Hof van Cassatie: Arrest van 11 Juni 1999 (België). RG F980105N;F980107N

Datum :
11-06-1999
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
6 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19990611-2
Rolnummer :
F980105N;F980107N

Samenvatting :

Alleen de belastingplichtige, wiens bezwaar tegen het bedrag van de te zijnen name gevestigde aanslag werd afgewezen, kan tegen de uitspraak van de directeur der belastingen een voorziening instellen bij het hof van beroep.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 16 juni 1998 door het Hof van Beroep te Antwerpen gewezen;
Overwegende dat de voorzieningen F.98.0105.N en F.98.0107.N tegen hetzelfde arrest zijn gericht; dat de zaken dienen te worden gevoegd;
I. Op de voorziening van de General Motors Corporation:
Over het middel, gesteld als volgt: schending van de artikelen 812 van het Gerechtelijk Wetboek en 267 en 278 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen gecoördineerd bij Koninklijk Besluit van 26 februari 1964 en, voor zoveel als nodig, de artikelen 366 en 377 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 gecoördineerd bij Koninklijk Besluit van 10 april 1992,
doordat het Hof van Beroep te Antwerpen de voorziening van eiseres ontoelaatbaar verklaart op de volgende gronden:
"(...) dat uit de lezing van het verzoekschrift tot voorziening blijkt dat (eiseres en de NV General Motors Continental) verklaren verhaal in te stellen tegen de directoriale beslissing van 23 oktober 1991 in zoverre deze het verzoek tot betaling van moratoriuminterest afwijst;
Dat derhalve (eiseres) thans in conclusie ten onrechte voorhoudt geen verhaal in te stellen, doch slechts vrijwillig in de huidige procedure tussen te komen, daar zij een belang heeft omdat zij als genieter van de roerende inkomsten uiteindelijk gerechtigd is de teveel ingehouden voorheffing te ontvangen met inbegrip van de erop verschuldigde interest;
(...) dat op 28 april 1998 (NV General Motors Continental) een geldig bezwaarschrift inhoudende verzoek om teruggave van een gedeelte van de gestorte voorheffing vermeerderd met de moratoriuminterest, indiende;
Dat weliswaar (eiseres), voor wier rekening de inhouding gebeurde, een belang had om tevens een bezwaarschrift, strekkende tot de terugbetaling van het teveel overgemaakte bedrag te bekomen, in te dienen, doch dat zij nagelaten heeft zulks te doen;
(...) dat derhalve de gewestelijke directeur, als rechtsprekend orgaan, uitsluitend uitspraak diende te en kon doen nopens de door (NV General Motors Continental) aangevoerde bezwaren en zijn beslissing uitsluitend ten aanzien van deze bezwaarindienster kon treffen;
dat dienvolgens (eiseres) geen partij was bij de behandeling van de zaak voor de gewestelijk directeur: (cfr. Cass. 31 oktober 1988, Bull. Bel. nr. 705, blz. 1180 e.v.; Gent 14 april 1992, Bull. Bel. nr. 727, blz. 1265 e.v.);
Dat de voorziening voor het hof van beroep, zoals bedoeld in art. 278 W.I.B. (377 W.I.B. '92), een rechtsmiddel uitmaakt, dat door de indiener van een bezwaarschrift tegen een beslissing van de gewestelijke directeur, op dat bezwaarschrift getroffen, kan worden aangewend;
Dat echter een rechtsmiddel slechts kan worden aangewend door een rechtsonderhorige die partij was in de procedure die in eerste instantie werd gevoerd;
(...) dat dan ook, nu vaststaat dat (eiseres) geen partij was in de bezwaarprocedure, zij niet gerechtigd is een voorziening in eigen naam in te stellen tegen een beslissing die ten aanzien van een andere partij werd getroffen;
Dat immers uit de lezing van de bepalingen van het W.I.B. duidelijk blijkt dat de belastingplichtige, die van oordeel is een taxatie te moeten betwisten, slechts een voorziening zoals bedoeld in art. 278 W.I.B. (377 W.I.B. '92) vermag in te stellen nadat hij eerst een bezwaarschrift zoals bedoeld in art. 267 W.I.B. (366 W.I.B. '92) heeft ingediend;
