Hof van Cassatie: Arrest van 10 April 2003 (België)
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-20030410-9
- Rolnummer :
Samenvatting :
Het cassatieberoep dat door de adoptant wordt ingesteld tegen de procureur-generaal bij het hof van beroep die enkel een advies heeft uitgebracht over de zaak waarin hij geen partij was, is niet-ontvankelijk (1). (1) Cass., 22 feb. 1979 (A.C., 1978-79, 754).
Arrest :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
Nr. C.02.0112.F.-
D. E.,
Mr. Cécile Draps, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 6 december 2001 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Christian Storck heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.
III. Middel
Eiser voert een middel aan.
Het is als volgt gesteld :
Geschonden wetsbepalingen
- de artikelen 8 en 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 ;
- de artikelen 3, 6 en 343, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek ;
- (Belgische) internationale openbare orde.
Aangevochten beslissingen en redenen
Het arrest wijst eisers aanvraag tot homologatie van de adoptieakte van de heer C. af op de volgende gronden :
"Artikel 344, ,§2, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat bij adoptie tussen een Belg en een vreemdeling, wanneer de geadopteerde meer dan 15 jaar oud is, zoals hier het geval is, elk van de partijen moet voldoen aan de voorwaarden van zijn persoonlijk statuut.
Die verwijzing naar het persoonlijk statuut om de aanknoping te bepalen moet volgens het Belgisch recht worden begrepen als een verwijzing naar de nationaliteit ;
Er wordt niet betwist dat (eiser) de bij de Belgische wet gestelde grondvereisten vervult ;
De heer C. is van Moldavische nationaliteit en moet dus voldoen aan de grondvereisten die de Moldavische wetgeving stelt ;
Artikel 99, eerste lid, van het Wetboek inzake huwelijk en gezin van de republiek Moldavië van 1 april 1970 bepaalt dat alleen de adoptie van minderjarigen in hun belang is geoorloofd ;
Er wordt niet betwist dat de geadopteerde, die op 23 augustus 1976 is geboren, op het tijdstip dat de akte van adoptie is opgemaakt, meerderjarig was ;
Bijgevolg is de in de Moldavische wet bepaalde grondvereiste in dit geval niet vervuld ;
(Eiser) betoogt vervolgens dat de toepassing van artikel 99, eerste lid, van het Wetboek inzake huwelijk en gezin van de republiek Moldavië als strijdig met de Belgische internationale openbare orde moet worden beschouwd ;
De Belgische internationale openbare orde is alleen betrokken in zoverre de rechtsregels die normaal van toepassing zijn, strijdig zouden zijn met een beginsel dat van wezenlijk belang moet worden geacht voor de morele, politieke of economische orde zoals die thans in België bestaat ;
Een vreemde wet mag door een Belgische rechter alleen worden afgewezen als de toepassing ervan onverenigbaar is met de normale werking van de instellingen en de juridische grondregels die in België van kracht zijn ;
Inzake adoptie zijn de grondvereisten van het Belgische recht minder beperkend dan die van het Moldavische recht ;
De Belgische wetgever heeft in die materie blijk gegeven van een vrij grote ruimdenkendheid zodat de Belgische internationale openbare orde alleen in het gedrang kan worden gebracht door een buitenlandse wet die nog toleranter staat tegenover adoptie en die de grenzen van het toelaatbare dermate overschrijdt dat het instituut adoptie daardoor elke inhoud dreigt te verliezen ;
Dat is hier niet het geval omdat de Moldavische wet integendeel adoptie zeer precies begrensd, in het kader van een opvatting van het instituut die samenhangt met de finaliteit ervan ;
De toepassing van artikel 99, eerste lid, van het Wetboek inzake huwelijk en gezin van de republiek Moldavië kan dus niet als onverenigbaar met de Belgische internationale openbare orde worden beschouwd ;
Des te meer daar de Belgische wetgeving, die het instituut van adoptie van meerderjarigen weliswaar kent, dergelijke adopties beperkt, door de adoptie ten volle van een meerderjarige radicaal te verbieden (artikel 368, ,§2, van het Burgerlijk Wetboek) en door een tweede (gewone) adoptie te verbieden na de herroeping van de eerste adoptie of na het overlijden van de eerste adoptant (artikel 346, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek) ;
(Eiser) verwijt de eerste rechter dus ten onrechte dat hij het begrip Belgische openbare orde te beperkend heeft uitgelegd ;
(Eiser) betoogt tenslotte dat artikel 99, eerste lid, van het Wetboek inzake huwelijk en gezin van de republiek Moldavië leidt tot discriminatie die strijdig is met de gezamenlijke artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens ;
Het is juist (...) dat de Belgische rechter, zelfs als een aanknopingsregel van het Belgisch internationaal privaatrecht die rechter oplegt een vreemde wet toe te passen, de toepassing van die vreemde wet dient af te wijzen als zij een bepaling van internationaal recht met directe werking in het Belgisch recht schendt ;
De Belgische rechter die verzocht wordt een vreemde wet toe te passen zou immers bijdragen tot de door die wet gepleegde schending door ze over te nemen en uitwerking te verlenen, zelfs als dat gebeurt door middel van de toepassing van een bepaling van internationaal privaatrecht ;
Artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens kan enkel worden aangevoerd in zoverre een door (dat) verdrag beschermd materieel recht (...) door de aangeklaagde discriminatie wordt bedreigd ;
(Eiser) voert dienaangaande de schending aan van artikel 14 in combinatie met artikel 8 van het Verdrag inzake de bescherming van het gezinsleven ;
Adoptant en geadopteerde hebben elkaar in augustus 1995 op de Zuidkermis te Brussel voor het eerst ontmoet, toen de heer C. als kandidaat politiek vluchteling in België verbleef ;
(Eiser) zegt in een persoonlijke noot dat hij de heer C. vanaf die dag herhaaldelijk in zijn gezin heeft ontvangen, dat hij hem gedurende verschillende weken heeft gehuisvest en dat die sympathie zich tijdens dat verblijf in zijn gezin tot een grote wederzijdse vriendschap heeft ontwikkeld ;
De heer C. heeft de raad van (eiser) gevolgd en is dan naar Moldavië teruggekeerd om er met (eisers) financiële steun zijn studies voort te zetten ;
Nadien zijn zij nauw contact blijven houden en hebben zij elkaar herhaaldelijk ontmoet in Roemenië, Turkije, in de republiek Tsjechië en in Moldavië (op het huwelijk van de heer C. in september 1997) ;
(Eiser) leeft in Italië waar hij sedert 28 februari 1989 zijn woonplaats heeft gevestigd (...) ;
Op de terechtzitting van 11 april 2001 van het hof (van beroep) heeft (eiser) verklaard dat hij geregeld naar België terugkeert, gemiddeld een keer per maand. ;
Blijkbaar leeft de heer C. samen met zijn echtgenote sedert 1999 ononderbroken in België ;
Er wordt niet betwist dat (eiser) en de heer C. nooit hebben samengewoond ;
Het is juist (...) dat, hoewel samenwonen doorgaans wordt vereist om een verhouding tussen twee personen als een gezinsleven te kunnen beschouwen in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, uitzonderlijk andere factoren kunnen bijdragen tot het bewijs dat een verhouding voldoende diepgang heeft om de facto gezinsbanden te doen ontstaan ;
In dit geval hebben de vriendschapsbanden en de wederzijdse achting tussen (eiser) en de heer C., die in verschillende landen leven en elkaar slechts occasioneel ontmoeten, evenwel onvoldoende diepgang om als een gezinsleven in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens te kunnen worden beschouwd ;
(Eiser) kan dus artikel 14 in combinatie met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet aanvoeren".
Grieven
Hoewel ingevolge artikel 344, ,§ 2, van het Burgerlijk Wetboek, wanneer de geadopteerde meer dan 15 jaar oud is, de adoptie wordt toegelaten tussen vreemdelingen of tussen Belgen en vreemdelingen, mits elk van de partijen voldoet aan de voorwaarden van zijn persoonlijk statuut en hoewel artikel 99, eerste lid, van het Wetboek inzake huwelijk en gezin van de republiek Moldavië bepaalt dat "alleen adoptie van minderjarigen in hun eigen belang geoorloofd is", die vreemde wet, die door de conflictregel van het Belgisch internationaal privaatrecht toepasselijk is gemaakt, ingevolge de Belgisch internationale openbare orde, toch moet worden afgewezen, aangezien de toepassing ervan strijdig is met een beginsel dat van wezenlijk belang wordt geacht voor de morele, politieke of economische orde van onze rechtsorde of voor de door een internationaal verdrag gewaarborgde rechten.
België heeft door de bekrachtiging van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zich ertoe verbonden om binnen zijn rechtsorde de door dat verdrag beschermde rechten te waarborgen.
Het recht op de eerbieding van het privé- en gezinsleven (artikel 8) zonder enig onderscheid naar nationaliteit, afstamming of leeftijd (artikel 14) behoort met name tot die rechten.
Het begrip gezinsleven in de zin van genoemd artikel 8 moet autonoom en ruim worden uitgelegd ; het impliceert noch het bestaan van een huwelijk noch zelfs van samenwonen, maar enkel van een verhouding die voldoende diepgang heeft.
Verder omvat het begrip eerbieding van het privé-leven, dat door die bepaling eveneens wordt gewaarborgd, noodzakelijk het recht om een beginnend gezinsleven te onderbouwen en het juridisch vast te leggen, met name door een adoptie wanneer die in het belang is van alle betrokken personen.
Het arrest stelt vast dat er een "nauwe band" bestaat tussen eiser en de heer C., dat de eerste de tweede financieel heeft gesteund, met name om zijn studies te voltooien, dat eiser aanwezig was op het huwelijk van de heer C. in Moldavië, dat zijn echtgenote met wie hij in België ononderbroken samenleeft met de adoptie heeft ingestemd, en oordeelt helemaal niet dat de adoptie niet op eerlijke gronden zou zijn gesteund of strijdig zou zijn met iemands belangen. Het kon bijgevolg, op grond van die gegevens, niet beslissen dat er geen daadwerkelijk gezinsleven was en dat eiser artikel 14 in combinatie met artikel 8 van het Verdrag niet kon aanvoeren, zonder, enerzijds, het begrip gezinsleven in de zin van dat artikel te miskennen en, anderzijds, het recht op de eerbiediging van eisers privé-leven, dat het recht omvat om een gezinsleven in ontwikkeling juridisch vast te leggen (schending van de artikelen 8 en 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden).
Het arrest miskent, door aldus uitspraak te doen, tevens de Belgische internationale openbare orde (vastgelegd in de artikelen 3 en 6 van het Burgerlijk Wetboek), die de Belgische rechter ertoe verplicht de normaal toepasselijke vreemde wet af te wijzen wanneer de toepassing ervan onaanvaardbare gevolgen heeft voor de fundamentele waarden van onze rechtsorde, onder meer de beginselen die zijn vastgelegd in de voormelde bepalingen van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
Het arrest had dus de Belgische wetgeving moeten toepassen en kon bijgevolg het verzoek tot homologatie van de adoptie niet verwerpen zonder vast te stellen dat de daartoe in artikel 343 van het Burgerlijk Wetboek gestelde vereisten niet waren vervuld (schending van de artikelen 3, 6 en 343, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek).
IV. Beslissing van het Hof
Over de door het openbaar ministerie ambtshalve, overeenkomstig artikel 1097 van het Gerechtelijk Wetboek, tegen het cassatieberoep opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid in zoverre het tegen de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel is gericht :
Overwegende dat de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel in die zaak waarin hij geen partij was enkel een advies heeft gegeven ;
Dat de grond van niet-ontvankelijkheid dient te worden aangenomen ;
Het middel
Overwegende dat het middel de aangevoerde schending van de bepalingen van intern recht alleen afleidt uit de draagwijdte die het hecht aan de artikelen 8 en 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en uit de uitwerking die deze bepalingen van het internationaal recht bijgevolg in België hebben ;
Overwegende dat, enerzijds, de toepassing van artikel 14 van het Verdrag krachtens hetwelk het genot van de rechten en verplichtingen die daarin zijn vermeld, verzekerd moet zijn zonder enig onderscheid ook, vereist dat de feiten van het geschil onder toepassing van ten minste een van de bepalingen van het Verdrag of van zijn aanvullende protocols vallen ;
Dat, anderzijds, artikel 8 van het Verdrag in zoverre het eenieder het recht op eerbiediging van zijn privé- of gezinsleven waarborgt, de Staten niet oplegt een persoon het statuut van adoptant of geadopteerde toe te kennen ;
Overwegende dat, voor het overige, het middel, in zoverre het het arrest verwijt het begrip gezinsleven in de zin van dat artikel 8 te miskennen, terwijl dat artikel het recht om te adopteren niet waarborgt, niet tot vernietiging kan leiden en bijgevolg zonder belang is ;
Dat het middel niet kan worden aangenomen ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF
Verwerpt het cassatieberoep ;
Veroordeelt eiser in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, de raadsheren Philippe Echement, Christian Storck, Didier Batselé en Christine Matray, en in openbare terechtzitting van tien april tweeduizend en drie uitgesproken door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Ernest Waûters en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem.
De griffier, De raadsheer,
D. E.,
Mr. Cécile Draps, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 6 december 2001 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Christian Storck heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.
III. Middel
Eiser voert een middel aan.
Het is als volgt gesteld :
Geschonden wetsbepalingen
- de artikelen 8 en 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 ;
- de artikelen 3, 6 en 343, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek ;
- (Belgische) internationale openbare orde.
Aangevochten beslissingen en redenen
Het arrest wijst eisers aanvraag tot homologatie van de adoptieakte van de heer C. af op de volgende gronden :
"Artikel 344, ,§2, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat bij adoptie tussen een Belg en een vreemdeling, wanneer de geadopteerde meer dan 15 jaar oud is, zoals hier het geval is, elk van de partijen moet voldoen aan de voorwaarden van zijn persoonlijk statuut.
Die verwijzing naar het persoonlijk statuut om de aanknoping te bepalen moet volgens het Belgisch recht worden begrepen als een verwijzing naar de nationaliteit ;
Er wordt niet betwist dat (eiser) de bij de Belgische wet gestelde grondvereisten vervult ;
De heer C. is van Moldavische nationaliteit en moet dus voldoen aan de grondvereisten die de Moldavische wetgeving stelt ;
Artikel 99, eerste lid, van het Wetboek inzake huwelijk en gezin van de republiek Moldavië van 1 april 1970 bepaalt dat alleen de adoptie van minderjarigen in hun belang is geoorloofd ;
Er wordt niet betwist dat de geadopteerde, die op 23 augustus 1976 is geboren, op het tijdstip dat de akte van adoptie is opgemaakt, meerderjarig was ;
Bijgevolg is de in de Moldavische wet bepaalde grondvereiste in dit geval niet vervuld ;
(Eiser) betoogt vervolgens dat de toepassing van artikel 99, eerste lid, van het Wetboek inzake huwelijk en gezin van de republiek Moldavië als strijdig met de Belgische internationale openbare orde moet worden beschouwd ;
De Belgische internationale openbare orde is alleen betrokken in zoverre de rechtsregels die normaal van toepassing zijn, strijdig zouden zijn met een beginsel dat van wezenlijk belang moet worden geacht voor de morele, politieke of economische orde zoals die thans in België bestaat ;
Een vreemde wet mag door een Belgische rechter alleen worden afgewezen als de toepassing ervan onverenigbaar is met de normale werking van de instellingen en de juridische grondregels die in België van kracht zijn ;
Inzake adoptie zijn de grondvereisten van het Belgische recht minder beperkend dan die van het Moldavische recht ;
De Belgische wetgever heeft in die materie blijk gegeven van een vrij grote ruimdenkendheid zodat de Belgische internationale openbare orde alleen in het gedrang kan worden gebracht door een buitenlandse wet die nog toleranter staat tegenover adoptie en die de grenzen van het toelaatbare dermate overschrijdt dat het instituut adoptie daardoor elke inhoud dreigt te verliezen ;
Dat is hier niet het geval omdat de Moldavische wet integendeel adoptie zeer precies begrensd, in het kader van een opvatting van het instituut die samenhangt met de finaliteit ervan ;
De toepassing van artikel 99, eerste lid, van het Wetboek inzake huwelijk en gezin van de republiek Moldavië kan dus niet als onverenigbaar met de Belgische internationale openbare orde worden beschouwd ;
Des te meer daar de Belgische wetgeving, die het instituut van adoptie van meerderjarigen weliswaar kent, dergelijke adopties beperkt, door de adoptie ten volle van een meerderjarige radicaal te verbieden (artikel 368, ,§2, van het Burgerlijk Wetboek) en door een tweede (gewone) adoptie te verbieden na de herroeping van de eerste adoptie of na het overlijden van de eerste adoptant (artikel 346, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek) ;
(Eiser) verwijt de eerste rechter dus ten onrechte dat hij het begrip Belgische openbare orde te beperkend heeft uitgelegd ;
(Eiser) betoogt tenslotte dat artikel 99, eerste lid, van het Wetboek inzake huwelijk en gezin van de republiek Moldavië leidt tot discriminatie die strijdig is met de gezamenlijke artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens ;
