bestreden bepalingen zouden ook de rechten van oudere personen en personen met een handicap schenden doordat de elektronische betekening hun deelname aan het openbare leven zou belemmeren.

B.15.2. Zoals is vermeld in B.11.4 was de wetgever zich ervan bewust dat niet iedereen over de benodigde infrastructuur en de vereiste vaardigheden en kennis beschikt om een gerechtelijk elektronisch adres te kunnen raadplegen en zal de bevoegde overheid pas tot de daadwerkelijke toewijzing van een gerechtelijk elektronisch adres aan elke burger overgaan wanneer die infrastructuur voorhanden is en die vaardigheden en kennis in voldoende mate en voor alle bevolkingsgroepen verwezenlijkt zijn.

B.15.3. Ten aanzien van personen die van hun vrijheid zijn beroofd, dient inzonderheid het openbaar ministerie erover te waken dat hun recht op een eerlijk proces wordt gewaarborgd. In strafzaken kan het openbaar ministerie krachtens artikel 32quater/3, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek eisen dat de betekening aan de persoon gebeurt. Die bepaling dient aldus te worden begrepen dat de betekening daadwerkelijk aan de persoon gebeurt wanneer die geen toegang heeft tot zijn gerechtelijk elektronisch adres.

B.15.4. Onder het in B.11.4 en in B.15.3 bedoelde voorbehoud, zijn de grieven niet gegrond.

B.16.1. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepalingen het recht op een eerlijk proces, meer bepaald de waarborg dat de termijn pas ingaat vanaf de ontvangst van de akte, schenden doordat de betekening wordt geacht te zijn gedaan op de datum van de verzending van het bericht tot betekening op elektronische wijze of op de datum van de verzending van het verzoek tot toestemming tot betekening op elektronische wijze.

B.16.2. Wanneer de gerechtsdeurwaarder een bericht tot elektronische betekening of een verzoek tot toestemming om elektronisch te betekenen verzendt, krijgt hij binnen de vierentwintig uur na de verzending van dat bericht of verzoek een bevestiging dat de akte daadwerkelijk werd betekend op het elektronisch adres. Krachtens artikel 32quater/1, § 2, eerste lid, laatste zin, van het Gerechtelijk Wetboek wordt de betekening in dat geval « geacht te zijn gedaan op de datum van de verzending van het voormelde bericht of verzoek ».

Wanneer het een verzoek tot toestemming om elektronisch te betekenen betreft, blijkt uit B.4 dat na het geldig verlenen, op het beveiligd digitaal platform, van de toestemming tot betekenen op het adres van elektronische woonstkeuze, onmiddellijk toegang wordt verleend tot de inhoud van de akte (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1590/001, p. 24), zodat ook in dat geval de betekening wordt geacht te zijn gedaan op de datum van verzending van het vermelde verzoek.

B.16.3. Krachtens artikel 57 van het Gerechtelijk Wetboek begint de termijn voor verzet, hoger beroep en voorziening in cassatie, tenzij de wet anders bepaalt, bij de betekening van de beslissing aan de persoon of aan de woonplaats, vanaf de afgifte of het achterlaten van het afschrift (zoals vastgesteld in de artikelen 38 en 40 van hetzelfde Wetboek) of bij de betekening op elektronische wijze van de beslissing.

B.16.4. Vanaf de bevestiging dat de akte daadwerkelijk werd betekend op het gerechtelijk elektronisch adres of het adres van elektronische woonstkeuze, staat vast dat de geadresseerde van de betekende akte kennis heeft kunnen nemen op het moment van de elektronische betekening. Het is immers eigen aan een elektronische betekening dat het verzonden bericht terstond toekomt op het elektronisch adres van de geadresseerde.

Het is redelijk verantwoord dat de wetgever, om rechtsonzekerheid te vermijden, de termijnen van rechtspleging laat lopen vanaf een datum die niet afhankelijk is van de handelwijze van de partijen. Hij heeft daarbij niettemin in bijkomende waarborgen voorzien.

Als de gerechtsdeurwaarder geen bevestiging ontvangt binnen vierentwintig uur na verzending van het bericht tot elektronische betekening of van het verzoek tot toestemming om elektronisch te betekenen, dient hij onmiddellijk over te gaan tot de betekening aan de persoon.

Als de gerechtsdeurwaarder wel een bericht van bevestiging krijgt maar, binnen dezelfde termijn, geen bericht ontvangt dat de geadresseerde het bericht tot elektronische betekening of het verzoek tot toestemming om elektronisch te betekenen daadwerkelijk heeft geopend, dient hij de eerstvolgende werkdag een gewone brief aan de geadresseerde te sturen waarin hij meldt dat een elektronische betekening werd gedaan.

Bovendien mag krachtens artikel 47 van het Gerechtelijk Wetboek geen betekening worden gedaan vóór zes uur 's morgens en na negen uur 's avonds, noch op een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag behalve in spoedeisende gevallen en met rechterlijke toestemming. Zoals uit de parlementaire voorbereiding blijkt, geldt die bepaling ook voor de elektronische betekening (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1590/001, p. 26).

B.16.5. De grief is niet gegrond.

