Hof van Cassatie: Arrest (België). RG D.17.0021.N

Datum :
01-03-2019
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-20190301-4
Rolnummer :
D.17.0021.N

Samenvatting :

Samenvatting 1

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Hof van Cassatie van België

Arrest

Nr. D.17.0021.N

INSTITUUT VAN DE ACCOUNTANTS EN DE BELASTINGCONSULEN-TEN, vertegenwoordigd door zijn raad, met zetel te 1000 Brussel, Emile Jac-qmainlaan 135/2,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

C.B.

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de verweerder woon-plaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing van de Commissie van beroep van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten van 30 oktober 2017.

Sectievoorzitter Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid

1. De verweerster werpt een grond van niet-ontvankelijkheid van het middel op: de geschonden bepalingen worden niet per grief gepreciseerd.

2. De aangevoerde schending van de door de eiser aangehaalde artikelen die voldoende gepreciseerd zijn, volstaat om, indien het middel gegrond zou zijn, tot vernietiging van de beslissing te leiden.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Gegrondheid

3. Krachtens artikel 2 Gerechtelijk Wetboek zijn de in dit wetboek gestelde regels van toepassing op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginse-len, waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepa-lingen van dit wetboek.

Krachtens artikel 32 Gerechtelijk Wetboek wordt voor de toepassing van dit wetboek verstaan onder:

1° "betekening": "de afgifte van een origineel of een afschrift van de akte; zij geschiedt bij gerechtsdeurwaardersexploot of, in de gevallen die de wet bepaalt, in de vormen die deze voorschrijft";

2° "kennisgeving": "de toezending van een akte van rechtspleging in origineel of in afschrift: zij geschiedt langs de postdiensten of per elektronische post aan het gerechtelijk elektronisch adres of, in de gevallen die de wet bepaalt, per fax of in de vormen die de wet voorschrijft".

4. Krachtens artikel 6 van de wet 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten kan hij tegen wie een tuchtbeslissing bij verstek werd gewezen, hiertegen verzet aantekenen binnen een termijn van één maand, te rekenen vanaf de dag waarop deze hem werd "betekend".

In de Franse tekst staat "a été notifiée".

Het eerste en tweede lid van artikel 5, § 5, van voormelde wet preciseren:

  • - "De beslissingen van de tuchtcommissie worden met redenen omkleed. Zij worden onverwijld met een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht aan de betrokken accountant of belastingconsulent, de Raad van het Instituut en aan de procureur-generaal bij het hof van beroep".

  • - "Bij deze kennisgeving worden ook alle nuttige inlichtingen gevoegd over de termijn van verzet en hoger beroep en de wijze waarop verzet of hoger beroep kunnen worden ingesteld. Indien deze vermeldingen ontbreken, is de kennis-geving nietig".

  • 5. Uit het onderling verband tussen deze artikelen volgt dat het begrip "bete-kening" in voormeld artikel 6 als een kennisgeving met een ter post aangeteken-de brief moet worden verstaan, zoals nader omschreven in voormeld artikel 5, § 5, en geen gerechtsdeurwaardersexploot vereist.

    6. De appelrechters oordelen op grond van de Nederlandstalige tekst van arti-kel 6 van de wet 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten dat het daar gebruikte begrip "betekening" niet afwijkt van de gemeenrechtelijke betekenis van betekening in artikel 32, 1°, Gerechtelijk Wetboek. Zij oordelen vervolgens op die grond dat bij gebrek aan dergelijke be-tekening de verzetstermijn geen aanvang had genomen en verklaren het verzet van de eiser tegen de beslissing van de tuchtcommissie van 6 juli 2016 ontvanke-lijk.

    Door aldus te oordelen verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht.

    Het middel is in zoverre gegrond.

    Overige grieven

    7. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

    Dictum

    Het Hof,

    Vernietigt de bestreden beslissing behalve in zoverre het oordeelt over de ont-vankelijkheid van het hoger beroep.

    Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de gedeel-telijk vernietigde beslissing.

    Verwijst de aldus beperkte zaak naar de anders samengestelde Nederlandstalige commissie van Beroep.

    Veroordeelt de verweerder tot de kosten.

    Bepaalt de kosten voor de eiser op 689,41 euro.

    Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, sectievoorzitter Alain Smetryns, en de raadsheren Geert Jocqué, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 1 maart 2019 uitgesproken door sectie-voorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Vanessa Van de Sijpe.