Hof van Cassatie: Arrest van 13 Februari 1992 (België). RG F1129F

Datum :
13-02-1992
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19920213-8
Rolnummer :
F1129F

Samenvatting :

Naar recht verantwoord is de beslissing van de rechter dat de aan het slachtoffer van een verkeersongeval toegekende vergoeding tot herstel van een blijvende ongeschiktheid van 8 pct, niet belastbaar is, wanneer hij, op grond van zijn vaststellingen in feite, overweegt dat die vergoeding, die geen derving van inkomsten dekte, noch rechtstreeks noch onrechtstreeks betrekking had op de beroepsactiviteit van de betrokkene. ( Artt. 20, 5°, en 32bis, Wetboek van de Inkomstenbelastingen. )

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF; - Gelet op het bestreden arrest, op 20 november 1990 door het Hof van Beroep te Brussel gewezen;
Over het middel : schending van de artikelen 20, 5°, en 32bis van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen,
doordat het hof van beroep, bij de uitspraak over het belastbaar karakter van de vergoeding van 331.293 frank die de verzekeraar van de derde aansprakelijke aan verweerster (lees : verweerders echtgenote) heeft betaald tot herstel van de blijvende arbeidsongeschiktheid van 8 pct. ten gevolge van het verkeersongeval waardoor verweerster is getroffen (toepassing van de artikelen 20, 5°, en 32bis, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen), steunt op "twee, op het eerste gezicht tegenstrijdige, arresten", van 15 januari 1986 en 15 mei 1987 van het Hof, om "een onderscheid te maken tussen twee soorten pensioenen en lijfrenten of tijdelijke renten, alsmede de als zodanig geldende toelagen", te weten, "enerzijds, die welke rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op een in artikel 20, 1° tot 3°, bedoelde beroepswerkzaamheid (artikel 32bis, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen)" en die "alleen de vergoedingen met een sociaal karakter zouden bevatten, terwijl, anderzijds, die welke het gehele of gedeeltelijke herstel van een bestendige derving van winsten, bezoldigingen of baten uitmaken (artikel 32bis, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen), alleen betrekking zouden hebben op de gemeenrechtelijke vergoedingen", en, bijgevolg, beslist dat de litigieuze vergoeding niet belastbaar is op grond van de voornoemde wetsbepalingen, op grond "dat uit dit door het arrest van 13 januari 1989 van het Hof van Cassatie bevestigde onderscheid, volgt dat de gemeenrechtelijke vergoedingen, zoals te dezen, hoe dan ook niet belastbaar blijven wanneer er geen derving van inkomsten is geweest; dat een gemeenrechtelijke vergoeding trouwens geen derving van inkomsten kan vergoeden als er geen is geweest; dat de wetgever, hoe dan ook, met betrekking tot de gemeenrechtelijke vergoedingen, zeker niet heeft gewild dat binnen een stelsel van de inkomstenbelastingen elementen ervan worden belast die geen inkomsten zijn, noch bedragen die in de plaats van inkomsten zijn ontvangen; dat het beginsel van het niet-belastbaar karakter van vergoedingen tot herstel van een schade die onderscheiden is van de derving van bedrijfsinkomsten door de wetgever duidelijk is vastgelegd (Gedr. St., Senaat 1962-62, zitting van 10 oktober 1962, blz. 1772 en 1773); dat het belastbaar verklaren van een vergoeding die een vermindering compenseert van de arbeidsongeschiktheid of de noodzaak tot zwaardere inspanningen, zonder gevolg voor de bedrijfsinkomsten van de getroffene, zou neerkomen op de belasting van een "kapitaal", te weten voor de werknemer zijn arbeidsgeschiktheid, of van een arbeidsvermogen van de getroffene, waarvan een gedeelte door de vergoedingen wordt vervangen en dat men door het belasten ervan zou verminderen; dat er onderscheid hoort te worden gemaakt tussen het (belastbaar) inkomen en de oorsprong van dat inkomen, waarop geen inkomstenbelasting mag worden geheven, dat dank zij het arbeidsvermogen van de getroffene kan worden opgebracht",
