Hof van Cassatie: Arrest van 10 Juni 2009 (België). RG P.09.0295.F
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-20090610-7
- Rolnummer :
- P.09.0295.F
Samenvatting :
Het cassatieberoep tegen het arrest van het hof van beroep dat in eerste en laatste aanleg uitspraak doet over de vordering tot vervallenverklaring is alleen ontvankelijk voor zover de verweerder in deze vordering zich voor het hof van beroep er zich tevergeefs heeft op beroepen dat hij de Belgische nationaliteit verkregen had wegens de nationaliteit van de vader of de moeder of wegens de omstandigheid dat hij in België is geboren uit een ouder die zelf in België is geboren; het cassatieberoep is daarenboven enkel ontvankelijk wanneer het gemotiveerd wordt door de onwettigheid of de onregelmatigheid van de verwerping van deze rechtmatig opgeworpen exceptie (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2009, nr ...
Arrest :
Nr. P.09.0295.F
M. T. b. H.,
Mr. Georges-Henri Beauthier, advocaat bij de balie te Brussel.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, burgerlijke kamer, van 26 januari 2009.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan en werpt twee prejudiciële vragen op.
Afdelingsvoorzitter Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
1. Het bestreden arrest verklaart de eiser vervallen van de Belgische nationaliteit, met toepassing van artikel 23, §1, 2°, van de wet van 28 juni 1984 betreffende sommige aspecten van de toestand van de vreemdelingen en houdende invoering van het wetboek van de Belgische nationaliteit.
Overeenkomstig artikel 23, §6, tweede lid, van de voormelde wet, worden de cassatieberoepen ter zake, ingesteld en berecht zoals is voorgeschreven voor de cassatieberoepen in criminele zaken.
2. Krachtens artikel 23, §1, van de voormelde wet van 28 juni 1984, kunnen de Belgen die hun nationaliteit niet hebben verkregen van een ouder die Belg was op de dag van hun geboorte en de Belgen wier nationaliteit niet op grond van artikel 11 werd toegekend, vervallen worden verklaard van de Belgische nationaliteit, indien zij die hebben verkregen op grond van valse verklaringen of indien zij ernstig tekortkomen aan hun verplichtingen als Belgisch burger.
Het cassatieberoep tegen het arrest van het hof van beroep dat uitspraak doet in eerste en laatste aanleg over de vordering tot vervallenverklaring, is overeenkomstig artikel 23, §6, eerste lid, alleen ontvankelijk voor zover de verweerder in deze vordering voor het hof van beroep tevergeefs heeft aangevoerd dat hij de Belgische nationaliteit verkregen had wegens de nationaliteit van de vader of de moeder of wegens de omstandigheid dat hij in België is geboren uit een ouder die zelf in België is geboren. Het cassatieberoep is daarenboven enkel ontvankelijk wanneer het gemotiveerd wordt door de onwettigheid of de onregelmatigheid van de verwerping van deze rechtmatig opgeworpen exceptie.
3. De eiser heeft voor het hof van beroep niet geconcludeerd. Het blijkt dus niet dat hij daar de enige exceptie heeft opgeworpen waarvan de verwerping een cassatieberoep mogelijk maakt die op dat punt met redenen moet zijn omkleed. Het blijkt al evenmin dat hij de grondwettigheid van de bepaling heeft betwist krachtens welke alleen de Belgen van vreemde afkomst, blootstaan aan de voormelde vordering tot vervallenverklaring wegens ernstige tekortkomingen aan hun verplichtingen als burger.
4. Tot staving van het cassatieberoep voert de eiser drie middelen aan. Volgens de eerste is de vordering tot vervallenverklaring alleen toepasselijk op de nationaliteitsverkrijgingen van na de inwerkingtreding van de wet van 6 augustus 1993 tot wijziging van het Wetboek van de Belgische Nationaliteit. Volgens het tweede middel voldoet het cassatieberoep, wegens de beperking ervan, niet aan het vereiste van een daadwerkelijk rechtsmiddel dat door artikel 13 EVRM wordt gewaarborgd. Het derde middel voert ten slotte aan dat het bestreden arrest, door de vervallenverklaring uit te spreken, het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven miskent.
Het eerste en derde middel houden geen verband met de reden waarvan de wet, zoals hierboven gezegd, de ontvankelijkheid van het cassatieberoep doet afhangen.