Dat weliswaar (eiseres) terecht inroept dat zij als genieter van de inkomsten in feite de werkelijke schuldenaar van de belasting is, zodat zij gerechtigd is een bezwaarschrift in te dienen, en dat eenieder die het recht heeft een bezwaarschrift in te dienen tevens gerechtigd is een voorziening voor het hof van beroep in te stellen; dat zij evenwel uit het oog verliest dat dergelijke voorziening slechts kan worden ingesteld nadat vooreerst een geldig bezwaarschrift bij de bevoegde directeur was ingesteld, zoals hierboven reeds gesteld;
Dat dan ook in casu uitsluitend (NV General Motors Continental) een geldige en toelaatbare voorziening kan instellen en de voorziening van (eiseres) ontoelaatbaar is;
(...) dat evenmin een vrijwillige tussenkomst van (eiseres) in casu toelaatbaar is;
Dat immers krachtens art. 812, lid 2, Ger. W. een tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling niet voor de eerste maal in hoger beroep kan plaatsvinden; dat blijkens het verzoekschrift en de conclusie (eiseres) de veroordeling van verweerder vordert; dat de bevoegdheid van het hof beperkt is door het geschil in de verplichte voorafgaande bezwaarprocedure die door de directoriale beslissing zijnde een rechterlijke beslissing, die gezag van gewijsde heeft, wordt beëindigd; dat dienvolgens ingevolge het bestaan van een rechterlijke beslissing in eerste aanleg de regel van art. 812, lid 2, Ger. W. voor het hof in fiscale zaken eveneens toepassing vindt;
(...) dat derhalve een partij thans voor het hof voor de eerste maal slechts kan tussenkomen indien haar vordering niet strekt tot een veroordeling, maar tot de bevestiging van de bestreden beslissing en zich daartoe alleen aansluit bij de stellingen van de andere partij, quod non in casu (Cass., 26 oktober 1987, Arr. Cass., 1987-88, p. 234; Cass., 28 oktober 1994, Arr. Cass., 1994, p. 894);
Dat de thans door (eiseres) aangevoerde middelen inzake het aanwezige belang en het recht om een bezwaar in te dienen - en dienvolgens een voorziening of tussenkomst in te stellen - niet vermogen afbreuk te doen aan vorenstaanden vaststellingen;
Dat derhalve ook (eiseres)' tussenkomst, ertoe strekkende de veroordeling van verweerder tot betaling van de interesten te bekomen, ontoelaatbaar is"; (bestreden arrest, blz. 3-6);
terwijl, eerste onderdeel, de belastingplichtige overeenkomstig artikel 267 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1964 en, voor zoveel als nodig, artikel 366 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 tegen het bedrag van de te zijnen name gevestigde aanslag, opcentiemen, verhogingen en boeten inbegrepen, schriftelijk bezwaar kan indienen bij de directeur der belastingen van de provincie of het gewest in wiens ambtsgebied de aanslag, de verhoging en de boeten zijn gevestigd;
overeenkomstige artikel 278 van hetzelfde Wetboek 1964 en, voor zoveel als nodig, artikel 377 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 tegen de beslissingen van de directeurs der belastingen en van de gedelegeerde ambtenaren, getroffen krachtens de artikelen 267 e.v. (artikel 366 e.v. van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992), een voorziening kan worden ingediend bij het hof van beroep van het gebied waarin het kantoor gelegen is waar de belasting is of moet worden geïnd;
de personen die gerechtigd zijn een bezwaarschrift in te dienen, tevens gerechtigd zijn een voorziening voor het hof van beroep in te stellen,
zodat de appèlrechters, die vaststellen dat eiseres gerechtigd is een bezwaarschrift in te dienen (arrest, blz. 5, derde alinea), de artikelen 267 en 278 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1964 en, voor zoveel als nodig, artikelen 366 en 377 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 schenden door de voorziening van eisers ontoelaatbaar te verklaren;
en terwijl, tweede onderdeel, artikel 267 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1964 en, voor zoveel als nodig, artikel 366 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 bepaalt dat de belastingplichtige tegen het bedrag van de te zijnen name gevestigde aanslag, opcentiemen, verhogingen en boeten inbegrepen, schriftelijk bezwaar kan indienen bij de directeur der belastingen van de provincie of het gewest in wiens ambtsgebied de aanslag, de verhoging en de boeten zijn gevestigd;
