Hof van Cassatie: Arrest (België). RG P.19.1024.N
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-20201201-2
- Rolnummer :
- P.19.1024.N
Samenvatting :
Samenvatting 1
Arrest :
Nr. P.19.1024.N
V D,
beklaagde,
eiser,
met als raadsman mr. Sven De Baere, advocaat bij de balie Brussel,
tegen
FLUVIUS SYSTEM OPERATOR cv, met zetel te 9090 Melle, Brusselsesteenweg 199,
burgerlijke partij,
verweerster.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 18 september 2019.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht een middel aan.
Advocaat-generaal Bart De Smet heeft op 19 november 2020 ter griffie van het Hof een schriftelijke conclusie ingediend.
Op de rechtszitting van 1 december 2020 heeft raadsheer Filip Van Volsem verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Middel
1. Het middel voert schending aan van artikel 204 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering niet aanhangig is in hoger beroep; een verklaring van hoger beroep waarin wordt vermeld dat het is gericht tegen alle beschikkingen van het beroepen vonnis, samen gelezen met het grievenformulier waarin de schuld van de ten laste gelegde misdrijven als grief wordt vermeld, houdt in dat het hoger beroep ook betrekking heeft op de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering, ook als daarover in het grievenformulier geen afzonderlijke grief is vermeld; de grief over de schuld houdt impliciet maar noodzakelijk een grief in over het bestaan van het misdrijf als fout dat als grondslag dient voor de burgerlijke rechtsvordering.
2. Artikel 203 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het recht van hoger beroep vervalt indien de verklaring van hoger beroep niet is gedaan op de griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen uiterlijk dertig dagen na de dag van de uitspraak indien het een op tegenspraak gewezen vonnis betreft.
3. Artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat op straffe van verval van het hoger beroep het verzoekschrift of het grievenformulier nauwkeurig de grieven moet bepalen die tegen het vonnis worden ingebracht en dat dit verzoekschrift of grievenformulier moet worden ingediend binnen dezelfde termijn als de verklaring van hoger beroep.
4. Het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht van toegang tot de rechter, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, belet de lidstaten niet het instellen van rechtsmiddelen afhankelijk te maken van voorwaarden, voor zover die voorwaarden een wettig doel dienen en er een redelijke verhouding bestaat tussen de opgelegde voorwaarden en het nagestreefde doel. Die voorwaarden mogen niet ertoe leiden dat het recht op het instellen van het rechtsmiddel in de kern wordt aangetast. Bij de toepassing van die voorwaarden mag de rechter niet overdreven formalistisch zijn zodat de billijkheid van de procedure wordt aangetast of overdreven soepel zodat de opgelegde voorwaarden inhoudsloos worden.
5. Met de verplichting voor de appellant op straffe van verval van het hoger beroep de grieven tegen de beroepen beslissing kenbaar te maken, beoogt de wetgever een doelmatiger behandeling van de strafzaken in hoger beroep, het vermijden van nutteloze werklast en kosten door het niet langer voorleggen van niet-betwiste beslissingen aan de appelrechter en ten slotte de tegenpartijen en de appelrechter in de gelegenheid te stellen te bepalen van welke beslissingen de appellant de hervorming wenst. Die verplichting, alsook de in artikel 204 Wetboek van Strafvordering duidelijk bepaalde verplichting om binnen de appeltermijn de grieven schriftelijk in te dienen ter griffie van het gerecht dat de beroepen beslissing heeft gewezen of ter griffie van het appelgerecht zodat snel zekerheid bestaat over de draagwijdte van het hoger beroep, dienen een wettig doel, respecteren een redelijke verhouding tussen de opgelegde beperkingen en het nagestreefde doel en tasten het recht op hoger beroep in de kern niet aan.
6. Uit de artikelen 203 en 204 Wetboek van Strafvordering en hun wetsgeschiedenis volgt dat de saisine van het appelgerecht in de eerste plaats wordt bepaald door de verklaring van hoger beroep en vervolgens binnen de door die verklaring bepaalde grenzen verder door de in het verzoekschrift of het grievenformulier opgegeven grieven.
7. De omstandigheid dat een appellant in zijn verklaring van hoger beroep aangeeft dit rechtsmiddel te richten tegen alle beschikkingen van het beroepen vonnis, maar in het grievenformulier slechts grieven aanvoert tegen bepaalde beslissingsonderdelen, heeft niet tot gevolg dat de saisine van het appelgerecht zich uitstrekt tot alle beschikkingen van het beroepen vonnis. Zij is beperkt tot die beslissingsonderdelen waartegen de appellant grieven aanvoert, alsook tot de beslissingsonderdelen die daarmee onafscheidelijk zijn verbonden.
8. Indien een beklaagde in zijn door artikel 204, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bedoeld verzoekschrift of het door artikel 204, derde lid, Wetboek van Strafvordering bedoeld grievenformulier aangeeft te zijn gegriefd door de uitspraak over de schuld betreffende een of meerdere telastleggingen, zonder aan te geven dat hij is gegriefd door de beslissing over de tegen hem gerichte burgerlijke rechtsvordering, dan is de saisine van het appelgerecht beperkt tot de beslissing over de schuld van de beklaagde op strafgebied en de daarmee onafscheidelijk verbonden beslissingen. De saisine van het appelgerecht strekt zich in dat geval niet uit tot de beslissing over de tegen de beklaagde gerichte burgerlijke rechtsvordering, ook al is die gegrond op feiten waarvoor de beklaagde zijn schuld op strafgebied betwist. Het beslissingsonderdeel betreffende de schuld van een beklaagde op strafgebied en het beslissingsonderdeel betreffende de burgerlijke rechtsvordering van een burgerlijke partij tegen die beklaagde, zelfs al hebben ze betrekking op dezelfde feiten, zijn geen onafscheidelijk verbonden beslissingen voor de toepassing van artikel 204 Wetboek van Strafvordering.
9. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
10. In het verzoekschrift dat de eiser heeft ingediend ter gelegenheid van het instellen van hoger beroep heeft hij de rubriek "2) Grieven met betrekking tot de beoordeling van de schuld - a) over de uitspraak over onschuld/schuld t.a.v. volgende tenlasteleggingen" ingevuld en de rubriek "6) Grieven met betrekking tot de beslissingen op burgerrechtelijk gebied" oningevuld gelaten.
11. Het arrest dat oordeelt dat de saisine van het appelgerecht is beperkt tot de beschikkingen op strafgebied die betrekking hebben op de schuld en de straf en dat het dus geen uitspraak kan doen op burgerrechtelijk gebied, is naar recht verantwoord.
In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
Ambtshalve onderzoek
12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 91,30 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 1 december 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant.