Hof van Cassatie: Arrest van 10 Juni 1999 (België). RG C980362F

Datum :
10-06-1999
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19990610-2
Rolnummer :
C980362F

Samenvatting :

Wanneer een cassatiemiddel opkomt tegen de uitlegging die de feitenrechter van een ministerieel besluit geeft, zonder de schending aan te voeren van dat besluit, dat een wet is in de zin van art. 608 GerW., is het niet ontvankelijk.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 27 april 1998 gewezen door het Hof van Beroep te Luik;
Over het eerste middel: schending van de artikelen 1135 en 1154 van het Burgerlijk Wetboek,
doordat het arrest de aanspraak, die is ingediend op grond van artikel 42, § 4, van de algemene aannemingsvoorwaarden, goedgekeurd bij het ministerieel besluit van 10 augustus 1977, - wat een subsidiaire vordering over dat punt van de vordering uitmaakte -, in beginsel gegrond verklaart en verweerder veroordeelt tot (betaling) van het bedrag van 464.391 frank "vermeerderd met de bedongen interest, als omschreven in artikel 15, § 4, van het bestek, vanaf de datum van de slotafrekening tot de dag van de volledige betaling", en de respectieve kosten van het hoger beroep ten laste van de partijen laat, op grond "dat (eiseres) regelmatige aanmaningen heeft gedaan om op grond van artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek, dat het gemeen recht uitmaakt, kapitalisatie van de interest te verkrijgen; dat de partijen, op hun verzoek, over dat punt conclusies ingediend hebben en in een voortgezet debat gepleit hebben; dat de verwijlinteresten die aan de aannemer verschuldigd zijn ten einde hem te vrijwaren tegen de totale schade die een onderneming lijdt wanneer ze bankkosten op een rekening-courant moet betalen, contractueel vastgelegd zijn in de algemene aannemingsvoorwaarden; dat de forfaitaire raming die strekt tot vergoeding van de volledige schade die de aannemer lijdt wegens een laattijdige betaling, een contractueel schadevergoedingsbeding is dat een juist evenwicht beoogt tussen de belangen van de gemeenschap, waarvan de gelden slechts overeenkomstig de wetten en verordeningen, meer bepaald overeenkomstig de regels van de openbare aanbesteding, mogen worden besteed, en het belang van de aannemer die de in dat beroep normale economische realiteit van de banken ondergaat (artikel 15, § 4); dat het begrip forfaitaire overheidsopdracht zelf en de wettelijke en contractuele bepalingen terzake, de toepassing van de ermee strijdige regels van gemeen recht uitsluiten; dat de last voor de gemeenschap niet kan worden verzwaard door een eenzijdige handeling van de aannemer die een kapitalisatie vordert waarop de overheidsopdracht hem niet uitdrukkelijk recht geeft; dat de wettelijke bepalingen inzake de sommenverbintenissen die niet het voorwerp zijn van een overeenkomst (artikelen 1153 en 1154 van het Burgerlijk Wetboek) te dezen niet van toepassing zijn; dat de aannemer die zijn vordering tot interest grondt op een conventionele bepaling waarin de volledige vergoeding wegens laattijdige betaling op forfaitaire en definitieve wijze is vastgelegd, geen aanspraak kan maken op de kapitalisatie van de vervallen interest (bij wege van een gerechtelijke aanmaning of door neerlegging ter griffie van een conclusie waarin de bijzondere aandacht van de schuldenaar wordt gevestigd op de kapitalisatie van de interest); dat artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek dat wettelijk gevolg aan de overeenkomsten van gemeen recht niet verbindt aan de verbintenissen uit een misdrijf of een oneigenlijk misdrijf en evenmin aan de verbintenissen die voortvloeien uit de toepassing van bijzondere wetten die een, aan de specifieke behoeften van de schuldeiser aangepaste, volledige schadevergoeding invoeren",
terwijl artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek volgens hetwelk vervallen interesten van kapitalen interest kunnen opbrengen door een gerechtelijke aanmaning, mits de aanmaning betrekking heeft op interesten die voor een geheel jaar verschuldigd zijn, van toepassing is op alle bedongen of wettelijke interesten die op kapitalen vervallen zijn en dus op vergoedingen die betrekking hebben op een contractuele verbintenis en dus van toepassing is op de verwijlinterest die zelfs op forfaitaire wijze bepaald is in de algemene aannemingsvoorwaarden van de overheidsopdrachten, meer bepaald in artikel 15, § 4, die, ook al zijn ze goedgekeurd bij het ministerieel besluit van 10 augustus 1977, betrekking hebben op een contractuele verbintenis; overeenkomsten immers, ingevolge artikel 1135 van het Burgerlijk Wetboek, niet alleen verbinden tot hetgeen daarin uitdrukkelijk bepaald is, maar ook tot alle gevolgen die de billijkheid, het gebruik of de wet aan de verbintenis, volgens de aard ervan, toekent; artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek in dat opzicht een toebehoren is, dat de wet verbindt aan iedere overeenkomst, zonder dat genoemd recht uitdrukkelijk in de overeenkomst bepaald moet zijn, mits de overeenkomst het niet uitdrukkelijk uitsluit, wat het arrest niet vaststelt; het arrest bijgevolg, niet zonder de artikelen 1135 en 1154 van het Burgerlijk Wetboek te schenden, kon beslissen dat artikel 1154 niet van toepassing was "(op) de verbintenissen die voortvloeien uit de toepassing van bijzondere wetten die een, aan de specifieke behoeften van de schuldeiser aangepaste, volledige schadevergoeding invoeren", te dezen, artikel 15, § 4, van de bij het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 goedgekeurde algemene aannemingsvoorwaarden:
Op de door verweerder opgeworpen grond van niet ontvankelijkheid: het middel voert de schending niet aan van artikel 15, § 4, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 houdende vaststelling van de algemene aannemingsvoorwaarden van de overheidsopdrachten van werken, leveringen en diensten:
Overwegend dat het arrest overweegt "dat de verwijlinteresten die aan de aannemer verschuldigd zijn ten einde hem te vrijwaren tegen de totale schade die een onderneming lijdt wanneer ze bankkosten op een rekening-courant moet betalen contractueel vastgelegd zijn in de algemene aannemingsvoorwaarden; (...) dat de forfaitaire raming die strekt tot vergoeding van de volledige schade die de aannemer lijdt wegens een laattijdige betaling, een contractueel schadevergoedingsbeding is dat een juist evenwicht beoogt tussen de belangen van de gemeenschap, waarvan de gelden slechts overeenkomstig de wetten en verordeningen, meer bepaald overeenkomstig de regels van de openbare aanbesteding, mogen worden besteed, en het belang van de aannemer die de in dat beroep normale economische realiteit van de banken ondergaat (artikel 15, § 4); (...) dat het begrip forfaitaire overheidsopdracht zelf en de wettelijke en contractuele bepalingen terzake, de toepassing van de ermee strijdige regels van gemeen recht uitsluiten; (...) dat de aannemer die zijn vordering tot interest grondt op een conventionele bepaling waarin de volledige vergoeding wegens laattijdige betaling op forfaitaire en definitieve wijze is vastgelegd, geen aanspraak kan maken op de kapitalisatie van de vervallen interest (...)";
Dat uit die overwegingen blijkt dat volgens het hof van beroep artikel 15, § 4, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 houdende vaststelling van de algemene aannemingsvoorwaarden van de overheidsopdrachten van werken, leveringen en diensten, kapitalisatie van de interesten, waarvan de voorwaarden worden bepaald in artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek, uitsluit;
Overwegende dat het middel dat opkomt tegen die uitlegging van artikel 15, § 4, niet de schending aanvoert van voornoemde bepaling, die een wet is in de zin van artikel 608 van het Gerechtelijk Wetboek;
Dat de grond van niet ontvankelijkheid aangenomen moet worden;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiseres in de kosten.