Hof van Cassatie: Arrest van 13 December 2010 (België). RG S.10.0050.F
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-20101213-1
- Rolnummer :
- S.10.0050.F
Samenvatting :
De beslissing volgens welke de verschillende behandeling tussen de begunstigden van ouderschapsverlofuitkeringen en de begunstigden van andere socialezekerheidsuitkeringen verantwoord is, in zoverre de R.V.A. in het eerste geval kan afzien van de terugvordering van de betaalde uitkeringen wanneer de begunstigden zich kunnen beroepen op overmacht, terwijl de R.V.A. in het tweede geval van de terugvordering kan afzien, niet alleen bij overmacht maar ook in behartigenswaardige gevallen indien de schuldenaar te goeder trouw is, is naar recht verantwoord wanneer zij overweegt dat de R.V.A. geen enkel argument voordraagt waaruit zou blijken dat het behartigenswaardig geval geen reden vormt om af te zien van de terugvordering van een ouderschapsverlofuitkering en de rechter niet inziet welk argument omtrent de specificiteit van die uitkeringen zulks zou rechtvaardigen.
Arrest :
Nr. S.10.0050.F
RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING,
eiser,
vertegenwoordigd door mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
R. M.,
verweerster.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 19 februari 2009 gewezen door het arbeidshof te Brussel.
Raadsheer Alain Simon heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal met opdracht Philippe de Koster heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDELEN
De eiser voert twee middelen aan die luiden als volgt:
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 10 en 11 van de Grondwet;
- artikel 22, § 1 en 2, a), van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het handvest van de sociaal verzekerde;
- artikel 7, § 1, van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 augustus 1998;
- de artikelen 2 en 10 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 tot invoering van een recht op ouderschapsverlof in het kader van de onderbreking van de beroepsloopbaan, artikel 2 in de versie volgend op de wijziging door artikel 1 van het koninklijk besluit van 24 januari 2002 maar voor de wijziging ervan bij latere koninklijke besluiten;
- artikel 5 van het ministerieel besluit van 17 december 1991 tot uitvoering van de artikelen 13, 15, 20 en 27 van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen.
Aangevochten beslissingen:
Het bestreden arrest, na er te hebben opgewezen dat het arrest van 25 oktober 2006 in casu het bestaan van een geval van overmacht heeft verworpen, verklaart het hoger beroep van de eiser ongegrond en bevestigt zodoende het (beroepen) vonnis dat de beslissing tot terugvordering van de door de verweerster onrechtmatig genoten onderbrekingsuitkeringen vernietigde en dit om andere redenen dan de eerste rechter.
Het oordeelt immers dat:
" Het (arbeids)hof is van oordeel dat de interpretatie volgens dewelke wegens het bestaan van artikel 5 van het ministerieel besluit van 17 december 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen artikel 22, § 2, van het "handvest" van (de sociaal verzekerde) niet kan worden toegepast, meer bepaald dat een behartigenswaardig geval niet kan worden aangevoerd om afstand te doen van de terugvordering van uitkeringen voor ouderschapsverlof, leidt tot discriminatie die niet redelijk is verantwoord.
Het handvest schrijft in de regel voor dat de Koning moet bepalen dat artikel 22, § 1, niet van toepassing is op bepaalde sectoren. Voor de uitkeringen in het kader van ouderschapsverlof of de uitkeringen in het kader van de onderbreking van de beroepsloopbaan in ruimere zin, is er krachtens artikel 22, § 2, geen beslissing genomen.
Het bestaan van een ministeriële bepaling waarbij afstand enkel mogelijk is in een geval van overmacht biedt niet dezelfde bescherming als die van het Handvest. In tegenstelling tot een geval van overmacht, vereist het begrip behartigenswaardig geval niet het onvoorziene en onvermijdelijke karakter van de gebeurtenis.
Geen enkel argument van (de eiser) verantwoordt dat het behartigenswaardig geval geen reden vormt om afstand te doen van de terugvordering van een uitkering voor ouderschapsverlof; het (arbeids)hof ziet niet in welk argument omtrent de specificiteit van die uitkeringen zulks rechtvaardigt ten overstaan van andere uitkeringen, inzonderheid die inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering (cf. meer bepaald de artikelen 80 en 101 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994,)".