Het is juist (...) dat de Belgische rechter, zelfs als een aanknopingsregel van het Belgisch internationaal privaatrecht die rechter oplegt een vreemde wet toe te passen, de toepassing van die vreemde wet dient af te wijzen als zij een bepaling van internationaal recht met directe werking in het Belgisch recht schendt ;
De Belgische rechter die verzocht wordt een vreemde wet toe te passen zou immers bijdragen tot de door die wet gepleegde schending door ze over te nemen en uitwerking te verlenen, zelfs als dat gebeurt door middel van de toepassing van een bepaling van internationaal privaatrecht ;
Artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens kan enkel worden aangevoerd in zoverre een door (dat) verdrag beschermd materieel recht (...) door de aangeklaagde discriminatie wordt bedreigd ;
(Eiser) voert dienaangaande de schending aan van artikel 14 in combinatie met artikel 8 van het Verdrag inzake de bescherming van het gezinsleven ;
Adoptant en geadopteerde hebben elkaar in augustus 1995 op de Zuidkermis te Brussel voor het eerst ontmoet, toen de heer C. als kandidaat politiek vluchteling in België verbleef ;
(Eiser) zegt in een persoonlijke noot dat hij de heer C. vanaf die dag herhaaldelijk in zijn gezin heeft ontvangen, dat hij hem gedurende verschillende weken heeft gehuisvest en dat die sympathie zich tijdens dat verblijf in zijn gezin tot een grote wederzijdse vriendschap heeft ontwikkeld ;
De heer C. heeft de raad van (eiser) gevolgd en is dan naar Moldavië teruggekeerd om er met (eisers) financiële steun zijn studies voort te zetten ;
Nadien zijn zij nauw contact blijven houden en hebben zij elkaar herhaaldelijk ontmoet in Roemenië, Turkije, in de republiek Tsjechië en in Moldavië (op het huwelijk van de heer C. in september 1997) ;
(Eiser) leeft in Italië waar hij sedert 28 februari 1989 zijn woonplaats heeft gevestigd (...) ;
Op de terechtzitting van 11 april 2001 van het hof (van beroep) heeft (eiser) verklaard dat hij geregeld naar België terugkeert, gemiddeld een keer per maand. ;
Blijkbaar leeft de heer C. samen met zijn echtgenote sedert 1999 ononderbroken in België ;
Er wordt niet betwist dat (eiser) en de heer C. nooit hebben samengewoond ;
Het is juist (...) dat, hoewel samenwonen doorgaans wordt vereist om een verhouding tussen twee personen als een gezinsleven te kunnen beschouwen in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, uitzonderlijk andere factoren kunnen bijdragen tot het bewijs dat een verhouding voldoende diepgang heeft om de facto gezinsbanden te doen ontstaan ;
In dit geval hebben de vriendschapsbanden en de wederzijdse achting tussen (eiser) en de heer C., die in verschillende landen leven en elkaar slechts occasioneel ontmoeten, evenwel onvoldoende diepgang om als een gezinsleven in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens te kunnen worden beschouwd ;
(Eiser) kan dus artikel 14 in combinatie met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet aanvoeren".
Grieven
Hoewel ingevolge artikel 344, ,§ 2, van het Burgerlijk Wetboek, wanneer de geadopteerde meer dan 15 jaar oud is, de adoptie wordt toegelaten tussen vreemdelingen of tussen Belgen en vreemdelingen, mits elk van de partijen voldoet aan de voorwaarden van zijn persoonlijk statuut en hoewel artikel 99, eerste lid, van het Wetboek inzake huwelijk en gezin van de republiek Moldavië bepaalt dat "alleen adoptie van minderjarigen in hun eigen belang geoorloofd is", die vreemde wet, die door de conflictregel van het Belgisch internationaal privaatrecht toepasselijk is gemaakt, ingevolge de Belgisch internationale openbare orde, toch moet worden afgewezen, aangezien de toepassing ervan strijdig is met een beginsel dat van wezenlijk belang wordt geacht voor de morele, politieke of economische orde van onze rechtsorde of voor de door een internationaal verdrag gewaarborgde rechten.
België heeft door de bekrachtiging van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zich ertoe verbonden om binnen zijn rechtsorde de door dat verdrag beschermde rechten te waarborgen.
Het recht op de eerbieding van het privé- en gezinsleven (artikel 8) zonder enig onderscheid naar nationaliteit, afstamming of leeftijd (artikel 14) behoort met name tot die rechten.
