Hof van Cassatie: Arrest van 13 Februari 1992 (België). RG F1128F

Datum :
13-02-1992
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
3 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19920213-7
Rolnummer :
F1128F

Samenvatting :

Naar recht verantwoord is de beslissing van de rechter dat een naamloze vennootschap, die in België verblijf houdt, bedrijfsvoorheffing is verschuldigd op de bezoldigingen die zij aan een van haar in Frankrijk verblijvende bestuurders heeft betaald, wanneer hij, op grond van zijn vaststellingen in feite overweegt dat de bedoelde vennootschap niet aantoont dat die Franse verblijfhouder "de bezoldiging in een andere hoedanigheid dan die van bestuurder ontvangt". ( Art. 9, alinéa 1 en alinéa 2 Overeenkomst tussen België en Frankrijk 10 maart 1964; wet van 14 april 1965. )

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF; - Gelet op het bestreden arrest, op 14 december 1990 door het Hof van Beroep te Bergen gewezen;
Over het middel : schending van de artikelen 7, inzonderheid alinéa 1, 9, inzonderheid alinéa 2, 11, inzonderheid alinéa 1, van de Overeenkomst tussen België en Frankrijk tot voorkoming van de dubbele belasting, ondertekend te Brussel op 10 maart 1964 en goedgekeurd bij de wet van 14 april 1965, 20, inzonderheid 2°, 27, inzonderheid alinéa 1, 140 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, en 113 van het koninklijk besluit van 4 maart 1965 tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen,
doordat het arrest beslist dat op de bedragen die eiseres aan de heer Max Foucray, haar bestuurder, ingevolge een tussen hen op 20 juli 1976 gesloten overeenkomst, heeft toegekend, in België bedrijfsvoorheffing is verschuldigd, hoofdzakelijk op grond "dat de H. Foucray tijdens de litigieuze belastingjaren de hoedanigheid van Franse verblijfhouder bezat (...); dat Max Foucray zijn voornaamste beroepsactiviteiten in Frankrijk heeft uitgeoefend ³ (...); dat dit contract (van 20 juli 1976) moet worden uitgelegd als een lastgeving (...); dat (eiseres) tevergeefs betoogt dat (de) commissielonen geen aan Max Foucray toegekende bezoldigingen als bestuurder zijn, op grond dat zij de prijs uitmaken van de commerciële diensten die hij voor de vennootschap zou hebben verricht, terwijl zij de juiste omschrijving ervan niet aantoont en geen enkel bewijsstuk overlegt tot staving van hun omvang en frekwentie; dat de beslissing van de directeur terecht erop wijst dat artikel 27, alinéa 1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen een algemeen karakter heeft en alle bezoldigingen omvat die aan een bestuurder worden toegekend "ongeacht de schuldenaar, de benaming en de wijze waarop zij worden vastgesteld en toegekend" (...); dat in datzelfde artikel verder wordt gepreciseerd dat tot die bezoldigingen inzonderheid behoren '1°) tantièmes en andere vaste of veranderlijke bezoldigingen welke vennootschappen op aandelen ... aan de in artikel 20, 2°, bb, bedoelde personen toekennen op enige andere wijze dan als terugbetaling van werkelijke uitgaven die eigen zijn aan de vennootschap of de rechtspersonen ...', dat (eiseres) te dezen niet aantoont dat de aan haar bestuurder Max Foucray betaalde commissielonen de terugbetaling waren van werkelijke uitgaven die eigen zijn aan haar (...); dat daaruit volgt dat de aan Max Foucray toegekende vergoedingen bezoldigingen als bestuurder uitmaken en bijgevolg bedrijfsinkomsten in de zin van artikel 20 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (...); dat ingevolge artikel 9, alinéa 1, van de genoemde Overeenkomst (de Overeenkomst tussen België en Frankrijk van 10 maart 1964) de aan de heer Foucray toegekende bezoldigingen slechts belastbaar waren in die van de twee verdragsluitende Staten waarvan de vennootschap verblijfhouder is, te weten in België, nu (eiseres) haar bedrijfszetel te Moeskroen had gevestigd, dat (eiseres), gelet op de aard van de aan de bestuurder Foucray toegekende bezoldigingen, ten onrechte artikel 9, alinéa 2, van de Overeenkomst tussen België en Frankrijk aanvoert",
terwijl, hoewel alinéa 1 van artikel 9 van de voornoemde internationale overeenkomst bepaalt dat de bezoldigingen van de bestuurders belastbaar zijn in de Staat waarvan de vennootschap verblijfhouder is, uit alinéa 2 van die bepaling volgt dat die regel niet geld voor de normale bezoldigingen die de bestuurders van een vennootschap in een andere hoedanigheid ontvangen en die, volgens het geval, belastbaar zijn onder de voorwaarden bepaald, hetzij in artikel 7, hetzij in artikel 11, alinéa 1, van de Overeenkomst, wat impliceert : a) dat, in tegenstelling tot hetgeen het arrest beslist, voor de toepassing van die verdragsregel dient te worden afgeweken van de regel van intern recht, bepaalt bij de artikelen 20 en 27 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, volgens welke alle aan de bestuurders van een vennootschap betaalde uitkeringen aan hetzelfde stelsel zijn onderworpen, te weten dat van de inkomsten van de bestuurders, b) dat alleen de bedragen toegekend aan de bestuurders als bezoldiging van hun mandaat van bestuurder, ingevolge artikel 9, alinéa 1, van de Overeenkomst, belastbaar zijn in die Staat waarvan de vennootschap verblijfhouder is, nu de andere bezoldigingen, overeenkomstig de artikelen 7 en 11 belastbaar zijn, dat wil zeggen in beginsel in de Staat waarvan de begunstigde verbljfhouder in de Staat waarvan de begunstigde verblijfhouder is (schending inzonderheid van artikel 9 van de voornoemde overeenkomst tussen België en Frankrijk, 20, 2° b, en 27, inzonderheid alinéa 1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen); bijgevolg, noch de voormelde redenen van het arrest, noch zijn andere overwegingen, naar recht verantwoorden dat de bedragen die eiseres heeft toegekend aan Max Foucray, die zijn verblijfplaats in Frankrijk heeft en zijn werkzaamheden in België uitoefent, in België konden worden belast, niettegenstaande de artikelen 7, inzonderheid alinéa 1, 9, inzonderheid alinéa 2, en 11, inzonderheid alinéa 1, van de Overeenkomst, waarin wordt bepaald dat de belasting wordt geheven in de Staat waarvan de begunstigde verblijfhouder is, behoudens uitzonderingen waarvan het arrest te dezen niet vaststelt dat hun vereisten zijn vervuld (schending van die bepalingen en, bijgevolg, van de andere in de aanhef van dit middel aangewezen bepalingen) :
Overwegende dat alinéa 1 van artikel 9 van de Overeenkomst van 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijds administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, in hoofdzaak bepaalt dat de bezoldigingen van de bestuurders van naamloze vennootschappen belastbaar zijn, in de regel, in die van de twee verdragsluitende Staten waarvan de vennootschap verblijfhouder is;
Dat op die bepaling, luidens alinéa 2, alleen een uitzondering wordt gemaakt als de bezoldiging door de belanghebbende in een andere hoedanigheid wordt ontvangen;
Overwegende dat het arrest zegt "(...) dat de hoedanigheid van hoofdaandeelhouder en bestuurder doorslaggevend is geweest bij de keuze van (eiseres) van Max Foucray als medecontractant in het contract van koper en van commerciële samenwerking; dat dit contract als een lastgeving moet worden uitgelegd (...); (eiseres) te vergeefs betoogt dat die commissielonen geen aan Max Foucray toegekende bezoldigingen als bestuurder zijn, op grond dat zij de prijs uitmaken van de commerciële diensten die hij voor de vennootschap zou hebben verricht, terwijl zij de juiste omschrijving ervan niet aantoont en geen enkel bewijsstuk overlegt tot staving van hun omvang en frekwentie";
Overwegende dat het arrest, hoewel het verwijst naar de bepalingen van artikel 27, alinéa 1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen en vermeldt dat de aan de heer Foucray toegekende uitkeringen bezoldigingen als bestuurder uitmaken en bijgevolg bedrijfsinkomsten in de zin van artikel 20 van dat wetboek, uitdrukkelijk preciseert dat "die bezoldigingen evenwel moeten worden beoordeeld in het kader van de Overeenkomst van 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk";
Dat daaruit volgt dat het hof van beroep de toepassing van artikel 9, alinéa 2, van de voornoemde overeenkomst niet heeft afgewezen omdat, volgens artikel 27, alinéa 1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, het geheel van de verdiensten en beloningen die de bestuurder Foucray van de vennootschap heeft ontvangen tot de belastbare inkomsten behoort, maar op grond dat eiseres niet aantoonde dat de belanghebbende de bezoldiging in een andere hoedanigheid dan die van bestuurder ontving;
Dat het hof van beroep aldus geen van de door eiseres aangevoerde wettelijke bepalingen heeft geschonden door te oordelen "dat de aan de heer Foucray toegekende bezoldigingen, ingevolge artikel 9, alinéa 1, van de genoemde overeenkomst, alleen belastbaar ware in die van de twee verdragsluitende Staten waarvan de vennootschap verblijfhouder is, dat wil zeggen in België"; dat het arrest bijgevolg naar recht beslist dat eiseres aan verweerder de bedrijfsvoorheffing diende te betalen;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Om die redenen, verwerpt de voorziening; veroordeelt eiseres in de kosten.