Hof van Cassatie: Arrest van 13 Februari 1992 (België). RG 9241

Datum :
13-02-1992
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19920213-6
Rolnummer :
9241

Samenvatting :

Het Hof kan bij de beoordeling van de wettelijkheid van een bestreden dictum acht slaan op de voor de bodemrechter genomen conclusie, wanneer die conclusie, die behoort tot het dossier van de rechtspleging, door een van de partijen wordt aangevoerd, inzonderheid door de verweerder in zijn memorie van antwoord. (Impliciet.)

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF; - Gelet op het bestreden arrest, op 9 november 1990 door het Hof van Beroep te Luik gewezen;
Over het middel : schending van artikel 3, inzonderheid eerste lid, van de domaniale wet van 22 december 1949,
doordat het arrest erop wijst dat de ontvanger van de domaniale inkomsten en van de geldboeten te Hoei belast was met de invordering van het gedeelte van het loon dat per vergissing door de minister van Nationale Opvoeding en Franse kultuur ten onrechte aan verweerder was betaald, en vervolgens, met bevestiging van het beroepen vonnis, het door de ontvanger op 20 juni 1983 ten laste van verweerder uitgevaardigde dwangbevel tot betaling van zijn schuld nietig verklaart, op grond dat de litigieuze schuldvordering niet voldoet aan de vereisten gesteld in het decreet van 9-20 maart 1791 betreffende de regie en de invordering van de niet opgeheven feodale en andere onlichamelijke rechten, het decreet van 18-27 mei 1791 betreffende de organisatie van de registratierechter en van andere daarin begrepen rechten, het decreet van 19 augustus-12 september 1791 betreffende de regie van de lichamelijke en onlichamelijke nationale domeinen, en ook het koninklijk besluit van 8 september 1896 betreffende de organisatie van het bestuur van de registratie en van de domeinen in de provinciën waar dat bestuur, krachtens artikel 4, 1°, met de invordering van de boeten en gerechtskosten en verschillende toevallige opbrengsten is belast, en dat de schuldvordering in kwestie helemaal niet verwant is aan een dominale schuldvordering; "dat de tekst (van artikel 3, eerste lid, van de domaniale wet van 22 december 1949) zeer duidelijk is; dat uit het feit dat de procedure van het dwangbevel mag worden gehanteerd wanneer het genoemde bestuur der domeinen belast is met de invordering van een aan de Staat of aan Staatsorganismen verschuldigde som, niet volgt dat zij voor elke schuldvordering van die instellingen mag worden gehanteerd; dat het aanvoeren van de wil van de wetgever, zoals die uit de wetsgeschiedenis blijkt, een uitlegging uitmaakt, terwijl een duidelijk en klare tekst niet voor uitlegging vatbaar is; dat eiser derhalve de memorie van toelichting van de wet van 22 december 1949 niet kan aanvoeren, ... zelfs als de volgende vermeldingen van die memorie de betekenis van de wettekst niet helemaal lijken te bevestigen : "...ongeacht of het gaat om schuldvorderingen die op enige andere grond aan de Staat of aan Staatsorganismen toebehoren, men niet inziet waarom het bestuur ook in dat geval niet op dezelfde wijze de methode van het dwangbevel zou kunnen hanteren, een wijze van invordering die in overeenstemming is met de algemene beginselen ..."; ... dat er dient te worden verondersteld dat de wetgever gemakkelijk de adekwate verantwoording van de hem door (eiser), op grond van de wetsgeschiedenis of van oudere bepalingen, toegeschreven bedoeling zou hebben kunnen vinden; dat de eerste rechter verder terecht zegt dat de talrijke wettelijke bepalingen die na 1949 zijn uitgevaardigd, waarvan hij enkele voorbeelden vermeldt, ... en die even zoveel bijzondere teksten zijn die, voor bijzondere schuldvorderingen, het gebruik van de procedure van het dwangbevel uitdrukkelijk toestaan, overbodig zouden zijn als zij, zoals (eiser) betoogt, alleen zijn door hem aangevoerde algemene bevoegdheid bevestigen",
terwijl artikel 3, eerste lid, van de domaniale wet van 22 december 1949 bepaalt dat iedere aan de Staat of aan staatsorganismen verschuldigde som waarvan de invordering vervolgd wordt door het bestuur der domeinen door middel van dwangbevel mag worden ingevorderd; die procedure, zoals uit de bewoordingen van die bepaling blijkt en door de memorie van toelichting bij de wet wordt bevestigd, door het bestuur der domeinen kan worden gebezigd om eender welke schuldvordering van de Staat of van een staatsorganisme in te vorderen; daarentegen niet vereist is dat een westbepaling uitdrukkelijk zegt dat die schuldvordering door het bestuur der domeinen kan worden ingevorderd; daaruit volgt dat het arrest, nu het beslist dat het ten laste van verweerder afgeleverde dwangbevel nietig is, op grond dat de schuldvordering waarvan de betaling van hem wordt gevorderd, niet behoort tot de schuldvorderingen als bedoeld in de decreten van de revolutie of in het koninklijk besluit van 8 september 1968, en evenmin een domaniale schuldvordering is, de regel miskent vastgelegd in de wet van 22 december 1949 volgens welke het bestuur der domeinen, in de regel en zonder dat daartoe een wettelijke bepaling is vereist, bevoegd is om door middel van dwangbevel de schuldvorderingen van de Staat of van staatsorganismen in te vorderen (schending van artikel 3, eerste lid, van de domaniale wet van 22 december 1949) :
Overwegende dat artikel 3, eerste lid, van de domaniale wet van 22 december 1949 bepaalt dat iedere aan de Staat of aan staatsorganismen verschuldigde som waarvan de invordering vervolgd wordt door het bestuur der domeinen, door middel van dwangbevel ingevorderd mag worden;
Dat die wetsbepaling, hoe algemeen ook, evenwel alleen van toepassing is op de vaststaande schuldvorderingen;
Overwegende dat het arrest te dezen alleen erop wijst dat "de minister van nationale opvoeding en Franse kultuur de ontvanger van de domaniale inkomsten en de geldboeten te Hoei heeft belast met de terugvordering van het onverschuldigd gedeelte (35pct. hetzij 393.392 frank) van het loon dat hij, per vergissing, (aan verweerder) had betaald tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid (van 14 augustus 1977 tot 30 september 1979), voor het koninklijk besluit van 2 september 1980 waarbij, om gezondheidsredenen, met ingang van 1 oktober 1979 zijn werkzaamheden als kinesitherapeut in de Medisch-Pedagogische Instelling te Saive werden beëindigd";
Dat het hof van beroep niet heeft vastgesteld dat verweerder met die schuldvordering instemde, noch dat er een uitvoerbare gerechtelijke beslissing was die hem tot betaling van dat bedrag veroordeelde; dat integendeel uit verweerders conclusie voor het hof van beroep, die in de memorie van antwoord wordt aangevoerd, blijkt dat het onverschuldigd karakter van de betaling waarvan eiser de terugbetaling vorderde, betwist was;
Overwegende dat derhalve niet blijkt dat de schuldvordering een vaststaande schuldvordering is, zodat de beslissing dat het dwangbevel "nietig en van generlei waarde" is, naar recht verantwoord is;
Overwegende dat de in het middel aangevoerde grieven geen invloed hebben op die wettigheid en derhalve, ook al waren zij gegrond, niet tot vernietiging kunnen leiden;
Dat het middel niet ontvankelijk is;
Om die redenen, verwerpt de voorziening; veroordeelt eiser in de kosten.