Grieven
1. De regel van de onderbreking van de beroepsloopbaan, afdeling 5 van hoofdstuk IV van de Herstelwet houdende sociale bepalingen van 22 januari 1985, wil de werknemer die erom vraagt zogeheten onderbrekingsuitkeringen laten genieten ten laste van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening in geval van algehele onderbreking van zijn beroepsloopbaan of van verminderde arbeidsprestaties onder bepaalde voorwaarden.
De voltijds tewerkgestelde werknemer die voor zijn kind wil zorgen kan op grond van artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 tot invoering van een recht op ouderschapsverlof, in het kader van de onderbreking van de beroepsloopbaan, gedurende een periode van zes maanden zijn arbeidsprestaties verderzetten in de vorm van een halftijdse vermindering zoals bepaald in artikel 102 van de Herstelwet van 22 januari 1985.
Artikel 10 van het voornoemde koninklijk besluit van 29 oktober 1997 (bepaalt) dat de bepalingen van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen en de uitvoeringsbesluiten ervan van toepassing zijn in zoverre er niet wordt afgeweken van de bepalingen van het voornoemde besluit.
Artikel 5 van het ministerieel besluit van 17 december 1991 tot uitvoering van de artikelen 13, 15, 20 en 27 van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen, hier van toepassing krachtens artikel 10 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997, bepaalt, inzake de terugvordering van onrechtmatig genoten onderbrekingsuitkeringen dat, wanneer de in de artikelen 3, 4, 7 en 10 van het koninklijk besluit bepaalde minimumtermijn niet nageleefd werd, de administrateur-generaal van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening of het door deze laatste aangewezen personeelslid, in afwijking van bepalingen van artikel 4 van het ministerieel besluit, kan afzien van de terugvordering, indien het een geval van overmacht betreft in hoofde van de werknemer en als deze daartoe een verzoekschrift, vergezeld van de nodige bewijsstukken, heeft ingediend.
Krachtens artikel 22, § 1, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het handvest van de sociaal verzekerde, zijn de bepalingen van de paragrafen 2 tot 4 van toepassing op de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen "onverminderd de wettelijke of reglementaire bepalingen eigen aan de verschillende sectoren van de sociale zekerheid". Artikel 22, § 2, a), van diezelfde wet bepaalt dat de instelling van sociale zekerheid, binnen de door zijn beheerscomité bepaalde en door de bevoegde minister goedgekeurde voorwaarden, kan afzien van de terugvordering van het onverschuldigde in behartigenswaardige gevallen of categorieën van gevallen en mits de schuldenaar te goeder trouw is.
Artikel 5 van het ministerieel besluit van 17 december 1991 is de eigenlijke reglementaire bepaling inzake loopbaanonderbreking wegens ouderschapsverlof en blijft hier dus van toepassing. Het arrest alvorens recht te doen van 25 oktober 2006 had dit overigens terecht beslist krachtens artikel 22, § 1, van het handvest.
2. Artikel 5 van het ministerieel besluit van 17 december 1991 beperkt weliswaar de gevallen waarin de eiser kan afzien van de terugvordering van onderbrekingsuitkeringen tot het geval waarin de begunstigde zich kan beroepen op overmacht, terwijl de eiser, voor andere uitkeringen die hij heeft betaald, niet alleen in geval van overmacht kan afzien van de terugvordering ervan maar ook in behartigenswaardige gevallen mits de schuldenaar te goeder trouw is, zoals artikel 22, § 2, a), van het handvest bepaalt.
3. Dat houdt echter niet in dat artikel 5 van het ministerieel besluit van 17 december 1991 het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van niet-discriminatie zoals bepaald in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet miskent.
Die grondwettelijke bepalingen leggen weliswaar op dat alwie zich in dezelfde situatie bevindt op dezelfde wijze moet worden behandeld, maar sluiten niet uit dat een onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende categorieën van personen voor zover de maatstaf van dat onderscheid objectief en redelijk kan worden verantwoord. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld in het licht van het doel en de gevolgen van de genomen maatregel.
De verschillende behandeling tussen de begunstigden van uitkeringen voor de onderbreking van de beroepsloopbaan en de begunstigden van andere sociale zekerheidsuitkeringen wordt echter verklaard door het bijzonder karakter van de onderbrekingsuitkeringen en kan dus geen discriminatie of miskenning van het gelijkheidsbeginsel opleveren.
