Grondwettelijk Hof (Arbitragehof): Arrest van 7 Januari 1992 (België). RG 232

Datum :
07-01-1992
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
1 pagina
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19920107-1
Rolnummer :
232

Samenvatting :

Het Hof 1. Vernietigt artikel 45 van de wet van 19 januari 1990 tot verlaging van de leeftijd van burgerlijke meerderjarigheid tot 18 jaar, waarbij een artikel 37bis in de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming wordt ingevoegd. 2. Handhaaft definitief de gevolgen van de vernietigde bepalingen voor alle handelingen, gesteld voor de bekendmaking van onderhavig arrest. 3. Handhaaft, uiterlijk tot 31 december 1992, de gevolgen van de vernietigde bepalingen, zoals hierna nader is bepaald : - de bepalingen van artikel 37bis, alinéa 1, zullen van toepassing blijven op elk verzoekschrift dat voor 31 december 1992 wordt ingediend; - de bepaling van artikel 37bis, alinéa 2, zal de jeugdrechtbank tot 31 december 1992 toelaten de beslissing te nemen waarin het artikel voorziet en ze vervolgens uit te voeren zelfs na die datum; - de bepalingen van artikel 37bis, alinéa alinéa 3 en 4, zullen van kracht blijven tot 31 december 1992. (Onderwerp van de bestreden bepaling Artikel 45 van de wet van 19 januari 1990 voegt een nieuw artikel 37bis in in de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming dat als volgt luidt : "alinéa 1. De minderjarige die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd, kan evenwel bij verzoekschrift, binnen een termijn van zes maanden tot uiterlijk een maand voor zijn meerderjarigheid, voor een duur die hij bepaalt, de verlenging vorderen van de maatregelen die overeenkomstig artikel 37, tweede lid, 2°, 3° of 4°, te zijnen aanzien zijn genomen. De jeugdrechtbank kan die verlenging toestaan voor een duur die zij bepaalt en die twee jaar noch de gevraagde duur mag overschrijden. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en moet worden gewezen alvorens de betrokkene meerderjarig wordt. alinéa 2. Indien de minderjarige zeventien jaar oud is en een als misdaad of wanbedrijf omschreven feit heeft gepleegd, kan de jeugdrechtbank, wanneer zij een van de in artikel 37, tweede lid, 2°, 3° of 4°, bepaalde maatregelen neemt, beslissen dat de zaak haar opnieuw moet worden voorgelegd binnen een termijn van drie maanden voor de meerderjarigheid, met het oog op de handhaving of de toepassing van één van die maatregelen voor een termijn die zich niet verder mag uitstrekken dan de dag waarop de betrokkene de leeftijd van twintig jaar bereikt. alinéa 3. De jeugdrechtbank kan te allen tijde de hierboven bedoelde maatregelen intrekken, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van het openbaar ministerie, hetzij op uitdrukkelijk verzoek van de betrokkene. De betrokkene moet vooraf door de jeugdrechtbank zijn opgeroepen. alinéa 4. Van die maatregelen tot verlenging wordt geen melding gemaakt in het strafregister." In rechte Ten aanzien van het eerste middel 1. Luidens artikel 59bis, alinéa 2bis, van de Grondwet regelen de Gemeenschapsraden, ieder wat hem betreft, bij decreet de persoonsgebonden aangelegenheden, die door een met een bijzondere meerderheid aangenomen wet zijn vastgesteld. Artikel 5, alinéa 1, II, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, gewijzigd bij de wet van 8 augustus 1988, vermeldt onder de persoonsgebonden aangelegenheden : " 6° De jeugdbescherming, met inbegrip van de sociale bescherming en de gerechtelijke bescherming, maar met uitzondering van : (...) c) de organisatie van de jeugdgerechten, hun territoriale bevoegdheid en de rechtspleging voor die gerechten; d) de opgave van de maatregelen die kunnen worden genomen ten aanzien van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd;". 2. De nationale overheid is bijgevolg op het domein van de gerechtelijke jeugdbescherming onder meer bevoegd gebleven voor de "opgave" van de maatregelen die kunnen worden genomen ten aanzien van minderjarige personen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd. Krachtens artikel 5, alinéa 1, II, 6°, d), van voormelde bijzondere wet, is de nationale overheid dus bevoegd gebleven voor de inhoudelijke omschrijving van die maatregelen. De bepaling van de duur van die maatregelen is een element van die inhoudelijke omschrijving. De Gemeenschappen daarentegen zijn bevoegd voor de infrastructuur waarin die maatregelen worden ten uitvoer gelegd. Door de jeugdrechtbanken de mogelijkheid te bieden om de bovenbedoelde gerechtelijke maatregelen te laten doorlopen na de meerderjarigheid, heeft de nationale wetgever een regeling getroffen met betrekking tot de duur van die maatregelen en is hij binnen zijn bevoegdheid gebleven, zelfs al is de beslissing op verzoek van de minderjarige genomen. Ook in dat geval gaat het om de verlenging van een gerechtelijke maatregel waarover door de jeugdrechtbank is beslist, ten aanzien van een minderjarige die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd, zodat het terrein van de sociale jeugdbescherming, die in haar geheel tot de bevoegdheden van de Gemeenschappen behoort, geenszins wordt betreden. 