B.17.1. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepalingen onder meer de procedurele rechten van de geadresseerden schenden doordat vrijstelling zou worden verleend van het verbod om te betekenen vóór zes uur 's morgens en na negen uur 's avonds en op zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen.

B.17.2. Zoals is vermeld in B.16.4 geldt artikel 47 van het Gerechtelijk Wetboek ook voor de elektronische betekening, zodat de grief op dat punt zonder grondslag is.

B.17.3. De verzoekende partijen voeren voorts aan dat, indien het verbod van betekening op bepaalde tijdstippen toepassing vindt, de geadresseerde de naleving van dat verbod niet kan nagaan bij gebrek aan vermelding van het uur van betekening in het exploot van dagvaarding.

Zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet wordt « in een time-stamping systeem voorzien. Het koninklijk besluit in uitvoering van artikel 32quater/2, § 6, zal dat systeem van time-stamping omschrijven » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1590/001, pp. 26-27). Het komt de bevoegde rechter toe de grondwettigheid van dat koninklijk besluit te beoordelen.

B.17.4. De grief is niet gegrond.

B.18.1. De verzoekende partijen voeren ten slotte aan dat de bestreden bepalingen het recht op een eerlijk proces en het gelijkheidsbeginsel schenden doordat niet is bepaald op welke wijze om de eerste toestemming van de geadresseerde tot betekening op het adres van elektronische woonstkeuze wordt verzocht bij gebrek aan een elektronisch adres en bij gebrek aan een lijst van adressen van elektronische woonstkeuze die immers pas kan worden opgemaakt zodra de geadresseerde zijn eerste toestemming heeft gegeven.

B.18.2. De wetgever heeft de Koning opgedragen, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de nadere regels te bepalen voor de opstelling van de lijst van de adressen van elektronische woonstkeuze waarop reeds met toestemming van de geadresseerde werd betekend (artikel 32quater/2, § 1, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek). De Koning dient bij het uitvaardigen van die regels met name het recht op een eerlijk proces en het gelijkheidsbeginsel te eerbiedigen. Het komt niet het Hof maar de bevoegde rechter toe daarop toe te zien.

B.18.3. De grief is niet gegrond.

Wat het gelijkheidsbeginsel betreft

B.19.1. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepalingen het gelijkheidsbeginsel schenden doordat voor de elektronische betekening aan de procureur des Konings niet de regel geldt dat bij gebrek aan ontvangst van een bericht van opening binnen vierentwintig uur na de verzending van het bericht of het verzoek, de gerechtsdeurwaarder de eerstvolgende werkdag een gewone brief van melding van de elektronische betekening aan de geadresseerde moet sturen.

B.19.2. Wanneer de in B.11.2 vermelde betekening aan de woonplaats of verblijfplaats van de geadresseerde materieel onmogelijk is, wordt een afschrift van het exploot overhandigd aan de procureur des Konings van het betrokken rechtsgebied. Hetzelfde geldt wanneer de woning waar de persoon aan wie wordt betekend zijn woonplaats heeft, klaarblijkelijk verlaten werd zonder dat hij de overbrenging van woonplaats heeft gevraagd. Op verzoek van de procureur des Konings worden de nodige maatregelen getroffen opdat het afschrift binnen de kortst mogelijke tijd bij de betrokkene toekomt (artikel 38, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek).

Bij artikel 13 van de bestreden wet heeft de wetgever gepreciseerd dat de betekening aan de procureur des Konings bij voorrang op elektronische wijze geschiedt overeenkomstig artikel 32quater/1. In dat geval is artikel 32quater/1, § 2, vierde lid, dat de verplichting oplegt aan de gerechtsdeurwaarder tot het verzenden van een gewone brief indien hem niet binnen vierentwintig uur werd bevestigd dat de geadresseerde de hem betekende akte heeft geopend, niet van toepassing. De wetgever mag immers redelijkerwijze veronderstellen dat de procureur des Konings de hem betekende akten onverwijld opent. Hetzelfde geldt ten aanzien van de bestreden artikelen 14 en 15 van de wet van 4 mei 2016.

B.19.3. De grief is niet gegrond.

Wat de standstill-verplichting betreft

B.20.1. In verschillende grieven voeren de verzoekende partijen een schending aan van artikel 23 van de Grondwet, doordat de bestreden bepalingen het bestaande beschermingsniveau zouden verminderen.

B.20.2. Artikel 23 van de Grondwet waarborgt inzake de erin vervatte rechten een standstill-verplichting die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving in aanzienlijke mate vermindert zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang.

B.20.3. Zonder dat het nodig is te onderzoeken of artikel 23 van de Grondwet en de daarin vervatte standstill-verplichting van toepassing is, blijkt uit het onderzoek van de vorige grieven dat de bestreden bepalingen, onder het in B.11.4 en in B.15.3 bedoelde voorbehoud, niet als een achteruitgang inzake de rechtsbescherming van de rechtzoekenden kunnen worden beschouwd.

B.20.4 De grief is niet gegrond.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt het beroep onder voorbehoud van wat in B.11.4 en B.15.3 is vermeld.

Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 5 oktober 2017.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

E. De Groot