In tegenstelling tot de andere sociale zekerheidsuitkeringen die de sociaal verzekerde ontvangt als één van de andere verzekerde risico's zich voordoet (ziekte, arbeidsongeschiktheid, werkloosheid, ...), worden de uitkeringen voor de onderbreking van de beroepsloopbaan immers toegekend op uitdrukkelijk verzoek van de sociaal verzekerde die er bewust vrij voor kiest om zijn loopbaan gedurende een bepaalde periode voor een minimumtermijn te onderbreken, hetgeen een noodzakelijke voorwaarde is zodat zijn werkgever het werk gedurende zijn afwezigheid kan organiseren.
Met het opleggen van een minimumtermijn aan de werknemer met onderbreking van de beroepsloopbaan, wil de wetgever vermijden dat zijn voortijdige terugkeer binnen de onderneming de organisatie ervan verstoort, die laatste heeft immers in zijn vervanging moeten voorzien.
De omstandigheid dat de belanghebbende vrij kiest voor het genieten van onderbrekingsuitkeringen en de vereiste om de belangen van de betrokken onderneming in acht te nemen, verantwoorden dat het ministerieel besluit van 17 december 1991 het recht van de eiser om afstand te doen van de terugvordering van de ouderschapsverlofuitkering beperkt tot het enkele geval van overmacht en aldus uitsluit dat de ter goeder trouw zijnde begunstigde zich in een behartigenswaardige situatie zou bevinden.
Het bestreden arrest beslist dat het (arbeids)hof niet inziet "welk argument omtrent de specificiteit van die uitkeringen (...)(die uitsluiting) verantwoordt ten overstaan van andere uitkeringen" en dat het behartigenswaardig geval bijgevolg dient te worden beschouwd als een reden die de afstand van de terugvordering van een ouderschapsverlofuitkering verantwoordt, terwijl het bijzonder karakter van die uitkering verantwoordt dat het recht van de eiser om afstand te doen wordt beperkt tot het geval van overmacht, schendt aldus :
1° het geheel van de artikelen 7, § 1, van het koninklijk besluit van 2 januari 1991, en 2 en 10 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1997, met uitzondering van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, door te weigeren het bijzonder karakter van de onderbrekingsuitkeringen te erkennen;
2° de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en de andere in het middel aangewezen bepalingen door te oordelen dat artikel 5 van het ministerieel besluit van 17 december 1991 " de toepassing van artikel 22, § 2, van het handvest uitsluit, en meer bepaald de mogelijkheid om een behartigenswaardige situatie aan te voeren voor de afstand van de terugvordering van de ouderschapsverlofuitkeringen, hetgeen leidt het tot een discriminatie die niet redelijk is verantwoord;
3° en weigert bijgevolg op onwettige wijze het voornoemde artikel 5 van het ministerieel besluit van 17 december 1991 toe te passen en verantwoordt zijn beslissing niet naar recht (schending van het voornoemde artikel 5 van het ministerieel besluit van 17 december 1991 en van de andere in het middel aangewezen bepalingen).
(...)
III. BESLISSING VAN HET HOF
Eerste middel
Krachtens artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 tot invoering van een recht op ouderschapsverlof in het kader van de onderbreking van de beroepsloopbaan, aangenomen ingevolge de (E.G.) richtlijn nr. 96/64 van 26 april 1997 van de Raad betreffende de door UNICE, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, dat hier van toepassing is, heeft de werknemer, om voor zijn kind te zorgen, het recht om gedurende een periode van zes maanden zijn arbeidsprestaties deeltijds verder te zetten in de vorm van een halftijdse vermindering zoals bedoeld in artikel 102 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen.
Volgens artikel 10 van dat koninklijk besluit zijn de bepalingen van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringenen en de uitvoeringsbesluiten ervan van toepassing, voor zover er niet afgeweken wordt van de bepalingen van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997.
Wat de terugvordering van de onrechtmatig genoten uitkeringen voor de onderbreking van de beroepsloopbaan betreft bepaalt artikel 5, eerste lid, van het ministerieel besluit van 17 december 1991 tot uitvoering van de artikelen 13, 15, 20 en 27 van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen dat, in afwijking van het bepaalde in artikel 4, de administrateur-generaal van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening of het door deze laatste aangewezen personeelslid, wanneer de minimumtermijn voorzien in de artikelen 3, 4, 7 en 10 van het koninklijk besluit niet nageleefd werd, kan afzien van de terugvordering indien het een geval van overmacht betreft in hoofde van de werknemer en deze daartoe een verzoekschrift, vergezeld van de nodige bewijsstukken, heeft ingediend.