3. De omstandigheid dat jeugdbeschermingsmaatregelen krachtens de bestreden bepalingen na het bereiken van de meerderjarigheid kunnen behouden blijven, en dus van toepassing zijn op meerderjarigen, is niet terzake dienend : eensdeels wordt de maatregel opgelegd op basis van een feit dat tijdens de minderjarigheid is gepleegd - omstandigheid die de bevoegdheid van de jeugdrechtbank en het opleggen van een jeugdbeschermingsmaatregel wettigt -, anderdeels wordt de aard van die maatregel niet gewijzigd door het bereiken van de meerderjarigheid en beogen de bestreden bepalingen de continuïteit van de hulp- en bijstandsverlening door de gerechtelijke jeugdbescherming te bewerkstelligen. 4. Daarbij komt dat, in zoverre de eerste paragraaf van artikel 37bis bepaalt dat het verzoek wordt ingediend bij verzoekschrift binnen zes maanden die aan de meerderjarigheid van de betrokkene voorafgaan en stelt dat het vonnis uitvoerbaar is bij voorraad hij de procedure voor de jeugdrechtbank regelt. Bedoelde paragraaf heeft betrekking op een aangelegenheid die, krachtens artikel 5, alinéa 12, II, 6°, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, tot de bevoegdheid van de nationale wetgever is blijven behoren. 5. Uit wat voorafgaat volgt dat de nationale wetgever bevoegd was om de bestreden bepalingen van paragrafen 1 en 2 van artikel 37bis aan te nemen. Aangezien de paragrafen 3 en 4 onlosmakelijk verbonden zijn met de paragrafen 1 en 2, was de nationale wetgever tevens bevoegd om de bepalingen van paragrafen 3 en 4 aan te nemen. Het eerste middel is niet gegrond. Ten aanzien van het tweede middel 1. Artikel 6, alinéa 3bis, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, dat is ingevoegd bij de wet van 8 augustus 1988, bepaalt : "Er wordt overleg gepleegd tussen de betrokken Executieven en de betrokken nationale overheid over : (...) 4° de opgave en de opvolging van de maatregelen die kunnen worden genomen ten aanzien van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd". Artikel 124bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, dat is ingevoegd bij de bijzondere wet van 16 januari 1989, bepaalt, van zijn kant : "Voor de toepassing van de artikelen 1 en 26, alinéa 1, worden als regels bedoeld in 1° van deze twee bepalingen, beschouwd het overleg, de betrokkenheid, het geven van inlichtingen, de adviezen, de eensluidende adviezen, de akkoorden, de gemeenschappelijke akkoorden en de voorstellen waarvan sprake is in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, de samenwerkingsakkoorden bedoeld in artikel 92bis van voornoemde wet uitgezonderd, alsook in de bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten of in elke andere wet genomen ter uitvoering van de artikelen 59bis, 59ter, 107quater, 108ter en 115 van de Grondwet." De bepalingen die de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten verplichten tot de daarin opgesomde vormen van samenwerking bij het uitoefenen van hun bevoegdheden, moeten derhalve worden beschouwd als bevoegdheidsbepalende regels, waarvan de schending van die aard is dat zij de vernietiging door het Hof van de wet, het decreet of de ordonnantie tot gevolg heeft. 2. Aangezien bij de bespreking van het eerste middel is gebleken dat de bestreden bepalingen betrekking hebben op de "opgave van de maatregelen die kunnen worden genomen ten aanzien van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd" waarvoor de nationale overheid bevoegd is, kon die overheid de aangevochten bepaling niet aannemen zonder dat het overleg met de Gemeenschapsexecutieven, als bedoeld in artikel 6, alinéa 3bis, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, had plaatsgevonden. 3. Het overleg heeft tot doel de overheid die de beslissingsmacht heeft, te verplichten rekening te houden met de opvatting van een andere overheid (Gedr. St., Senaat, 1979, nr. 621/2, 162; Gedr. St., Kamer, 1979-1980, nr. 627/10, 109; Gedr. St., Senaat, 1981-1982,, nr. 246/1, 40), zonder dat evenwel de beslissende overheid haar vrijheid van handelen verliest (Gedr. St., Senaat, 1979, nr. 621/2, 162). Het overleg heeft enkel zin indien het plaatsvindt voor het nemen van de beslissing. 4. Uit de gegevens waarover het Hof beschikt blijkt niet dat het door artikel 6, alinéa 3bis, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 voorgeschreven overleg met de Gemeenschapsexecutieven heeft plaatsgevonden. Het tweede middel is gegrond. 5. Met toepassing van artikel 1, 1°, en artikel 124bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989, dient de bestreden bepaling te worden vernietigd. 6. De bestreden bepalingen hebben tot doel de ongunstige gevolgen te voorkomen die de verlaging van de burgerlijke meerderjarigheid tot de leeftijd van 18 jaar zou kunnen hebben voor de minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd korte tijd voordat zij die leeftijd bereiken. Indien de jeugdrechtbank de bestreden bepalingen niet kan toepassen loopt zij het risico dat zij de zaak uit handen moet geven en naar het openbaar ministerie verwijzen met het oog op vervolging voor een strafgerecht, wanneer een minderjarige de 18 jaar nabij is, niet, zoals het wetsbestel het wil, omdat geen andere maatregel adequaat zou zijn, maar omdat een dergelijke maatregel niet meer op nuttige wijze te zijnen behoeve zou kunnen worden genomen. Om dergelijke gevolgen te voorkomen die zouden indruisen tegen de doelstelling van de jeugdbescherming, dienen, met toepassing van artikel 8, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof de gevolgen van de vernietigde bepalingen te worden gehandhaafd, zoals in het dictum hierna is gezegd. )

Arrest :

De geconsolideerde versie van deze tekst is niet beschikbaar.