Het voormelde artikel 13 waarborgt het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel tegen iedere beslissing die de in het verdrag toegekende rechten en vrijheden kan schenden. Dat verdrag waarborgt niet het recht op de dubbele nationaliteit.
Het arrest dat de eiser zijn Belgische nationaliteit ontneemt en daarbij vaststelt dat hij Tunesiër blijft, is dus geen beslissing die onderworpen is aan het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel.
Het cassatieberoep is bijgevolg niet ontvankelijk omdat het niet op de bij de wet voorgeschreven wijze is gemotiveerd.
5. De eiser voert aan dat de wettelijke bepaling waaruit de voormelde niet-ontvankelijkheid is afgeleid, de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt. Hij verzoekt het Hof het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen die in substantie luidt als volgt: schendt artikel 23, §6, eerste lid, Wetboek van de Belgische Nationaliteit de beginselen van gelijkheid en non-discriminatie, in zoverre het de verweerder verbiedt cassatieberoep in te stellen tegen de vordering tot vervallenverklaring die bij het Hof geen aangifte doet van een onwettige of onregelmatige afwijzing van de bij wet bepaalde exceptie die hij voor de appelrechters heeft doen gelden?
De ongrondwettigheid waarover de eiser zich beklaagt ligt in de verschillende behandeling door de wet tussen, enerzijds, degenen die van oorsprong Belg zijn of beweren dit te zijn en, anderzijds, zij die dit niet zijn, aangezien het cassatieberoep alleen openstaat voor de burgers van de eerste categorie en alleen wanneer de opgeëiste hoedanigheid hen ten onrechte werd geweigerd.
Ook al zou het Grondwettelijk Hof beslissen dat dit verschil in behandeling discriminatoir is, dan nog zou daar niet uit volgen dat het cassatieberoep van de eiser ontvankelijk is.
Indien het bekritiseerde onderscheid als discriminatoir zou worden beschouwd, zou daar immers uit volgen dat het cassatieberoep zou moeten openstaan voor iedere verweerder in de vordering tot vervallenverklaring, ongeacht de wijze waarop hij Belg is geworden en ongeacht de reden die tot staving van zijn cassatieberoep wordt aangevoerd, op voorwaarde dat die reden betrekking heeft op de afwijzing van een verweer voor de bodemrechters.
De eiser voert niet aan dat artikel 23, §6, eerste lid, Wetboek van de Belgische Nationaliteit, discriminatoir is in zoverre het de ontvankelijkheid van het cassatieberoep doet afhangen van een voor het hof van beroep aangevoerd en door dat hof verworpen middel.
Aangezien geen van de drie door de eiser voorgedragen middelen voor de bodemrechters lijkt te zijn aangevoerd, leidt het voormelde artikel 23, §6, eerste lid, tot de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep, ook al zou het wegens de overige beperkingen die het aan het cassatieberoep stelt, ongrondwettig moeten worden verklaard.
6. De eiser vraagt tevens dat het Grondwetttelijk Hof een prejudiciële vraag wordt gesteld inzake artikel 23, §1, 2°, Wetboek van de Belgische Nationaliteit. De vraag is in wezen of deze bepaling de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt in zoverre de vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit door ernstige tekortkoming aan de verplichtingen die ermee gepaard gaan, alleen kan worden gevorderd ten aanzien van de Belgen die hun nationaliteit niet hebben verkregen van een Belgische ouder op de dag van hun geboorte en aan wie deze nationaliteit al evenmin op grond van artikel 11 van het voormelde wetboek werd toegekend.
De eventuele ongrondwettigheid van het voormelde artikel 23, §1 kan gevolgen hebben voor de gegrondheid van de vordering tot vervallenverklaring, reden waarom de vraag had moeten worden gesteld aan de rechters die kennis ervan dienden te nemen. Aangezien de zaak niet regelmatig bij het Hof aanhangig werd gemaakt, kan het Hof de wettigheid niet toetsen van de op deze vordering gewezen beslissing.
Er is bijgevolg geen grond om de prejudiciële vraag te stellen, aangezien zij niet de norm tot voorwerp heeft waaruit de niet-ontvankelijkheid van het cassatie-beroep wordt afgeleid.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 10 juni 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Edward Forrier en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.
De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,