deze wetsbepaling, in een interpretatie die de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt, inhoudt dat het bij de directeur der belastingen een administratief beroep inricht, met name een administratieve fase die een jurisdictioneel beroep bij het hof van beroep voorafgaat;
de rechtszoekende in dit geval slechts over een enkele aanleg beschikt, vermits de voorziening in cassatie die hij tegen het arrest van het hof van beroep kan instellen, geen beroep van volle rechtsmacht is;
de procedure voor het hof van beroep in dergelijk geval met andere woorden de eerste en laatste aanleg is;
artikel 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, volgens hetwelk tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling niet voor de eerste maal in hoger beroep kan plaatsvinden, alleen van toepassing is op een procedure in hoger beroep, en niet op een procedure in eerste en laatste aanleg,
zodat de appèlrechters, die oordelen dat ingevolge het bestaan van een rechterlijke beslissing in eerste aanleg de regel van artikel 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek voor het hof van beroep in fiscale zaken eveneens toepassing vindt, de artikelen 267 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1964 en, voor zoveel als nodig, artikel 366 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 en 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek schenden:
Wat het eerste onderdeel betreft:
Overwegende dat, krachtens artikel 267 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964), de belastingplichtige tegen het bedrag van de te zijnen name gevestigde aanslag schriftelijk bezwaar kan indienen bij de directeur der belastingen van de provincie of het gewest in wiens ambtsgebied de aanslag werd gevestigd; dat, krachtens artikel 278 van dat wetboek, van de beslissingen van de directeurs een voorziening kan worden ingediend bij het hof van beroep van het grondgebied waarin het kantoor is gelegen waar de belasting is of moet worden geïnd;
Dat uit die bepalingen volgt dat het hof van beroep slechts uitspraak doet over uitspraken van de directeur en dat een voorziening slechts kan worden ingesteld door degene wiens bezwaar werd afgewezen;
Overwegende dat het arrest oordeelt dat in zoverre de vordering van eiseres als een voorziening moet beschouwd worden, zij niet ontvankelijk is om reden dat "(eiseres) geen partij was in de bezwaarprocedure" en dan ook "niet gerechtigd is een voorziening in te stellen tegen een beslissing die ten aanzien van een andere partij werd getroffen";
Dat het aldus de in het middel aangewezen wetsbepalingen niet schendt;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;
Wat het tweede onderdeel betreft:
Overwegende dat het onderdeel aan het arrest verwijt op grond van artikel 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek te hebben beslist dat een tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling niet kan worden toegelaten;
Dat het onderdeel ervan uitgaat dat de procedure ingesteld voor de directeur der belastingen slechts "een administratief beroep" uitmaakt en de procedure in hoger beroep "in eerste en laatste aanleg" gevoerd wordt;
Overwegende dat uit het arrest blijkt dat eiseres voor het hof van beroep de veroordeling van de Belgische Staat vorderde in eigen naam en voor eigen rekening;
Dat dergelijke vordering slechts kan worden toegelaten nadat de verzoeker een bezwaarschrift voor de directeur heeft ingediend en dit bezwaarschrift is afgewezen;
Dat de omstandigheid dat artikel 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, niet als dusdanig toepasselijk zou zijn, hieraan niets verandert;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;
II. Op de voorziening van de Belgische Staat:
A. In zoverre de voorziening gericht is tegen de NV Opel Belgium:
Over het middel, gesteld als volgt: schending van de artikelen 1, 2, 94, 150, 164, 165, 171, 303, 308 en 309, 2° van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen zoals van toepassing voor het aanslagjaar 1988 (hierna afgekort W.I.B.),
doordat het bestreden arrest, na te hebben vastgesteld dat de NV General Motors Continental op 22 december 1988 aan de in de Verenigde Staten van Amerika gevestigde General Motors Corporation een dividend van 954.031.000 frank betaalde en op dit bedrag 15% roerende voorheffing inhield, dat ingevolge de inwerkingtreding op 3 augustus 1989 van het Aanvullend Protocol van 31 december 1987 bij het dubbelbelastingsverdrag tussen België en de Verenigde Staten van Amerika, waarbij voormeld tarief van de roerende voorheffing tot 5% werd verlaagd, de administratie 10% roerende voorheffing diende terug te betalen, hetgeen werd toegestaan bij beslissing van de gewestelijk directeur, en dat het geschil thans is beperkt tot de vraag of op deze terugbetaling interest verschuldigd is, beslist dat (verweerster), de NV General Motors Continental (thans NV Opel Belgium) recht heeft op moratoriuminterest overeenkomstig artikel 308 W.I.B. op de terugbetaalde roerende voorheffing op grond van de overwegingen dat uit de juiste lezing van artikel 150 W.I.B. volgt dat ingeval een niet-verblijfhouder uitsluitend roerende inkomsten behaalt in België, zoals in casu, de door de schuldenaar van die inkomsten ingehouden roerende voorheffing de werkelijk verschuldigde belastingen op die inkomsten uitmaakt en zodoende haar karakter van voorheffing verliest, dat de regel dat een voorheffing slechts een wijze van inning is van de over de gezamenlijke inkomsten verschuldigde belasting, waarmede zij dient te worden verrekend, in casu geen toepassing kan vinden aangezien de belastingplichtige niet aan een globale belasting is onderworpen, doch slechts aan een belasting die krachtens artikel 150 W.I.B. gelijk is aan de roerende voorheffing, dat de roerende voorheffing in zulk geval vanaf zijn betaling het karakter van een "belasting" verkrijgt en deze kwalificatie zowel ten aanzien van de schuldenaar van de bedoelde voorheffing als ten aanzien van de werkelijke schuldenaar van de belasting geldt, dat dit standpunt tevens steun vindt in de tekst van artikel 309, 2° W.I.B. dat enkel voorschrijft dat geen interest wordt toegekend bij de terugbetaling van overschotten van voorheffingen en voorafbetalingen zoals bedoeld in artikel 211, par. 2, W.I.B., dat artikel 211, par. 2, W.I.B. uitsluitend betrekkin
g heeft op de gevallen waarin bij de vaststelling en berekening van de belastingen de verrekening van de voorheffingen dient te geschieden, dat in onderhavig geval deze verrekening niet plaats vindt daar artikel 150 W.I.B. uitdrukkelijk bepaalt dat de roerende voorheffing gelijk staat met de verschuldigde belastingen, zodat bij een eventuele terugbetaling belastingen worden teruggegeven en geen overschot van verrekende voorheffing, dat eerste eiseres derhalve terecht aanspraak maakt op de toekenning van moratoriuminterest overeenkomstig artikel 308 W.I.B. bij de teruggave van de ten onrechte betaalde roerende voorheffing,
terwijl op grond van de artikelen 1 en 94 W.I.B., de NV General Motors Continental (verweerster in cassatie), waarvan niet wordt betwist dat zij een vennootschap met rechtspersoonlijkheid is die in België haar maatschappelijke zetel heeft en zich met een exploitatie of verrichtingen van winstgevende aard bezighoudt, slechts onderworpen is aan de vennootschapsbelasting, met uitsluiting van de drie andere in artikel 1 W.I.B. opgesomde inkomstenbelastingen, namelijk de personenbelasting, de rechtspersonenbelasting en de belasting der niet-verblijfhouders, dat hieruit volgt dat, indien verweerster in cassatie op grond van de artikelen 164 en 171, alinea 1 W.I.B. schuldenaar is van de roerende voorheffing op dividenden die zij heeft toegekend aan een in de Verenigde Staten van Amerika gevestigde vennootschap, die roerende voorheffing in haren hoofde geen belasting is maar slechts een voorschot op de door de genieter van de roerende inkomsten verschuldigde belasting, in