Het begrip gezinsleven in de zin van genoemd artikel 8 moet autonoom en ruim worden uitgelegd ; het impliceert noch het bestaan van een huwelijk noch zelfs van samenwonen, maar enkel van een verhouding die voldoende diepgang heeft.
Verder omvat het begrip eerbieding van het privé-leven, dat door die bepaling eveneens wordt gewaarborgd, noodzakelijk het recht om een beginnend gezinsleven te onderbouwen en het juridisch vast te leggen, met name door een adoptie wanneer die in het belang is van alle betrokken personen.
Het arrest stelt vast dat er een "nauwe band" bestaat tussen eiser en de heer C., dat de eerste de tweede financieel heeft gesteund, met name om zijn studies te voltooien, dat eiser aanwezig was op het huwelijk van de heer C. in Moldavië, dat zijn echtgenote met wie hij in België ononderbroken samenleeft met de adoptie heeft ingestemd, en oordeelt helemaal niet dat de adoptie niet op eerlijke gronden zou zijn gesteund of strijdig zou zijn met iemands belangen. Het kon bijgevolg, op grond van die gegevens, niet beslissen dat er geen daadwerkelijk gezinsleven was en dat eiser artikel 14 in combinatie met artikel 8 van het Verdrag niet kon aanvoeren, zonder, enerzijds, het begrip gezinsleven in de zin van dat artikel te miskennen en, anderzijds, het recht op de eerbiediging van eisers privé-leven, dat het recht omvat om een gezinsleven in ontwikkeling juridisch vast te leggen (schending van de artikelen 8 en 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden).
Het arrest miskent, door aldus uitspraak te doen, tevens de Belgische internationale openbare orde (vastgelegd in de artikelen 3 en 6 van het Burgerlijk Wetboek), die de Belgische rechter ertoe verplicht de normaal toepasselijke vreemde wet af te wijzen wanneer de toepassing ervan onaanvaardbare gevolgen heeft voor de fundamentele waarden van onze rechtsorde, onder meer de beginselen die zijn vastgelegd in de voormelde bepalingen van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
Het arrest had dus de Belgische wetgeving moeten toepassen en kon bijgevolg het verzoek tot homologatie van de adoptie niet verwerpen zonder vast te stellen dat de daartoe in artikel 343 van het Burgerlijk Wetboek gestelde vereisten niet waren vervuld (schending van de artikelen 3, 6 en 343, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek).
IV. Beslissing van het Hof
Over de door het openbaar ministerie ambtshalve, overeenkomstig artikel 1097 van het Gerechtelijk Wetboek, tegen het cassatieberoep opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid in zoverre het tegen de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel is gericht :
Overwegende dat de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel in die zaak waarin hij geen partij was enkel een advies heeft gegeven ;
Dat de grond van niet-ontvankelijkheid dient te worden aangenomen ;
Het middel
Overwegende dat het middel de aangevoerde schending van de bepalingen van intern recht alleen afleidt uit de draagwijdte die het hecht aan de artikelen 8 en 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en uit de uitwerking die deze bepalingen van het internationaal recht bijgevolg in België hebben ;
Overwegende dat, enerzijds, de toepassing van artikel 14 van het Verdrag krachtens hetwelk het genot van de rechten en verplichtingen die daarin zijn vermeld, verzekerd moet zijn zonder enig onderscheid ook, vereist dat de feiten van het geschil onder toepassing van ten minste een van de bepalingen van het Verdrag of van zijn aanvullende protocols vallen ;
Dat, anderzijds, artikel 8 van het Verdrag in zoverre het eenieder het recht op eerbiediging van zijn privé- of gezinsleven waarborgt, de Staten niet oplegt een persoon het statuut van adoptant of geadopteerde toe te kennen ;
Overwegende dat, voor het overige, het middel, in zoverre het het arrest verwijt het begrip gezinsleven in de zin van dat artikel 8 te miskennen, terwijl dat artikel het recht om te adopteren niet waarborgt, niet tot vernietiging kan leiden en bijgevolg zonder belang is ;
Dat het middel niet kan worden aangenomen ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF
Verwerpt het cassatieberoep ;
Veroordeelt eiser in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, de raadsheren Philippe Echement, Christian Storck, Didier Batselé en Christine Matray, en in openbare terechtzitting van tien april tweeduizend en drie uitgesproken door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Ernest Waûters en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem.
De griffier, De raadsheer,