terwijl naar luid van de artikelen 20, 5°, en 32bis van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen de pensioenen en de lijfrenten of tijdelijke renten belastbaar zijn, alsmede de als zodanig geldende toelagen die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op een in artikel 20, 1° tot 3°, van hetzelfde wetboek bedoelde beroepswerkzaamheid of die het gehele of gedeeltelijke herstel van een bestendige derving van winsten, bezoldigingen of baten uitmaken; uit die wetsbepalingen de bedoeling van de wetgever blijkt om inzonderheid de vergoedingen die aan een werknemer zijn toegekend wegens een blijvende arbeidsongeschiktheid of een vermindering van zijn arbeidsgeschiktheid, als bedrijfsinkomsten te belasten, zonder dat een onderscheid dient te worden gemaakt naargelang die vergoedingen zijn toegekend ter uitvoering van de sociale wetgeving of met toepassing van het gemeen recht; een vergoeding tot compensatie van een blijvende arbeidsongeschiktheid, een blijvende vermindering van de arbeidsongeschiktheid of de noodzaak tot grotere inspanningen, noodzakelijk rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking heeft op de beroepswerkzaamheid van de getroffene en als dusdanig belastbaar is op grond van voormeld artikel 32bis, zonder dat hoeft te worden nagegaan of de toegekende vergoeding werkelijk een van de in artikel 20, 1° tot 3°, bedoelde inkomsten heeft vervangen; zodat het hof (van beroep), door te beslissen dat de vergoeding van 331.293 frank, die de verzekeraar van de derde aansprakelijke tot herstel van de geleden blijvende arbeidsongeschiktheid heeft betaald, niet tot verweerders belastbare inkomsten behoort, op grond dat zij, nu het gaat om een gemeenrechtelijke vergoeding, alleen belastbaar is in zoverre zij een werkelijke derving van bedrijfsinkomsten compenseert, duidelijk het toepassingsgebied van artikel 32bis beperkt, en bijgevolg de in het middel aangewezen wetsbepalingen schendt :
Overwegende dat het geschil het al dan niet belastbaar karakter betreft van een vergoeding van 331.293 frank, die ten gevolge van een verkeersongeval aan verweerders echtgenote is betaald en het herstel van een blijvende arbeidsongeschiktheid van 8 pct. beoogt;
Overwegende dat artikel 32bis, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen bepaalt dat : "tot de in artikel 20, 5°, bedoelde inkomsten behoren, ongeacht de schuldenaar, de verkrijger, de benaming en de wijze waarop ze worden vastgesteld en toegekend : de pensioenen en lijfrenten of tijdelijke renten, alsmede de als zodanig geldende toelagen die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op een in artikel 20, 1° tot 3°, bedoelde werkzaamheid of die het gehele of gedeeltelijke herstel van een bestendige derving van winsten, bezoldigingen of baten uitmaken";
Overwegende dat het arrest vaststelt dat verweerders echtgenote "die lerares is, geen inkomstenderving heeft geleden, (...) volgens de geneesheren-deskundigen stemt die graad van 8 pct. "lichamelijke invaliditeit overeen met de graad van de economische gevolgen" en is de morele schade daarin begrepen (...), die graad van arbeidsongeschiktheid is inzonderheid bepaald op grond van de quasi constante pijn in de rugstreek, die erger wordt door het werk en de vermoeidheid (haar werk vereist veel rechtstaan), en vermindert door het rusten";
Overwegende dat die vermeldingen impliceren dat de voormelde vergoeding, die geen derving van inkomsten dekte, rechtstreeks noch onrechtstreeks betrekking had op de beroepswerkzaamheid van verweerders echtgenote;
Dat het arrest bijgevolg naar recht beslist dat die vergoeding niet belastbaar is;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Om die redenen, verwerpt de voorziening; veroordeelt eiser in de kosten.