casu belasting der niet-verblijfhouders; het feit dat ingevolge artikel 150 W.I.B. het bedrag van de door verweerster in cassatie bij de bron ingehouden roerende voorheffing uiteindelijk gelijk is aan de door de genieter van de inkomsten verschuldigde belasting der niet-verblijfhouders heeft niet tot gevolg dat de roerende voorheffing in hoofde van de schuldenaar van de inkomsten het karakter van belasting verkrijgt; in hoofde van de NV General Motors Continental (thans NV Opel Belgium) die een Belgische vennootschap is die overeenkomstig de artikelen 164 en 165 W.I.B. verplicht is op de toegekende roerende inkomsten de roerende voorheffing in te houden en overeenkomstig artikel 303 W.I.B. te storten aan de Schatkist kan de roerende voorheffing, ongeacht of de roerende inkomsten al dan niet aan een Rijksinwoner worden toegekend, nooit een karakter van een belasting hebben in de zin van artikel 1 W.I.B., dat wil zeggen een heffing die door de Staat gezagshalve wordt verricht op de geldmiddelen van verweerster in cassatie zelf om tot diensten van openbaar nut te worden aangewend; dat het bestreden arrest ten slotte ten onrechte steun zoekt in artikel 309, 2°, W.I.B. dat niet van toepassing is in hoofde van verweerster in cassatie die geen belastingplichtige maar slechts schuldenaar is van de roerende voorheffing,
zodat het bestreden arrest niet zonder schending van de aangeduide wetsbepalingen kon beslissen dat de terugbetaling in hoofde van de schuldenaar van de roerende voorheffing de aard heeft van een belasting die recht geeft op toekenning van moratoriuminterest overeenkomstig artikel 308 W.I.B.:
Overwegende dat het arrest vaststelt dat:
1. verweerster aan de General Motors Corporation op 22 december 1988 een dividend van 954.031.000 frank heeft betaald en op dat bedrag de roerende voorheffing ad 15 pct. heeft ingehouden en aan eiser overgemaakt;
2. ingevolge de inwerkingtreding op 3 augustus 1989 van een aanvullend protocol tot wijziging en aanvulling van de overeenkomst tussen België en de Verenigde Staten, het tarief van de bronheffing verschuldigd op dividenden die de inwoners van de Verenigde Staten met ingang van 1 januari 1988 verkrijgen uit bronnen in België, van 15 pct. tot 5 pct. wordt verminderd;
3. niet betwist wordt dat de Staat 10 pct. van de aan de bron ingehouden voorheffing ten bedrage van 95.266.810 frank moet terugbetalen;
4. enkel betwist wordt of rente op deze terugbetaling kan worden toegekend;
Overwegende dat, krachtens artikel 308 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964), bij terugbetaling van belastingen moratoriuminterest wordt toegekend;
Overwegende dat de roerende voorheffing een belasting is in de zin van deze bepaling wanneer, zoals te dezen, de aan de belasting der niet-verblijfhouders onderworpen belastingplichtige, dit is de begunstigde van het dividend, in België alleen inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen geniet; dat de belastingplichtige in dat geval niet onderworpen is aan een gezamenlijke belasting, maar enkel aan een belasting die, volgens het bepaalde in artikel 150 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964), overeenstemt met de roerende voorheffing; dat in dergelijk geval geen sprake kan zijn van enige toerekening van de betaalde voorheffing op aan de Staat verschuldigde bedragen;
Dat niet ter zake doet dat de terugbetaling van de betaalde bedragen gevorderd wordt door degene die de voorheffing effectief heeft betaald en niet door de belastingplichtige; dat dit de aard van de heffing niet determineert;
Overwegende dat het arrest dat beslist op grond van artikel 308 van het genoemde wetboek dat rente verschuldigd is, dit artikel niet schendt;
Overwegende dat het middel, in zoverre het schending aanvoert van artikel 309, 2°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964), gericht is tegen overtollige redenen;
OM DIE REDENEN,
Voegt de zaken F.98.0105.N en F.98.0107.N;
Verwerpt de voorzieningen;
Veroordeelt de eisers in de kosten van hun respectieve voorziening.