Krachtens artikel 22, § 1, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het handvest van de sociaal verzekerde zijn de bepalingen van de paragrafen 2 tot 4 overigens van toepassing op de terugvordering van het onverschuldigde onverminderd de wettelijke of reglementaire bepalingen eigen aan de verschillende sectoren van de sociale zekerheid.
Krachtens artikel 22, § 2, a) van die wet kan de bevoegde instelling van sociale zekerheid, binnen de voorwaarden bepaald door zijn beheerscomité en goedgekeurd door de bevoegde minister, afzien van de terugvordering van het onverschuldigde in behartigenswaardige gevallen of categorieën van gevallen en mits de schuldenaar te goeder trouw is.
Artikel 5 van het ministerieel besluit van 17 december 1991 is een eigen reglementaire bepaling die de terugvordering regelt van de uitkeringen voor de onderbreking van de beroepsloopbaan wegens ouderschapsverlof.
Het middel verwijt het arrest te oordelen dat "de interpretatie volgens dewelke wegens het bestaan van (dit) artikel 5 (...) artikel 22, § 2, van het handvest niet kan worden toegepast, en meer bepaald dat een behartigenswaardig geval niet kan worden aangevoerd om afstand te doen van de terugvordering van uitkeringen voor ouderschapsverlof, leidt tot discriminatie".
De regel dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet, vervat in artikel 10 van de Grondwet, en dat het genot van de rechten en vrijheden aan de Belgen toegekend zonder discriminatie moet worden verzekerd, vervat in artikel 11 van de Grondwet, heeft tot gevolg dat iedereen die zich in dezelfde situatie bevindt op dezelfde wijze moet worden behandeld en sluit niet uit dat een onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende categorieën van personen voor zover de maatstaf van dit onderscheid objectief en redelijkerwijs kan worden verantwoord. Het bestaan van een dergelijke rechtvaardiging moet worden beoordeeld in het licht van de bedoeling en de gevolgen van de genomen maatregel. Het gelijkheidsbeginsel wordt miskend wanneer vaststaat dat er geen objectieve proportionaliteit is tussen de aangevoerde middelen en het nagestreefde doel.
In tegenstelling tot wat het middel aanvoert, verantwoorden de omstandigheid dat de betrokkene vrij heeft gekozen voor de uitkeringen voor de onderbreking van de beroepsloopbaan en de vereiste om rekening te houden met de belangen van de desbetreffende onderneming, noch enig ander gegeven, redelijk, de verschillende behandeling van de begunstigden van die uitkeringen voor ouderschapsverlof, en de begunstigden van andere sociale zekerheidsuitkeringen, aangezien de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening wanneer de eersten overmacht aanvoeren, afstand kan doen van de terugvordering van de betaalde uitkeringen, terwijl hij voor de anderen, niet alleen in geval van overmacht afstand kan doen van de terugvordering maar ook in behartigenswaardige gevallen mits de schuldenaar te goeder trouw is.
Het arrest dat oordeelt dat "geen enkel argument van de eiser verantwoordt dat het behartigenswaardig geval geen reden vormt om afstand te doen van de terugvordering van een ouderschapsverlofuitkering" en dat "het (arbeids)hof niet inziet welk argument omtrent de specificiteit van die uitkeringen (zulks) rechtvaardigt ten overstaan van andere uitkeringen, inzonderheid die inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering," verantwoordt zijn beslissing naar recht.
Het middel kan niet worden aangenomen.
Tweede middel
Uit de bewoordingen van het arrest blijkt dat de eiser niet is nagegaan of de verweerster zich in een behartigenswaardig geval bevond en of zij te goeder trouw was.
Die vaststelling volstaat als verantwoording voor de beslissing van het arrest om de beslissing van de eiser over te gaan tot de terugvordering van de door de verweerster ontvangen bestreden uitkeringen, te vernietigen en bijgevolg te beslissen dat die terugvordering niet verantwoord is.
Het middel dat, ook al was het gegrond, niet tot cassatie zou kunnen leiden, heeft geen belang en is bijgevolg niet ontvankelijk.
Dictum
Het Hof
Verwerpt het cassatieberoep;
Veroordeelt de eiser in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Sylviane Velu, Martine Regout, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 13 december 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Philippe de Koster, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem.
De griffier, De raadsheer,